Beleid over geruisloze doorschuiving geactualiseerd

De staatssecretaris heeft besluiten van 12 april 2002 en 18 juli 2008 op het gebied van de geruisloze doorschuiving in de zin van de artikelen 3.62 en 3.63 Wet IB samengevoegd en geactualiseerd. Als een firmant overlijdt en de overblijvende firmanten nemen zijn onderneming krachtens een overnemings- of toescheidingsbeding over of verkrijgen zijn onderneming krachtens een verblijvingsbeding, kan het voorkomen dat de onderneming civielrechtelijk korte tijd eigendom is van de niet-voortzettende erfgenamen. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen in het geval een ondernemer overlijdt en de onderneming zal worden voortgezet door een werknemer. De staatssecretaris keurt voor dit soort situaties goed dat geruisloze doorschuiving met toepassing van artikel 3.63 Wet IB 2001 juncto artikel 13a, lid 2, onderdeel f, UVR IB 2001 kan plaatsvinden hoewel de onderneming van de overledene eerst tot de nalatenschap gaat behoren en niet-voortzettende erfgenamen deze leveren aan de voortzettende firmant of werknemer. Verder zijn in het geactualiseerde besluit criteria opgenomen in verband met de beoordeling van de 36-maandseis bij onderbreking van de dienstbetrekking en is verder uitgeschreven wat de gevolgen zijn van een arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007. Het nieuwe besluit treedt op 31 mei 2018 in werking en werkt terug tot en met 14 mei 2018.

(Bron: FUTD)

De fiscale behandeling van cryptovaluta

Staatssecretaris Snel gaat nader in op wat de fiscale behandeling van cryptovaluta in diverse situaties is. Hij merkt hierbij op dat de ontwikkelingen snel gaan. Dit betekent dat de fiscale kwalificatie en behandeling van cryptovaluta in de toekomst kan veranderen.

Minen

Van belang is of ten aanzien van die activiteiten in fiscale zin al dan niet sprake is van een bron van inkomen. Voor die bronnen van inkomen is naast het verrichten van arbeid van belang dat er een voordeel wordt beoogd en dat er redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Ook kan ook de omvang van de investering (in computers) een rol spelen. Daarnaast kan de fase waarin men instapt met het minen van cryptovaluta (beginfase of een reeds langer bestaande cryptovaluta) een licht werpen op de voordeelsverwachting.

 

In de jurisprudentie is uitgemaakt dat geen sprake is van een bron van inkomen in geval van een speculatieve transactie en als het eindresultaat niet beïnvloedbaar is door de verrichte arbeid. Dat geldt ook voor de handel in cryptovaluta. Als daarentegen structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van belanghebbende die verder gaat dan de arbeid die met speculatie samenhangt, is wel sprake van een bron van inkomen. De meeropbrengst moet dus verband houden met de verrichte arbeid.

 

Bezittingen in box 3

Cryptovaluta, waaronder de bitcoin, in het bezit van een natuurlijk persoon behoren tot de vermogensrendementsgrondslag van box 3, tenzij sprake is van vermogensbestanddelen die inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, bijvoorbeeld winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. De cryptovaluta moeten naar de waarde in het economisch verkeer op de peildatum van een kalenderjaar worden vermeld in de aangifte inkomstenbelasting. Dat wil zeggen dat aangesloten dient te worden bij de geldende koers op peildatum.

Er zijn verschillende koersen voor cryptovaluta. Nu er geen wettelijk voorschrift bestaat met betrekking tot de vraag welke koers gehanteerd dient te worden, is de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform de meest voor de hand liggende koers. Burgers zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste en volledige aangifte. Indien burgers vermogen hebben in cryptovaluta zullen ze dit, evenals andere vermogensbestanddelen, moeten opgeven in hun aangifte inkomstenbelasting. In die zin zijn cryptovaluta niet anders.

 

Door een IB-ondernemer of B.V. ontvangen tegenprestatie in cryptovaluta

Als de vergoeding niet in euro’s maar in cryptovaluta wordt voldaan, moet deze worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Dat omgerekende bedrag in euro’s wordt tot de omzet gerekend. Dat geldt zowel voor de winstbepaling (de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting) als voor de omzetbelasting. Als de cryptovaluta worden omgewisseld in euro’s kan die omwisseltransactie voor de winstbepaling een verlies of een winst opleveren. Als de cryptovaluta per balansdatum aanwezig zijn, geschiedt de waardering volgens goed koopmansgebruik. Cryptovaluta kwalificeren niet als liquide middelen, maar zullen veelal wel als vlottende activa kunnen worden aangemerkt. Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van voorraad. In beide situaties (vlottende activa dan wel voorraad) is de hoofdregel waardering op kostprijs of lagere marktwaarde.

 

Loonbetaling in cryptovaluta

Als loon wordt uitbetaald in cryptovaluta moet in de aangiften loonbelasting een omrekening in euro’s plaatsvinden op het moment dat het loon wordt genoten. Loon uitbetaald in cryptovaluta wordt behandeld als loon in natura.

 

Aankoop van cryptovaluta door natuurlijk persoon die IB-ondernemer is

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

 

Het minen en de aankoop van cryptovaluta door een B.V.

Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen.

 

Handhaving

Een belangrijke ontwikkeling in dit verband is de nieuwe 5e EU anti-witwasrichtlijn, waarin identificatieverplichtingen, en andere regels zijn opgenomen voor handelsplatformen en andere aanbieders van cryptovaluta.

(Bron: Taxence)

Stel bij schenking aandelen IB-latentie op contante waarde

Het is niet toegestaan om bij een schenking van aanmerkelijkbelangaandelen de latente inkomstenbelasting te berekenen tegen de nominale waarde. Bovendien mag de fiscus de IB-latentie evenredig toerekenen aan het vrijgestelde en het belaste deel. De Hoge Raad heeft dit bevestigd.

Een man die een aanmerkelijkbelangpakket kreeg geschonken met een waarde van meer dan € 120 miljoen stelde ten eerste dat de fiscus de IB-latentie moest waarderen tegen de nominale waarde. De IB-latentie zou dan uitkomen op een veel hoger bedrag dan volgens de contante waarde. Daarnaast paste de man de bedrijfsopvolgingsfaciliteit toe, waardoor een deel van de verkrijging onbelast was. De man vond dat de IB-latentie alleen in mindering moest komen op het belaste deel. De Hoge Raad verwerpt beide standpunten van de man. De wet bevat een duidelijk waarderingsvoorschrift voor de IB-latentie: 6,25% van de waarde van de aandelen voor zover deze de verkrijgingsprijs overtreffen. Overigens vindt de rechter het meer voor de hand liggen om de IB-latentie te stellen op de contante waarde dan op de nominale waarde. Op het moment van schenking is de begunstigde immers de inkomstenbelasting nog niet verschuldigd. Ten slotte moet de IB-latentie naar evenredigheid worden toebedeeld aan het belaste en het vrijgestelde deel van de verkrijging.

(Bron: Taxence)

Voor ex betaalde hypotheekrente geen aftrekbare onderhoudsverplichting

Bij vaststelling van de alimentatie-verplichting van een man was ermee rekening gehouden dat de man de volledige hypotheekrente – dus ook het deel van zijn ex-vrouw – betaalt. Dit betekent echter niet dat de voor de ex-vrouw betaalde hypotheekrente als partneralimentatie aftrekbaar is. Met een reactie van mr. Pascal van Arnhem.

Een man en vrouw zijn in 2009 gescheiden. De man is in de woning blijven wonen en heeft de volledige hypotheekrente en de premies levensverzekering over de jaren 2010 en 2011 voldaan. Hij bracht het deel van de hypotheekrente en de premies levensverzekering die eigenlijk door zijn ex-vrouw betaald hadden moeten worden als partneralimentatie in zijn aangifte IB 2010 en 2011 in aftrek. Hof Den Bosch oordeelde dat dit niet mocht. Het feit dat bij vaststelling van de partneralimentatieverplichting van de man rekening was gehouden met de volledige hypotheeklast en de premies levensverzekering betekende niet zonder meer dat er sprake was van een onderhoudsverplichting in de zin van de inkomstenbelasting.

 

A-G Niessen sluit zich bij dit oordeel aan. De man had bij de berekening van zijn netto-besteedbaar inkomen voor de alimentatievaststelling het volledige bedrag aan hypotheekrente op zijn inkomen in aftrek gebracht. De ex-echtgenote had deze berekening in de alimentatieprocedure niet weersproken, waardoor er sprake lijkt te zijn geweest van een gedeeltelijke uitruil van woonlasten tegenover alimentatie. Immers, door dit niet te weerspreken zal zij minder alimentatie hebben ontvangen dan bij een 50/50 toerekening van de hypotheekrenteaftrek en woonlasten het geval was geweest. Dit bracht echter nog niet mee dat er sprake was van een uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichting. De man kon de voor zijn ex-vrouw betaalde hypotheekrente en premies levensverzekering dus niet aftrekken als partneralimentatie. De A-G adviseerde het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

 

Commentaar mr. Pascal van Arnhem

Taxence vroeg mr. Pascal van Arnhem, werkzaam bij belastingdienst kantoor Amsterdam om een reactie.

‘De vraag die in deze procedure beantwoord dient te worden is of het feitelijk voldoen van de hypotheeklasten van de voormalige echtgenote met zich meebrengt dat belanghebbende heeft voldaan aan een op hem rustende onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001.

A-G Niessen komt in zijn conclusie tot de slotsom dat belanghebbende de hypotheeklasten van zijn voormalige echtgenote niet heeft voldaan op basis van een onderhoudsverplichting. Het enkele feit dat de rechter de woonlasten meeneemt bij de draagkrachtberekening voor de alimentatieverplichting brengt immers nog niet mee dat de betaling van die woonlasten voortvloeit uit een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Die verplichting vloeit immers niet voort uit een rechterlijk vonnis, maar uit de achterliggende door het (ontbonden) huwelijk geschapen familierechtelijke verhouding.

Het gaat er niet zozeer om wat door de voormalige echtgenote is ontvangen, maar wat het karakter is van de betalingen die door belanghebbende voor zijn rekening zijn genomen. Slechts wanneer de betalingen door belanghebbende in juridische zin als alimentatie zijn te kwalificeren, kunnen zij als onderhoudsverplichting worden aangemerkt. Daarvan is in de onderhavige casus zo te zien geen sprake.

