Uitkering KEW belastingvrij te gebruiken voor financiering verbouwing?

Sinds 2017 is het mogelijk om een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) belastingvrij af te kopen. Is een uitkering kapitaalverzekering eigen woning (KEW) ook belastingvrij te gebruiken voor de financiering van een verbouwing?

De volgende casus geeft daar antwoord op:

Een man heeft geruime tijd geleden een KEW gesloten in verband met de aflossing van zijn hypotheek. Door een erfenis heeft hij zijn lening grotendeels afgelost. Hij is nu van plan om een verbouwing te doen. Omdat hij de KEW toch niet meer nodig heeft om de lening af te lossen, vroeg hij zich af of hij de uitkering uit zijn KEW belastingvrij kan gebruiken voor de verbouwing.

Zoals gezegd is het sinds 2017 mogelijk om een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een spaarrekening eigen woning (SEW) of een beleggingsrecht eigen woning (BEW) belastingvrij af te kopen ook al is niet voldaan aan de eis van 15 of 20 jaar jaarlijks sparen. De uitkering mag alleen worden gebruikt om een eigenwoningschuld (of een restschuld) mee af te lossen.

De financiering van een verbouwing met de uitkering uit een KEW, SEW of BEW is niet aan te merken als het aflossen van een eigenwoningschuld (of een restschuld). De uitkering kan dan ook niet belastingvrij worden genoten. In dat geval moet de man over het rentebestanddeel in de uitkering inkomstenbelasting in box 1 betalen. Het rentebestanddeel is het verschil tussen de uitkering en het totaalbedrag van uw inleg.

Belang voor de praktijk

Aanvankelijk stelde de Belastingdienst zich coulant op en heeft in een aantal gevallen toegestaan dat een verbouwing rechtstreeks met de uitkering van een KEW, SEW of BEW werd gefinancierd. De coulante opstelling lijkt te zijn losgelaten: in de praktijk huldigt de Belastingdienst steeds vaker het standpunt dat de Wet inkomstenbelasting 2001 niet de mogelijkheid biedt om een uitkering uit een KEW, SEW of BEW belastingvrij te gebruiken voor een verbouwing.

Als de bezitter van een KEW, SEW of BEW de uitkering toch belastingvrij wil gebruiken voor een verbouwing rest slechts een omslachtige methode: eerst een lening afsluiten voor de verbouwing en vervolgens de uitkering gebruiken om de lening af te lossen. Een aantal belangenorganisaties en opleiders heeft de staatssecretaris van Financiën gevraagd om de huidige strenge regeling te versoepelen. Vooralsnog zonder resultaat.

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Innen erfbelasting alleen maar verder achterop

De achterstand in de inning van de erfbelasting is alleen maar groter geworden, terwijl het de bedoeling was die dit jaar in te lopen. De opbrengst zal daardoor voorlopig tegenvallen, meldt staatssecretaris Menno Snel (Financiën).

Snel verschafte nadere uitleg, nadat minister Wopke Hoekstra al voor de nieuwe problemen bij de geplaagde Belastingdienst had gewaarschuwd. De achterstanden bij de schenkbelasting worden wel volgens schema goedgemaakt, schrijft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer.

Het incasseren van de erfbelasting is alleen maar verder achteropgeraakt, omdat in het nieuwe systeem dat de fiscus daarvoor gebruikt ,,een technische fout is geslopen”. Bovendien was er meer werk dan verwacht, en daarop was de dienst niet berekend. De leiding onderschatte de problemen en paste de planning niet aan, aldus Snel. De conclusies zijn pijnlijk, omdat de bewindsman de Kamer een paar weken geleden nog liet weten dat de inhaalslag naar behoren verliep.

Snel ,,zal de aansturing op de erf- en schenkbelasting verder verscherpen”. Verder zet de fiscus extra uitzendkrachten en ambtenaren van andere afdelingen op de erfbelasting. De planning wordt aangescherpt en beter bewaakt. De staatssecretaris blijft erop mikken de opgelopen achterstanden ,,nog dit jaar in te halen”.

