Uw ontbonden vennootschap toch niet opgehouden te bestaan?

Het is wettelijk geregeld dat een rechtspersoon blijft voortbestaan na ontbinding voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is. Indien de rechtspersoon op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer heeft, houdt zij vervolgens op te bestaan. Echter, de vennootschap kan herleven ingeval er nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of na ontbinding nog van het bestaan van een bate blijkt. Wat voor gevolgen brengt dit met zich mee?

Bij de ontbinding van een vennootschap dient een vereffenaar te worden aangewezen die zorg draagt voor het voldoen van lopende schulden van de vennootschap. Op het tijdstip waarop de vereffening eindigt, namelijk wanneer er volgens de vereffenaar geen bekende baten meer aanwezig zijn, houdt de vennootschap op te bestaan. Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond ten aanzien van de verjaring van rechtsvordering van of tegen de rechtspersoon. Om te voorkomen dat door verjaring de mogelijkheid om te verhalen verloren zou gaan, zal om deze reden de verjaringstermijn voortlopen totdat zes maanden zijn verstreken na herleving van de rechtspersoon.

Voorts kan een ontbonden vennootschap bestuurder zijn van een andere vennootschap, failliet worden verklaard of strafrechtelijk worden vervolgd, ingeval de strafvervolging is aangevangen voor het tijdstip van ontbinding. Daarnaast kunnen reeds lopende procedures, ongeacht de hoedanigheid van de vennootschap in de procedure, na ontbinding worden voortgezet. De Hoge Raad heeft hierover bepaald dat het niet meer bestaan van de vennootschap niet in de weg staat aan de voortzetting van een procedure jegens haar, mits de procedure is aangevangen voor het tijdstip van ontbinding van de vennootschap.

Het herleven van de vennootschap is uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Hiervoor is niet vereist dat de rechtspersoon opnieuw wordt ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Is de teruggevorderde of opgekomen bate uitgekeerd, dan houdt de vennootschap wederom op te bestaan.

(Bron: WVDB)

Dividend uitkeren voor 2020 of niet?

Dividenduitkering vóór belastingwijzigingen in 2020?

De tarieven in de vennootschapsbelasting worden in de komende jaren verlaagd, terwijl inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) zwaarder wordt belast. Intussen houdt het kabinet vast aan de afschaffing van de dividendbelasting per 1 januari 2020. Wat kunnen ondernemers die een dividenduitkering willen doen met het oog op de wijzigingen het beste doen en wanneer?

Dividend uitkeren voor 2020 of niet?

Het kabinet heeft in het Regeerakkoord 2017-2021 afspraken vastgelegd die onder meer moeten voorkomen dat Nederland als handig doorvoerland fungeert voor internationale concernstructuren die tot doel hebben belasting te ontduiken of ontwijken. In de afgelopen maanden is duidelijk geworden dat het kabinet vasthoudt aan de afschaffing van de dividendbelasting per 1 januari 2020.

Tegelijkertijd worden de tarieven in de vennootschapsbelasting vanaf 2019 geleidelijk verlaagd tot uiteindelijk 16% en 21% in 2021. Dit terwijl het tarief in box 2 van de inkomstenbelasting juist wordt verhoogd tot 27,3% in 2020 en uiteindelijk 28,5% in 2021. In hoeverre het tarief in box 3 zich in de komende jaren (on)gunstig ontwikkelt, hangt af van uw vermogenssamenstelling en de rendementsontwikkelingen in de markt.

Dividenduitkering voor 2020 verstandig?

Doen ondernemers er met het oog op de afschaffing van de dividendbelasting èn de wijzigingen in de tarieven van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting er nu verstandig aan om dividend uit te keren vóór het jaar 2020? Onder welke omstandigheden vormt het (vervroegd) uitkeren van dividend een goede keuze? En wanneer is dat niet het geval of loont het niet de moeite?

Bij het bepalen of het verstandig is om voor 2020 dividend uit te keren spelen een aantal factoren zeker of mogelijk een rol. Op deze factoren gaan we hieronder in.

Tariefwijzigingen

Waar de wijzigingen hiervoor vooral gericht zijn op het tegengaan van internationale belastingontduiking en -ontwijking, zouden enkele tariefaanpassingen in de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting vooral moeten zorgen voor een gelijke belasting van ondernemers ongeacht de rechtsvorm die zij hebben gekozen voor hun bedrijf. Hieronder gaan wij in op de tariefwijzigingen in achtereenvolgens de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, en de gevolgen.

a.       Tariefwijzigingen vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelastingtarieven worden vanaf 2019 stapsgewijs verlaagd. Het tarief in de eerste tariefschijf wordt verlaagd van 20% in 2018 naar uiteindelijk 16% in 2021. Het reguliere tarief gaat omlaag van 25% in 2018 tot uiteindelijk 21% in 2021.