De huidige fiscale aftrekregelingen bieden belanghebbende dan ook geen mogelijkheid om rekening te houden met de door hem betaalde woonlasten van zijn voormalige echtgenote. De A-G wijst er op dat die conclusie mogelijk niet door iedereen in overeenstemming zal worden geacht met de ratio van de wettelijke regels. Het lijkt er op dat de A-G die mening ook is toegedaan. Hij geeft de Hoge Raad immers als mogelijke oplossing mee om het wettelijke regime zodanig op te rekken dat renteaftrek toch mogelijk is voor zover de rentebetalingen het eigenwoningforfait te boven gaan. Aan de andere kant wijst de A-G er ook op dat er verschillende politieke keuzes zijn te maken om al dan niet wijzigingen aan te brengen in de huidige renteaftrekbepalingen.

Gelet op dit laatste argument van de A-G en de omstandigheid dat de huidige regeling op zichzelf geen strijd oplevert met andere wettelijke- of verdragsbepalingen ligt het naar mijn mening niet voor de hand dat de Hoge Raad wijzigingen aanbrengt in de huidige aftrekregeling. Die keuze lijkt mij in dit geval voorbehouden te zijn aan de wetgever.’

(Bron: Taxence)

Vruchtgebruiktestament leidt mogelijk tot onzuivere ODV

Op 1 april 2017 introduceerde de wetgever de oudedagsverplichting (ODV) als alternatief voor het pensioen in eigen beheer. Onlangs is het beleid bij overlijden verder verduidelijkt. In de praktijk is voorts ook belangrijk dat het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst vorig jaar haar visie heeft gegeven over manier waarop de oprenting van de ODV moet plaatsvinden.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst heeft een aantal vragen beantwoord en goedkeuringen gegeven in de Handreiking ODV-aanspraken en overlijden op 13 oktober 2017. Op 4 april 2018 is deze Handreiking herzien. Waarna deze Handreiking amper een maand nadien, op 8 mei 2018, opnieuw is herzien. Op dit moment lijkt het voor de meeste testamentvormen wel duidelijk wat de dga moet regelen voor vererving van zijn ODV.

 

De (quasi-)wettelijke verdeling en ouderlijke boedelverdeling

Bij overlijden van een dga die een partner en kinderen heeft, geldt het volgende voor vererving van de ODV. Door de wettelijke verdeling krijgt de langstlevende partner van rechtswege de ODV en de termijnen hieruit toebedeeld. Hiervoor hoeft de dga niets te regelen. Hetzelfde geldt bij toepassing van een quasi-wettelijke verdeling waarbij de langstlevende partner de ODV-aanspraak aan zichzelf kan toebedelen en de kinderen een vordering op deze langstlevende partner verkrijgen. Ook bij toepassing van de ouderlijke boedelverdeling in testamenten van voor 1 januari 2003 kan de langstlevende de termijnen uit de ODV toebedeeld krijgen, zonder dat dit leidt tot een onzuivere ODV.

 

Kunnen erfgenamen onderling besluiten over de ODV?

Wanneer er meerdere erfgenamen zijn, dan komt de aanspraak op de ODV-termijnen toe aan ieder van de erfgenamen op basis van hun erfdeel. Is de evenredige verdeling van de ODV-aanspraak niet wenselijk? Dan kan de dga de aanspraak uit de ODV in een testament legateren aan één van de erfgenamen. Legateren van de ODV is alleen dan mogelijk in geval dat de ODV toekomt aan een erfgenaam. Afwijkende verdelingen door erfgenamen onderling maken de ODV-verplichting onzuiver, tenzij in het testament voor een bepaalde erfgenaam, bijvoorbeeld de partner, een verdelingsbevoegdheid is opgenomen. Ook als de dga in zijn testament een keuzelegaat heeft opgenomen en de langstlevende kiest ervoor om de ODV-aanspraak aan zichzelf te legateren, gaat het goed.

 

Oppassen met vruchtgebruiktestament

In de praktijk komt het regelmatig voor dat de dga in zijn testament zijn kinderen tot wettelijke erfgenamen benoemt en de langstlevende partner het vruchtgebruik van de nalatenschap krijgt gelegateerd. De langstlevende krijgt op basis van dit testament de uitkeringen (vruchten) uit de ODV en de kinderen de blote eigendom hiervan, zolang als de langstlevende blijft leven. Hier gaat het fout. Als de kinderen de erfgenamen zijn, moeten zij de termijnen krijgen. Hier krijgt de langstlevende de termijnen, maar deze is op grond van het testament geen erfgenaam. Een vruchtgebruiktestament kan dus tot een onzuivere ODV-aanspraak leiden. Alleen als ook de vruchtgebruiker een erfgenaam zou zijn, gaat het goed.

 

Andere testamentvormen of verdelingen

Bij meerdere erfgenamen moet de verhouding in de gerechtigdheid die volgt uit het testament ook daadwerkelijk worden gevolgd. Bij bijvoorbeeld een toedeling van de aanspraak aan drie erfgenamen moet aan iedere erfgenaam 1/3e gedeelte van de termijnen toekomen. Afwijkende verdelingen door de erfgenamen onderling zijn niet toegestaan en leiden daarom tot een onzuivere ODV. Afwijkende verdelingen zijn alleen dan toegestaan als de dga in het testament een verdelingsbevoegdheid heeft opgenomen.