De tegenslag heeft waarschijnlijk ,,aanmerkelijke gevolgen” voor de rijksbegroting, zei Hoekstra eerder op de dag al. Vorig jaar liep de schatkist al 450 miljoen euro mis doordat niet alle verschuldigde belastingen op erfenissen en giften werden geïnd. Hoekstra rekende erop dat bedrag dit jaar alsnog te incasseren, maar dat lukt dus hoogstwaarschijnlijk niet.

Hoekstra stak niet onder stoelen of banken dat hij baalt van de gang van zaken ,,Ik ben zelf ook uit mijn vel gesprongen”, zei hij. Hij benadrukte wel dat de problemen ,,een symptoom” zijn van veel bredere problemen bij de Belastingdienst. Die kampt al veel langer met de nasleep van een uit de hand gelopen reorganisatie en een mislukte vernieuwing van ICT-systemen.

Het gaat nog jaren duren voordat al die problemen zijn opgelost, herhaalde Hoekstra nog maar eens. Ook vindt hij dat het te lang heeft geduurd voordat hij over de nieuwe tegenslag werd ingelicht.

Bron: ANP

Sommige werkgevers zijn voor de premieberekening nooit klein geweest

Vaak zal een startende werkgever voor de heffing van de premie werknemersverzekeringen kwalificeren als een kleine werkgever. Toch is het mogelijke dat een bedrijf op grote schaal begint en meteen als grote werkgever kwalificeert.

Premies werkgeversverzekeringen

Werkgevers zijn verplicht de volgende premies voor de werknemersverzekeringen te betalen:

  • premie Werkloosheidswet-Algemeen werkloosheidsfonds;
  • de sectorpremie;
  • premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie);
  • basispremie Wet Arbeidsongeschiktheid/Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten/Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WAO/IVA/WGA); en
  • de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk).

 

Gedifferentieerde premie Whk

De gedifferentieerde premie Whk bestaat uit de premiecomponent WGA en de premiecomponent ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW-flex). De fiscus stelt de hoogte van de gedifferentieerde premie vast, maar de manier waarop dat gebeurt is afhankelijk van de grootte van de werkgever. Voor de heffing van deze premie worden werkgevers ingedeeld in de categorieën klein, middelgroot en groot.

 

Groottecategorieën

In beginsel bepaalt het premieloon van de werkgever in 2016 de groottecategorie waarin hij valt voor het jaar 2018. Hierbij gelden de volgende grenzen:

  • bij een premieloon tot en met € 328.000 kwalificeert de werkgever als een kleine werkgever;
  • bij een premieloon van meer dan € 328.000 maar niet meer dan € 3.280.000 kwalificeert de werkgever als een middelgrote werkgever; en
  • bij een premieloon van meer dan € 3.280.000 kwalificeert de werkgever als een grote werkgever.

Voor andere jaren geldt in principe dat het premieloon in het tweede kalenderjaar voor het desbetreffende kalenderjaar bepalend is.

 

Te betalen premies

De fiscus stelt de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk voor kleine werknemers vast per sector. Kwalificeert de werkgever als middelgroot, dan berekent de fiscus de verschuldigde gedifferentieerde premie Whk als een gewogen gemiddelde van de individueel vastgestelde premiepercentages en de sectorale premiepercentages. Daarbij geldt de volgende formule:

premie = (1-C) x sectoraal premiepercentage + C x individueel premiepercentage.

Hierbij is C:

het premieloon van de werkgever in 2016 -/- de premieloongrens klein/middelgroot

premieloongrens middelgroot/groot -/- premieloongrens klein/middelgroot

 

De Belastingdienst stelt de gedifferentieerde premie Whk individueel vast in het geval van een grote werkgever. Het percentage is per premiecomponent afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico in de desbetreffende onderneming.

 

Grenzen aan de individuele premiepercentages

Bij het vaststellen van de individuele premiepercentages is de Belastingdienst per premiecomponent gebonden aan de volgende grenzen:

  • voor de premiecomponent WGA  geldt een minimumpercentage van 0,18% en een maximumpercentage van 3,00%;
  • voor de premiecomponent ZW-flex geldt een minimumpercentage van 0,10% en een maximumpercentage van 1,64%. Voor sector 52 (Uitzendbedrijven) geldt echter een afwijkend maximumpercentage voor de premiecomponent ZW-flex van 8,03%.