 

Rekenrente ODV

Voor toepassing van het te hanteren oprentingspercentage geldt V&A-17-027. In dit besluit zijn voor een aantal situaties cijfervoorbeelden uitgewerkt, waarnaar wij verwijzen.

 

Ten aanzien van de oprenting van een ODV geldt over het algemeen het volgende:

  • De ODV wordt jaarlijks verhoogd met de marktrente opgenomen in Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB).
  • Zolang de uitkeringen nog niet zijn ingegaan wordt de ODV steeds nadat een jaar is verstreken opgerent.
  • Het is zolang de uitkeringen nog niet zijn ingegaan ook mogelijk steeds aan het eind van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam op te renten.
  • Indien de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak in de loop van het boekjaar wordt omgezet in een ODV-aanspraak, zal bij oprenting van de ODV aan het eind van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam de eerste oprentingsperiode korter zijn dan twaalf maanden;
  • Wanneer de oprentingsperiode in twee kalenderjaren valt, wordt het oprentingspercentage bepaald op het gewogen gemiddelde van de percentages in de URLB voor de betreffende kalenderjaren;
  • In het jaar waarin de ODV-termijnen ingaan, wordt de ODV, voorafgaand aan de vaststelling van de omvang van de eerste termijn, tot de ingangsdatum opgerent;
  • Nadat de ODV-termijnen zijn ingegaan, wordt de ODV steeds na verloop van één jaar opgerent. De grondslag voor oprenting is het bedrag van de ODV nadat daarop de vervallen termijn (en) in mindering is (zijn) gebracht.

 

Losse eindjes ‘sieren‘ tijdelijke tegemoetkoming aan mkb fiscale eenheden

Met een aangekondigde overgangsmaatregel tracht staatssecretaris Snel (Financiën) voor het mkb de spoedreparatie voor de fiscale eenheid enigszins te verzachten. Helaas bevat deze maatregel nog teveel losse eindjes. Van een succesvolle missie kan dan ook nog niet worden gesproken.

Overgangsmaatregel

Op 20 april kondigde de staatssecretaris zijn tegemoetkoming aan het mkb aan. Met een overgangsmaatregel regelt Snel dat als de antiwinstdrainagebepaling van artikel 10a Wet Vpb 1969 binnen de fiscale eenheid van toepassing is, de renteaftrekbeperking tot en met 31 december 2018 – onder strenge voorwaarden − niet aan de orde is voor het mkb. Met name het RB had hier uitdrukkelijk om verzocht. De beroepsorganisatie van belastingadviseurs reageert dan ook verheugd met dit positieve handgebaar. De staatssecretaris zet wel fors lager in dan wellicht gehoopt.

De overgangsmaatregel is namelijk tijdelijk, kent een relatief bescheiden drempel en gaat gepaard met de nodige strikte voorwaarden. Zo mag de rente op alle 10a-groepsschulden tezamen per twaalf maanden niet meer bedragen dan € 100.000. Bij overschrijding komt deze drempel direct te vervallen. Bovendien is het een tijdelijke tegemoetkoming tot en met 31 december 2018 die alleen geldt voor een op 25 oktober 2017 vóór 11.00 uur bestaande 10a-schuld met bijbehorende ‘besmette rechtshandeling’. En dan heeft de inspecteur ook nog een tegenbewijsmogelijkheid om ongewenste toepassing van de overgangsmaatregel tegen te gaan.

Suggesties

Met de overgangsmaatregel biedt Snel het mkb de mogelijkheid de komende maanden een oplossing te vinden voor binnen de fiscale eenheid bestaande 10a-groepsschulden. In eerdere antwoorden op Kamervragen over de spoedreparatie voor de fiscale eenheid deed de staatssecretaris al twee oplossingssuggesties. Hij opperde het aanpassen van de financiering (omzetten in kapitaal). Een andere suggestie is een juridische fusie tussen de vennootschappen die deel uitmaken van de fiscale eenheid. Jeroen van Strien (hoofd bureau vaktechniek van PKF Wallast en universitair docent fiscaal recht aan de VU) waarschuwt dat beide oplossingsmogelijkheden niet van de ene op de andere dag zijn gerealiseerd. “Ik kan me voorstellen dat niet alle fiscale eenheden op de dag van aankondiging van de spoedreparatie (25 oktober 2017) en masse zijn gestart met de omzetting van vreemd vermogen in eigen vermogen. Tot het moment van omzetting kunnen bestaande fiscale eenheden dus geraakt worden door de spoedreparatie die nog niet eens het wetgevingsdaglicht heeft gezien. Dat geldt ook voor de oplossing van een juridische fusie binnen de fiscale eenheid. Deze telt pas op het fusiemoment, kent daarnaast de nodige civielrechtelijke implicaties en werkt niet altijd.”

Van Strien vervolgt: “Een juridische fusie om de spoedreparatie te pareren werkt als de partij die de vordering houdt, fuseert met de partij die de 10a-schuld houdt en andersom. Het werkt echter niet als binnen de fiscale eenheid de twee vennootschappen fuseren waarop de ‘besmette rechtshandeling’ ziet. Als dochter dividend uitkeert aan moeder en die twee fuseren, terwijl een andere vennootschap binnen de fiscale eenheid de 10a-lening heeft verstrekt, blijft in mijn optiek de antiwinstdrainagebepaling van toepassing. Het verband tussen de ‘besmette rechtshandeling’ en de schuld is dan met een fusie niet af te schudden.

Verder merkt Van Strien op dat het omzetten van vreemd vermogen in eigen vermogen en een juridische fusie beiden ook serieuze juridische en economische implicaties kunnen hebben. “Een holdingstructuur kan bijvoorbeeld gewenst zijn om zo overtollige gelden uit de risicosfeer te halen.”

‘Alles of niets’-maatregel

De in de overgangsmaatregel opgenomen drempel is voer voor discussie. De drempel van € 100.000 aan renten op alle 10a-schulden tezamen is niet alleen relatief laag, maar het is ook een ‘alles of niets’-maatregel. Bij € 100.001 is – tegenbewijs daargelaten – alle 10a-rente niet aftrekbaar. “Slechts het kleine mkb zal hierdoor werkelijk een tijdelijke administratieve lastenverlichting ervaren”, aldus Van Strien.”Het grotere mkb met interne financieringen, zal toch moeten gaan kijken of men aanloopt tegen de drempel. Om het volledige mkb tegemoet te komen had de staatssecretaris beter kunnen aansluiten bij bestaande mkb-uitzonderingen in de Wet Vpb 1969, zoals de € 750.000-drempel aan bovenmatige deelnemingsrente van artikel 13l of de € 1 miljoen mkb-rentedrempel van artikel 15ad.”

Losse eindjes

De overgangsmaatregel bevat de nodige losse eindjes. Zo speelt de vraag waarom het drempelbedrag geldt per twaalf maanden en niet per (boek)jaar. Onduidelijk is ook of het drempelbedrag per vennootschap van de fiscale eenheid geldt of voor de fiscale eenheid als geheel. Volgens Van Strien werkt het laatste geval complex uit. “Een drempelbedrag per vennootschap is niet alleen eenvoudiger te bepalen, maar ook rechtvaardiger. Als voor de spoedreparatiemaatregelen moet worden gedaan als ware er geen fiscale eenheid, dan is het ook logisch om per vennootschap een drempel te hanteren en niet voor de fiscale eenheid als geheel.”

Kritiek op tegenbewijsmogelijkheid

Van Strien is kritisch op de tegenbewijsmogelijkheid in de overgangsmaatregel, waarmee de inspecteur kan aantonen dat de schuld of de daarmee verband houdende rechtshandeling zijn opgezet vanuit onzakelijke overwegingen. “Aan de ene kant snap ik dat de staatssecretaris excessen wil bestrijden. Aan de andere kant heeft de fiscale eenheidpraktijk bestaande groepsschulden met dito rechtshandelingen nooit bewust als winstdrainagestructuren opgezet. De 10a-problematiek speelde immers niet binnen de fiscale eenheid. Enige coulance in de vorm van een toezegging van de staatssecretaris dat de Belastingdienst zéér terughoudend zal omgaan met deze tegenbewijsmogelijkheid is dan ook op z’n plaats.“

Het lijkt Van Strien ook redelijk om met de nodige welwillendheid te kijken naar het toepassen van één van de twee tegenbewijsregelingen door belastingplichtigen die niet vallen onder de overgangsmaatregel. “Volgens mij zou de tegenbewijsregeling van de zakelijke overwegingen opgenomen in artikel 10a, derde lid, onderdeel a ,Wet Vpb 1969 normaliter soelaas moeten bieden. Van belang is wel dat de Belastingdienst deze benadering ook deelt. Ook gelet op de belangen in het mkb, zullen namelijk maar weinig belastingplichtigen een gang naar de rechter zien zitten. Tegelijkertijd dient de uitvoering van de Wet in overeenstemming te blijven met het Europees recht.”

Belastingrente

De aangekondigde spoedreparatie zal voor een aantal fiscale eenheden leiden tot een hogere Vpb-heffing. Hier nu al op inspelen om de bijbehorende 8%-belastingrente te ontkomen, is echter schier onmogelijk. Het wetsvoorstel over de spoedreparatie is namelijk nog steeds niet ingediend. Op de aankondiging van 25 oktober 2017, 11.00 uur na weet de praktijk tot op de dag van vandaag niet exact wat de spoedreparatie behelst. Van Strien zou het uitermate ‘unfair’ vinden als de Belastingdienst extra belastingrente in rekening brengt aan fiscale eenheden. “Belasting wordt geheven krachtens wet. Dan mag je ook verwachten dat belastingrente wordt geheven krachtens wet. Aangezien voor de spoedreparatie het wetgevingstraject nog niet eens is gestart, is ook voor wat betreft de belastingrente coulance op z’n plaats.”

Extra budgettaire derving?