 

Startende werkgever

In het kalenderjaar waarin een bedrijf anders dan in het kader van een overgang werkgever is geworden en in de twee daaropvolgende kalenderjaren kwalificeert de werkgever als een startende werkgever. Voor een startende kleine werkgever is het gedifferentieerde premiepercentage Whk het totaal van zijn sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA en ZW-flex. De fiscus stelt het premiepercentage Whk voor een startende middelgrote werkgever op het totaal van de gewogen gemiddelden van de rekenpercentages en de sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA en ZW-flex. Voor een startende grote werkgever is het premiepercentage Whk het totaal van de rekenpercentages voor de premiecomponenten WGA en de ZW-flex. In 2018 leidt dit tot een premiepercentage van 1,22%.

 

Altijd startende kleine werkgever?

De Belastingdienst merkt een werkgever die in 2017 of later is gestart altijd aan als startende kleine werkgever. Maar het lijkt erop dat de belastingrechter dit standpunt soms niet honoreert. De Belastingdienst had namelijk in een zaak voor de Hoge Raad een werkgever die in 2014 was begonnen voor dat jaar aangemerkt als kleine werkgever. De Belastingdienst merkte deze B.V. aan als kleine werknemer, omdat zij in 2012 geen premieloon had genoten. De Hoge Raad oordeelt dat vóór 1 januari 2014 een werkgever in een andere groottecategorie was in te delen dan volgens de hoofdregel het geval zou zijn. Inmiddels is de wet- en regelgeving gewijzigd. Maar uit niets blijkt dat de wetgever de mogelijk van afwijking van de hoofdregel heeft willen afschaffen. Daarom moet de speciale regeling voor de indeling van startende werkgevers dezelfde mogelijkheid tot afwijking van de hoofdregel bieden als de oude regelgeving. In dit geval was het verwachte premieplichtig loon van de B.V. meer dan € 4 miljoen. De B.V. kwalificeerde daardoor meteen als een grote werkgever.

(Bron: Taxence)

Verlaagd btw-tarief verhoogd

Bent u kapper, bloemist, schilder of stukadoor? Verkoopt u boeken, verstrekt u geneesmiddelen of geeft u gelegenheid tot sportbeoefening? Of verricht u een van de overige prestaties die door de wetgever onder het verlaagd btw-tarief zijn gebracht? Dan moet u vanaf 1 januari 2019 méér btw berekenen over de door u geleverde goederen en diensten. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het verlaagde btw-tarief verhoogd van 6% naar 9%. Ons advies: pas uw prijzen voor prestaties die onder het verlaagde tarief vallen aan en richt uw btw-administratie tijdig in.

De btw-verhoging werd door het kabinet aangekondigd in het Regeerakkoord Rutte III en dient ter financiering van de verlaging van de inkomstenbelasting. De tariefsverhoging  wordt opgenomen in het Belastingplan 2019 en treedt, na instemming van zowel de Tweede als Eerste Kamer, per 1 januari 2019 in werking.

Heeft de btw-verhoging gevolgen voor u?

De tariefsverhoging geldt voor alle goederen en diensten die momenteel zijn onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6%:

  • eet- en drinkwaren;
  • genees- en verbandmiddelen;
  • kunstvoorwerpen en antiquiteiten;
  • boeken;
  • bloemen, bomen en planten;
  • het geven van gelegenheid tot sportbeoefening;
  • diensten verricht door schoenmakers, kleermakers en kappers;
  • het schilderen en stukadoren van bepaalde woningen;
  • personenvervoer;
  • hotelovernachtingen en kampeerdiensten;
  • het verlenen van toegang tot circussen, dierentuinen, openbare musea, muziek- en toneeluitvoeringen, bioscopen, sportwedstrijden en attractieparken;
  • schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen.

Verricht u één van bovenstaande prestaties of één van de andere prestaties onderworpen aan het verlaagd btw-tarief? Dan moet u met ingang van 1 januari 2019 een btw-tarief van 9% berekenen aan uw afnemers. Pas daarom tijdig uw prijzen aan en voer de tariefsverhoging door in uw btw-administratie.

Vooruitbetalingen: 6% of 9% btw?