Tot slot heeft Van Strien nog een brandende vraag over de spoedreparatie. “Heeft de staatssecretaris al stilgestaan bij het risico van een extra budgettaire derving door werking van het tariefopstapje in de vennootschapsbelasting? Maximale voordeel van dit tariefopstapje is € 10.000 per vennootschap.” Volgens de staatssecretaris zijn er ongeveer 100.000 fiscale eenheden met in totaal circa 200.000 gevoegde dochtermaatschappijen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat de spoedreparatiemaatregelen in principe geen effect hebben op het aantal in te dienen aangiftes, het aantal aanslagen, enzovoort. Wel leiden de spoedreparatiemaatregelen ertoe dat meer transacties te beoordelen zijn, omdat een aantal regelingen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting moet worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid is.

Van Strien geeft aan dat de spoedreparatie daarom niet leidt tot een directe budgettaire derving, maar wel tot een indirecte derving als gevolg van gedragseffecten. “Dat straks voor bepaalde Vpb-bepalingen moet worden gedaan alsof de fiscale eenheid niet bestaat, wil nog niet zeggen dat dit de aangifteplicht van de fiscale eenheid als geheel doorbreekt. Maar als door de spoedreparatie het fiscale eenheidsregime nog maar beperkt voordeel oplevert, zullen veel belastingplichtigen met het oog op het tariefopstapje gaan ontvoegen. Ik vraag mij af of de staatssecretaris met deze verwachte gedragseffecten budgettair rekening houdt. De maximale derving bedraagt namelijk € 2 miljard! Dit is het geval als voor alle dochtermaatschappijen wordt gekozen voor ontvoeging uit de fiscale eenheid. Nu zal dat niet direct gebeuren, maar ik kan mij goed voorstellen dat veel belastingplichtigen het voordeel dat ze, ondanks de spoedreparatie, nog (kunnen) hebben van de fiscale eenheid gaan afwegen tegen het voordeel van een tariefopstap.”

(Bron: Taxlive)

Eisen voor verwerking persoonsgegevens zieke werknemers

Privacy is hot. Maar privacy voor de zieke werknemer is misschien nog wel hotter. En met de komst van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) per 25 mei a.s. krijgen werkgevers meer verplichtingen en werknemers meer rechten.

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hanteert op dit moment een strikt criterium voor de verwerking van persoonsgegevens van zieke werknemers. De verwachting is dat dit onder de AVG hetzelfde blijft, omdat daarvoor dezelfde regels gelden met betrekking tot het verwerken van gezondheidsgegevens. Onder die noemer vallen sommige gegevens van zieke werknemers.

wat mag een werkgever wel verwerken?

  1. Datum van ziekmelding
  2. Aard van de ziekte indien het noodzakelijk is dat collega’s hiervan op de hoogte zijn, bijvoorbeeld bij epilepsie en hoe te handelen bij een aanval
  3. Hoe vaak een werknemer ziek is
  4. Verblijf- of verpleegadres
  5. Of er iets moet gebeuren met lopende werkzaamheden/afspraken
  6. Of een werknemer onder de vangnetbepalingen van de Ziektewet valt, maar de werkgever mag niet vragen welke vangnetbepaling
  7. Als een werknemer langer dan twee maanden in dienst is: of hij/zij onder een no-riskpolis (in dat geval betaalt het UWV het salaris van de werknemer door) valt
  8. Of de ziekte het gevolg is van een arbeidsongeval of verkeersongeval

wat mag een werkgever niet verwerken?

  1. De aard van de ziekte (lees: wat heeft een werknemer en wat is de oorzaak daarvan, met uitzondering van een arbeids- of verkeersongeval)
  2. Het ziektepercentage, tenzij een werknemer door een bedrijfsarts is gezien. De bedrijfsarts stelt in dat geval namelijk de beperkingen vast, waaruit het ziektepercentage kan worden afgeleid. Het zelf invullen van het ziektepercentage op basis van informatie van de werknemer is dus niet toegestaan

In praktijk zien we toch vaak dat een werknemer aan de telefoon informatie over de aard van de ziekte aan zijn leidinggevende of een andere collega verstrekt. In dat geval mag u vanuit goed werkgeverschap hiernaar luisteren, maar u mag de details niet in uw systemen registreren. Wel mag u bijvoorbeeld vragen of u iets voor de werknemer kunt betekenen.

informatieverplichting

Naast de beperkingen op het gebied van welke persoonsgegevens u van zieke werknemers mag verwerken, stelt de AVG strenge eisen aan de informatieverplichting aan de natuurlijke personen (lees: werknemers in het algemeen).

U moet aan kunnen tonen dat u uw werknemers vóór de verwerking van hun persoonsgegevens (dus voor aanvang dienstverband) heeft geïnformeerd over welke persoonsgegevens u van uw werknemers verwerkt, met welk doel, aan wie u ze doorgeeft, wat de grondslag is, hoelang u de gegevens bewaart, welke beveiligingsmaatregelen bestaan, welke rechten de werknemers hebben onder de AVG en dat zij een klacht in kunnen dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens.

Dit geldt ook voor zieke werknemers, waarbij u het voorgaande kunt regelen met een privacystatement in uw personeelshandboek of in een ziektereglement.

De informatie over de verwerking van persoonsgegevens moet eenvoudig toegankelijk zijn en in duidelijke en eenvoudige taal zijn opgeschreven. De persoonsgegevens moet u op een transparante wijze verwerken.

register van verwerkingsactiviteiten

Een belangrijk nieuw beginsel van de AVG is het ‘accountability principe’. Dit houdt in dat iedere onderneming op ieder moment moet kunnen aantonen dat zij de verplichtingen uit de AVG naleeft.

Zo is het straks verplicht voor iedere onderneming met 250 of meer personen in dienst, om een register van verwerkingsactiviteiten bij te houden. Kleine ondernemingen (met minder dan 250 personen in dienst) moeten zo’n register alleen bijhouden als de verwerking van persoonsgegevens een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van diegene waarvan de persoonsgegevens worden verwerkt, de verwerking niet incidenteel is, of als bijzondere categorieën van persoonsgegevens (zoals ras, gezondheid of politieke opvattingen) worden verwerkt.

Een onderneming met personeel valt (bijna) altijd onder een niet-incidentele verwerking van persoonsgegevens. Dat betekent dat u – ook als u een (zieke) werknemer in dienst heeft – een register van verwerkingsactiviteiten moet aanleggen. Zo’n register moet bepaalde informatie (ook over de zieke werknemer) bevatten, zoals categorieën van persoonsgegevens, categorieën van betrokkenen (waaronder werknemers), verwerkingsdoeleinden, naam en contactgegevens, categorieën van ontvangers, bewaartermijnen en een beschrijving van beveiligingsmaatregelen.

Met dit register maakt u overigens ook inzichtelijk wat u over een zieke werknemer verwerkt en of u wellicht niet teveel gegevens aan het verwerken bent.

begin zo snel mogelijk!

De AVG komt eraan en de praktijk leert dat het in kaart brengen van uw systemen meer tijd vergt dan vooraf ingeschat. Ons advies is dan ook om zo snel mogelijk te beginnen, waarbij extra aandacht uit moet gaan naar gegevens in uw systeem over zieke werknemers. Want ook daar leert de ervaring dat je meer verwerkt dan je vooraf bedenkt!

(Bron: DVAN)

Sectorindeling vervalt per 1 januari 2020

Het bedrijfs- en beroepsleven wordt door de Belastingdienst ingedeeld in verschillende sectoren. De sectorindeling is (onder andere) van belang voor het vaststellen van de hoogte van de wachtgeldpremie WW en de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas.

Onder het credo ‘de vervuiler betaalt” wordt voor elke sector jaarlijks een individueel premiepercentage vastgesteld. Een werkgever in de sector ‘timmerindustrie’ kent voor het jaar 2018 bijvoorbeeld een lager premiepercentage dan een werkgever in de sector ‘taxi-vervoer’. Maken vele mensen in de timmerindustrie gebruik van de WW/Werkhervattingskas? Dan zal het premiepercentage voor deze sector in 2019 vermoedelijk stijgen.

Sectorindeling vervalt en wordt vervangen voor een nieuw systeem
Het sectoraal indelen van werknemers past volgens het kabinet niet bij de flexibilisering van de arbeidsmarkt. In het verlengde hiervan wordt in de nieuwe wet ‘Arbeidsmarkt in balans’ voorgesteld om de sectorale indeling van werkgevers te laten vervallen per 1 januari 2020. Ter vervanging stelt het kabinet voor om te differentiëren naar de aard van het contract. Voorgesteld wordt om werkgevers één hoge premie (voor flexibele contracten) en één lage premie (voor vaste contracten) te laten afdragen aan de WW-uitkeringen.

Controleer de sectorindeling en bespaar in de premieafdracht
Uitgangspunt van de sectorindeling is dat een werkgever wordt ingedeeld op basis van haar werkzaamheden en haar functie in het maatschappelijke verkeer. Doordat voor de indeling wordt aangesloten bij hetgeen bij inschrijving in de Kamer van Koophandel is opgegeven, is het goed mogelijk dat een werkgever onjuist is ingedeeld. Hierdoor kan het zijn dat een werkgever onterecht bij een sector een aangesloten en hierdoor (aanzienlijk) te veel premies betaald. De verschillen tussen de premiepercentages zijn namelijk enorm groot.

Praktijkvoorbeeld
Een tech-onderneming is ingedeeld in sector 55 ‘Overige takken van bedrijf en beroep”. Uit onderzoek blijkt dat de werkzaamheden en maatschappelijke functie van de onderneming aansluiten bij sector 44 ‘zakelijke dienstverlening’. De onderneming is derhalve aangesloten bij de onjuiste sector. Besloten wordt om bezwaar te maken tegen de sectorindeling. Herziening van de sectorindeling leidde in dit geval tot een voordeel voor de klant van ruim € 20.000.

Advies
Juist doordat de sectorindeling per 1 januari 2020 vermoedelijk gaat vervallen is het belangrijk om na te gaan of uw sectorindeling juist is.

(Bron: KroeseWevers)

Nieuwe kleineondernemersregeling voor de btw aangekondigd

Het ministerie van Financiën heeft een nieuwe btw-regeling voor kleine ondernemers aangekondigd. De beoogde ingangsdatum van de nieuwe kleineondernemersregeling, de omzetgerelateerde vrijstelling voor ondernemers van omzetbelasting (OVOB), is 1 januari 2020.