Om te bepalen welk btw-tarief van toepassing is, moet in beginsel worden aangesloten bij het moment van verschuldigdheid. Dit is het moment waarop de factuur is uitgereikt dan wel had moeten zijn uitgereikt óf, ingeval geen verplichting bestaat tot het uitreiken van een factuur, het moment van presteren. Betaalt uw afnemer vóórdat de factuur is uitgereikt c.q. de prestatie heeft plaatsgevonden, dan wordt aangesloten bij het moment van ontvangst van de betaling.

Geen overgangsregeling

In een recent gepubliceerd nieuwsbericht heeft de staatssecretaris van Financiën aangekondigd geen overgangsregeling in te stellen voor de verhoging van het verlaagde btw-tarief op 1 januari 2019. Betalingen die u ontvangt vóór 1 januari 2019 waarbij de samenhangende prestatie plaatsvindt op of na 1 januari 2019 zijn daarom onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6%.

Lopende contracten

De verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% per 1 januari 2019 kunt u doorberekenen aan uw afnemers, ongeacht hetgeen is bepaald in een eventuele overeenkomst. In een overeenkomst opgenomen strijdige bedingen zijn nietig.

(Bron: Berk)

Salaris dga? Zorg voor een goede onderbouwing!

Bent u directeurgrootaandeelhouder (dga) en hebt u dus een aanmerkelijk belang hebt in uw bedrijf? Dan geldt voor u de gebruikelijkloonregeling. Zorg daarbij voor een goede onderbouwing van het gebruikelijk loon, zodat u geen correcties van de Belastingdienst krijgt.

 

Op 23 april 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van een WOB-procedure de interne documenten gepubliceerd van de Belastingdienst over de toepassing van de gebruikelijk loonregeling van artikel 12a Wet op de Loonbelasting 1964. Hierna gaan wij verder in op wat deze documenten voor u als dga betekenen.

Hoe werkt de gebruikelijkloonregeling?

Per 1 januari 2015 is de gebruikelijkloonregeling zodanig gewijzigd dat het de Belastingdienst makkelijker moet maken om het te lage loon van de dga te corrigeren. Als het gebruikelijk loon lager is dan € 45.000, moet u als dga aannemelijk maken dat het om een zakelijk loon gaat. Is het gebruikelijk loon € 45.000 of hoger, dan moet de Belastingdienst aannemelijk maken dat het loon niet gebruikelijk is.

Uitgangspunt

Het uitgangspunt is dat het loon op minimaal 75% van het loon van een werknemer in de meest vergelijkbare dienstbetrekking moet worden vastgesteld. Vervolgens moet er ook getoetst worden aan het loon van de werknemers binnen de organisatie, het loon moet minimaal net zo hoog zijn. Als de werknemer van wie de hoogte van het loon getoetst wordt over bijzondere capaciteiten beschikt, mag het loon van de dga ook lager worden vastgesteld. Pas als er op basis van de twee hiervoor genoemde toetsen geen gebruikelijk loon kan worden vastgesteld, moet het minimaal op € 45.000 worden vastgesteld.

Gebruikelijk loon onderbouwen?

De belangrijkste conclusie uit de gepubliceerde documenten is dat de Belastingdienst niet beschikt over een database met informatie om het gebruikelijk loon vast te stellen. Er wordt door de Belastingdienst onder andere naar de volgende twee websites verwezen: www.loonindex.nl en www.gemiddeld-inkomen.nl/gemiddeld-salaris-per-beroep/.

Tip: Maak een goede vastlegging van salarissen van vergelijkbare beroepen.

Als u op basis van de publieke bronnen vaststelt wat het loon is voor een medewerker in de meest vergelijkbare dienstbetrekking, en uw salaris op minimaal 75% daarvan vaststelt, zal het voor de Belastingdienst lastig zijn om uw salaris te corrigeren. Daarbij is van belang dat de informatie waarop de vaststelling van het gebruikelijk loon is gebaseerd in de administratie bewaard wordt. Op deze manier zal het risico dat de Belastingdienst bij correcties achteraf een boete oplegt, kleiner worden.

(Bron: Boon Accountants)

Billijke vergoeding bij ontslag: hoe zit het?

inds 1 juli 2015 is met de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) de ontbindingsvergoeding vervangen door de transitievergoeding. Ook is de billijke vergoeding ontstaan. Wanneer heeft een medewerker recht op deze vergoeding?

Word een medewerker na (minimaal) twee jaar dienstverband ontslagen? Dan heeft de medewerker meestal recht op een financiële vergoeding: de transitievergoeding. Werknemers kunnen de transitievergoeding gebruiken om de overstap naar een andere baan makkelijker te maken, bijvoorbeeld door scholing.

De berekening van de transitievergoeding is wettelijk vastgelegd en valt lager uit dan de ontbindingsvergoeding. Soms heeft een werknemer recht op een (extra) billijke vergoeding.

De billijke vergoeding

Met de invoering van de Wwz is ook de billijke vergoeding ontstaan. De rechter kan bij ontslag (ook wanneer de werknemer ontslag neemt vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever kan een billijke vergoeding worden toegewezen) de medewerker een extra vergoeding toekennen. Voor het toekennen van deze billijke vergoeding moet worden aangetoond dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld óf dat de wet in een andere situatie daarop aanspraak geeft.

Dit is bijvoorbeeld het geval als de opzegging door de werkgever in strijd is met de daarvoor geldende regels. Of als een arbeidsovereenkomst wordt ontbonden door een verstoorde arbeidsrelatie, dieveroorzaakt is door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Hoe wordt de billijke vergoeding berekend?

Over de berekening van de billijke vergoeding bestond verwarring. Vorig jaar heeft de Hoge Raad met een uitspraak van 30 juni 2017 (tijdens het ‘Hairstyle-arrest’) hierover meer duidelijkheid gegeven.

De Hoge Raad neemt als uitgangspunt voor de berekening dat de werknemer gecompenseerd wordt voor het verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De werknemer heeft recht op een vergoeding op maat. Daarbij moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het ontslag voor de werknemer. Voorwaarde: die gevolgen moeten toegerekend kunnen worden aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Specifieke omstandigheden

Er zijn diverse omstandigheden die de hoogte van de billijke vergoeding bepalen. Zo stelt de Hoge Raad dat er gekeken moet worden naar wat het (verwachte) loon van de werknemer zou zijn geweest als de opzegging van de arbeidsovereenkomst zou worden vernietigd – óf op rechtmatige wijze beëindigd had kunnen worden (en op welke termijn).

Ook de duur van het dienstverband en de kansen van de werknemer op de arbeidsmarkt bepalen de hoogte van de billijke vergoeding. Daarbij moet de rechter rekening houden met de eventuele toekomende transitievergoeding.

Trend is gezet

Sinds de uitspraak van de Hoge Raad weten rechters beter waar zij aan toe zijn. Alle omstandigheden en gevolgen van de ontslagsituatie spelen namelijk een rol.

Na de uitspraak zijn al diverse hogere billijke vergoedingen toegekend door lagere rechters. Zo kende de Kantonrechter Noord-Holland twee billijke vergoedingen toe van respectievelijk 530.000 euro (16 januari) en 628.000 euro (24 april).

Risico bij overtreding

Duidelijk is dat werkgevers goed op de hoogte moeten zijn van de wettelijke regels over de transitievergoeding en debillijke vergoeding. Houdt u zich niet aan de regels? Dan loopt u het risico om alsnog een hoge billijke vergoeding te moeten betalen.

(Bron: Flynth)

Spelregels voor reiskostenvergoeding

Een groot deel van de werknemers in Nederland reist voor zijn werk. Woon-werkverkeer levert een groot aandeel daarin. Wat zijn de spelregels voor het vergoeden van de reiskosten?

In Nederland bent u als werkgever niet verplicht om reiskosten uit te betalen. Toch zijn er een aantal regels en uitzonderingen waar u rekening mee moet houden.

Spelregels volgens cao

Bent u aangesloten bij een cao? Dan kan het zijn dat in de een reiskostenvergoeding is opgenomen. Als dat het geval is, dan bent u wél verplicht om deze vergoeding aan uw personeel te verstrekken.

In veel gevallen geldt dit ook voor de flexibele schil in uw onderneming, zoals uitzendkrachten.