De OVOB      
De OVOB wordt een facultatieve regeling. De regeling staat voor iedere ondernemer open wiens omzet onder een nader vast te stellen omzetgrens blijft. Blijft u onder deze omzetgrens dan kunt u dus zelf kiezen of u gebruik wilt maken van de regeling. De omzetgrens zal tussen de € 5.000,– en € 85.000,– komen te liggen. Momenteel ligt de gemiddelde omzetgrens binnen de EU-lidstaten op ongeveer € 26.000,–.

Wanneer u opteert voor de OVOB mag u géén btw in rekening brengen. U krijgt als hoofdregel direct ontheffing voor de administratieve verplichtingen (geen facturen uitreiken, geen btw-aangifte). Daar staat tegenover dat u ook geen recht op aftrek krijgt voor de btw op uw kosten.

Let op! In de toelichting is aangekondigd dat de mogelijkheid om jaaraangifte te doen bij invoering van de OVOB komt te vervallen.

Voor wie van belang?
In tegenstelling tot de huidige regeling wordt voor de OVOB geen onderscheid meer gemaakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. De wijziging van de OVOB gaat spelen voor:

  • vof/maatschap/natuurlijk persoon die nu de kleineondernemersregeling (KOR) toepast;
  • ondernemer die 1 keer per jaar btw-aangifte doet;
  • bv, nv, vereniging, stichting en andere (rechts)personen met een omzet onder de (nader vast te stellen) omzetgrens;
  • particulieren die zonnepanelen aanschaffen (hiervoor komt een aparte regeling).

Let op! Als u nu de KOR toepast, wil dit niet zeggen dat u automatisch voldoet aan de nieuwe omzetgrens van de OVOB. Bij de huidige KOR wordt uitgegaan van een maximaal te betalen btw-bedrag (dus na aftrek van voorbelasting). Heeft een ondernemer met een hoge omzet ook hoge kosten waardoor de te betalen btw laag is óf veel laag belaste omzet (6%/0%) dan kan deze ondernemer nu de KOR toepassen, maar waarschijnlijk niet de OVOB. Voor deze ondernemers is de OVOB nadeliger dan de KOR. Dit geldt ook voor de ondernemers die door de KOR nu vermindering van de te betalen btw ontvangen. Onder de OVOB vindt geen vermindering plaats. Voor bv’s, verenigingen en stichtingen met een omzet onder de omzetdrempel is de OVOB voordelig.

(Bron: WVDB)

De preventiemedewerker: een verplichting voor elke organisatie

Met de wijziging van de arbowetgeving per 1 juli 2017 zijn de regels omtrent het aanstellen van een preventiemedewerker verder verscherpt. Het is voor elke organisatie verplicht om minimaal één preventiemedewerker aan te stellen. Heeft een organisatie minder dan 25 medewerkers in dienst, dan mag dit ook de ondernemer zelf zijn. Maar wat doet een preventiemedewerker en hoe stelt u deze als organisatie aan?

Wat is een preventiemedewerker?
De preventiemedewerker is een medewerker die zich bezighoudt met het arbobeleid binnen de organisatie. Hij of zij werkt actief aan het bevorderen van de veiligheid en gezondheid binnen de organisatie. Het voeren van een effectief arbobeleid vermindert allereerst de kans op bedrijfsongevallen. Tevens wordt het risico op (toekomstig) verzuim verminderd. Doordat medewerkers veilig en op een gezonde manier hun werk kunnen doen, wordt de kans verkleind dat zij vanwege fysieke of psychische klachten uit zullen vallen. Een preventiemedewerker vervult een coördinerende rol, maar draagt geen eindverantwoordelijkheid voor het arbobeleid. De eindverantwoordelijkheid ligt altijd bij de ondernemer zelf.

Taken preventiemedewerker
De belangrijkste taken van de preventiemedewerker zijn:

  • het opstellen en laten toetsen van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E);
  • het opstellen van en zorgen voor de uitvoering van het plan van aanpak op basis van de RI&E;
  • het adviseren van de werkgever (en OR/PVT) met betrekking tot arbeidsomstandigheden;
  • het fungeren als intermediair tussen de eigen organisatie en externe deskundigen;
  • het bewaken van de uitvoering van het vastgestelde beleid;
  • het fungeren als centraal meldpunt voor ongevallen en onveilige situaties;
  • het up-to-date houden en verspreiden van relevante informatie;
  • het fungeren als vraagbaak op het gebied van arbeidsomstandigheden.

Aanstellen preventiemedewerker
Het aanstellen van een preventiemedewerker gebeurt door middel van een addendum op de huidige arbeidsovereenkomst en kan pas in gang gezet worden na akkoord van de OR/PVT. In het addendum wordt vastgelegd welke taken de preventiemedewerker gaat vervullen, de bevoegdheden die de preventiemedewerker gaat krijgen, hoeveel uur hij of zij krijgt om de taken uit te voeren en hoe de deskundigheid op peil wordt gebracht en gehouden. De preventiemedewerker heeft ontslagbescherming voor de taken die worden uitgevoerd als preventiemedewerker.

(Bron: WVDB)