Reiskosten eigen vervoer

Reist uw medewerker met het eigen vervoer naar het werk? Dan mag u een onbelaste vergoeding toekennen van maximaal 19 cent per kilometer voor woon-werkverkeer. Deze vergoeding kunt u omrekenen naar een vaste vergoeding per maand die u jaarrond aan de medewerker verstrekt.

Reiskosten openbaar vervoer

ProRail verwacht in 2030 tot 45% meer treinreizigers. Reist uw medewerker ook met het openbaar vervoer naar het werk? Dan kunt u de werkelijk gemaakte kosten onbelast vergoeden.

Stel: u verstrekt een ov-jaarkaart aan uw medewerker. De totale kosten die uw medewerker jaarlijks maakt, zijn lager dan de prijs van de ov-jaarkaart. Dan mag u alleen de kosten vergoeden die gelden voor het zakelijk verbruik. Het restgebruik (privégebruik van de ov-jaarkaart) komt voor rekening van de medewerker.

Andere oplossingen

Naast het vergoeden van reiskosten zijn er ook andere oplossingen voor uw medewerkers. Denk aan een fiets van de zaak via een cafetariaregeling of de werkkostenregeling (WKR), het opstellen van een mobiliteitsplan óf een auto van de zaak.

(Bron: Flynth)

Wetsvoorstel Wet spoedreparatie fe naar Tweede Kamer

De staatssecretaris van Financiën heeft het beloofde wetsvoorstel Wet spoedreparatie fiscale eenheid (fe) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit voorstel moet leiden tot een gelijkere behandeling van de binnenlandse fe en die in een vergelijkbare EU-situatie.

Het Europees Hof van Justitie heeft op 22 februari jl. aangegeven dat de renteaftrekregeling een ongerechtvaardigde discriminatie van binnenlandse moeders met buitenlandse dochtervennootschappen vormt waarvoor in sommige gevallen de renteaftrek niet mogelijk is. Nederland moest dus zijn wetgeving inzake de fiscale eenheid aanpassen. De staatssecretaris heeft daartoe nu het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.

Niet meer gunstiger uitpakken

De aanpassing van de Wet op de vennootschapsbelasting moet ertoe leiden dat een binnenlandse fe-situatie niet gunstiger meer uit kan pakken dan een vergelijkbare EU-situatie. Hierdoor moeten de renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage, bepaalde onderdelen van de deelnemingsvrijstelling, de renteaftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente, de herwaarderingsverplichting voor laagbelaste beleggingsdeelnemingen en de verliesverrekening bij wijziging van het belang, moeten worden toegepast alsof er geen fe is. Deze regelingen moeten worden toegepast alsof de onderdelen van de fe zelfstandig belastingplichtig zijn. Dit wil zeggen dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappijen voor de toepassing van de in deze spoedreparatiemaatregel genoemde bepalingen geen deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moeder.

Overgangsmaatregel voor renteaftrekbeperking

Voor de renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage is een overgangsmaatregel opgenomen voor de periode van 25 oktober 2017, 11 uur tot en met 31 december 2018. Tot eind 2018 geldt er een drempel voor het toepassen van de beperking van de renteaftrek. Voor onderlinge schulden binnen de fe waarvan de rentes opgeteld onder de € 100.000 blijven, geldt namelijk de beperking niet. De schuld moest op 25 oktober 2017 – en om 11:00 uur dus – dan al wel bestaan. In het wetsvoorstel is ook een verzuim in de innovatiebox hersteld.

(Bron: Rendement)

Beperking maximale looptijd 30%-regeling ingekomen werknemers

Met ingang van 1 januari 2019 wordt de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers beperkt van maximaal acht naar maximaal vijf jaar. De mogelijkheid om de keuzeregeling buitenlandse belastingplicht toe te passen en de mogelijkheid om de daadwerkelijke extraterritoriale kosten gericht vrijgesteld te vergoeden, worden ook beperkt tot maximaal vijf jaar.

Evaluatie 30%-regeling

In het regeerakkoord 2017 was al aangekondigd dat de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers beperkt zal worden van acht naar vijf jaar. Dit naar aanleiding van een evaluatie van de 30%-regeling door onderzoeks- en adviesbureau Dialogic. De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs de beperking van de maximale looptijd van de 30%-regeling bevestigd in een kabinetsreactie. Bovendien heeft de staatssecretaris aangegeven dat de andere aanbevelingen uit de evaluatie van de 30%-regeling, het verhogen van de 150-kilometergrens en een verlaging van het forfait bij inkomens boven de € 100.000, niet worden overgenomen.

Oude en nieuwe gevallen

De details van de beperking van de looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers, de keuzeregeling buitenlandse belastingplicht en de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten zijn nog niet bekend. Wel is bekend dat de beperking van de maximale looptijd van acht naar vijf jaar zal ingaan per 1 januari 2019. De beperking geldt volgens de kabinetsreactie voor zowel oude als nieuwe gevallen. Op basis van het voorstel zoals dat er nu ligt, betekent dat dus waarschijnlijk dat alle 30%-regelingen die op 1 januari 2019 al vijf jaar of langer van toepassing zijn, op 1 januari 2019 per direct niet langer kunnen worden toegepast.

Aanpak

Indien u ingekomen werknemers in dienst heeft, of indien u zelf een ingekomen werknemer bent, adviseren wij u te inventariseren welke gevolgen de beperking van de maximale looptijd van de 30%-regeling, de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht en de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten mogelijk hebben. Wij houden u uiteraard op de hoogte houden van de nieuwe ontwikkelingen

(Bron: BakerTillyBerk)

Wob-verzoek toepassing gebruikelijkloonregeling

Onlangs heeft de staatssecretaris van Financiën op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) het beleid van de belastingdienst bekendgemaakt inzake de toepassing van de zogenoemde gebruikelijkloonregeling.

In het kader van de Wob zijn er drie documenten vrijgegeven, te weten:

  1. intranetpagina over gebruikelijk loon met standaardbrieven;
  2. handreiking gebruikelijk loon 2015;
  3. pagina’s over gebruikelijk loon bij het Forum voor Fiscaal Dienstverleners.

Uit de vrijgegeven stukken blijkt onder meer dat de belastingdienst niet over een eigen database beschikt waarin alle salarissen per branche zijn opgenomen. Dit mag vrij opmerkelijk worden genoemd, omdat de belastingdienst via de loonaangiften alle daarvoor benodigde informatie krijgt aangeleverd. Medewerkers van de belastingdienst worden voor het verkrijgen van informatie ten aanzien van het salarisniveau van de meest vergelijkbare dienstbetrekking verwezen naar diverse openbaar toegankelijke websites, waardoor er dus geen sprake is van een informatievoorsprong op de belastingadviseur.

Onder de vrijgegeven stukken bevindt zich ook een aantal standaardbrieven dat in beginsel niet spannend is te noemen. Onze ervaring is echter dat niet alle medewerkers van de belastingdienst hiervan gebruikmaken met als gevolg dat er af en toe standpunten worden ingenomen die fiscaal-juridisch bezien onjuist zijn. Dit betreft met name situaties waarin de directeur-grootaandeelhouder (dga) in het kader van een bedrijfsopvolging al minder is gaan werken of waarbij de vennootschap van de dga in een verliesgevende situatie terecht is gekomen.

Toch komt het in de praktijk nog steeds voor dat het salaris van de dga respectievelijk het salaris van de meewerkende partner van de dga daadwerkelijk te laag is vastgesteld. Dit kan de volgende oorzaken hebben:

  • het salaris is, gelet op de aanwezigheid van andere inkomensbronnen, te laag vastgesteld omdat de dga er geen behoefte aan heeft;
  • het salaris is fiscaal geoptimaliseerd zodat het salaris net niet in de hoogste belastingtariefschijf van 51,95% valt;
  • er wordt vanwege de lagere belastingdruk gekozen voor het uitkeren van dividend in plaats van het uitbetalen van een zakelijk bepaald salaris;
  • de dga wil de onderneming ontzien door genoegen te nemen met een lager salaris dan in de markt gangbaar is;
  • de meewerkende partner van de dga ontvangt geen dan wel een te laag salaris in verband met de gedachte dat het hier slechts ondersteunende werkzaamheden betreffen.

(Bron: WVDB)