Gevolgen van de tariefwijzigingen Vpb

Zolang uw bedrijfsvermogen in een bv zit is de tariefwijziging voordelig, omdat de vennootschapsbelasting de komende jaren daalt.

Omzetting naar een rechtsvorm die heffing via de inkomstenbelasting tot gevolg heeft lijkt hiermee minder aantrekkelijk te worden.

In het geval van dividenduitkering vanuit een persoonlijke holding gaat er vermogen over dat tot dan toe onder de vennootschapsbelasting viel. Na uitkering valt dit vermogen in privé en daarmee gelden de tarieven van heffing in box 2 van de inkomstenbelasting. Het tarief in box 2 stijgt de komende jaren. Meer over de wijzigingen in de inkomstenbelasting en de gevolgen daarvan vindt u hieronder.

Ontwikkeling tarieven vennootschapsbelasting

Kalenderjaar Eerste tariefschijf Regulier tarief
2018 20 % 25 %
2019 19 % 24 %
2020 17,5 % 22,5 %
2021 16 % 21 %

b.       Tariefwijzigingen inkomstenbelasting

Het tarief in Box 2 van de inkomstenbelasting gaat vanaf 2020 stapsgewijs omhoog naar 28,5%. In 2019 is het tarief nog 25%. Dat wordt al direct 27,3% in 2020 en 28,5% vanaf 2021.

Het tarief in Box 3 wordt variabel. Niet alleen wordt het percentage dat gehanteerd wordt bij het vaststellen van de door u verschuldigde vermogensrendementsheffing jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van de rente in de markt. Daarnaast speelt ook de aanname mee, dat uw vermogen voor zover dat boven een grensbedrag uitkomt grotendeels belegd wordt en zo een groter rendement opbrengt.

Ontwikkeling tarieven inkomstenbelasting

Kalenderjaar Tarief box 2 Fictief rendementen box 3
2018 25 % 2,017%; 4,326%; 5,38% *
2019 25 % Nog niet bekend
2020 27,3 % Nog niet bekend
2021 28,5 % Nog niet bekend

* Het berekende fictief gemiddeld rendement in schijf 1; schijf 2; schijf 3 zoals te vinden op de website van de Belastingdienst. De grensbedragen en percentages kunnen per kalenderjaar aangepast worden.

Gevolgen van de tariefwijzigingen IB

Als u in of na 2020 dividend uitkeert naar privé, dan betaalt u meer inkomstenbelasting over het uitgekeerde bedrag, dat in box 2 valt. Daarbij maakt het nog verschil of u in 2020 of in 2021 uitkeert.

Tegelijkertijd wordt het lastiger om lang van tevoren te bepalen welk bedrag u aan vermogensrendementsheffing in box 3 zult betalen, doordat per jaar verschil kan zitten in zowel de grensbedragen als het fictief rendement. Daardoor is het zelfs mogelijk dat u na consumptie van een deel van uw uitgekeerde dividend een hoger restbedrag overhoudt dan u optimaal vindt met het oog op de heffing in box 3.

Voorbeeldsituatie
Een ondernemer heeft in de jaren voor 2020 winsten behaald en keert vóór 2020 geen dividend uit vanuit de persoonlijke holding.
In deze situatie is niet alleen het oude, hogere Vpb-tarief betaald over de behaalde winsten. Als de ondernemer in of na 2020 alsnog besluit dividend uit te keren naar privé, dan geldt bovendien het nieuwe, hogere tarief in box 2 van de inkomstenbelasting.
Wordt het vermogen om wat voor reden dan ook vervolgens niet direct voor consumptie gebruikt, dan volgt op een later moment vermogensrendementsheffing in box 3.

Of belastingheffing in box 3 gunstiger of ongunstiger voor u is dan de combinatie van vpb-heffing plus heffing in box 2 over het werkelijke rendement hangt af van het verwachte rendement op uit te keren vermogen.

Heeft afschaffing dividendbelasting invloed?

Het wetsvoorstel tot afschaffing van de dividendbelasting wordt op Prinsjesdag 2018 ingediend. Tegelijkertijd met de afschaffing van de dividendbelasting per 1 januari 2020 wordt als onderdeel van de Aanpak van Belastingontduiking en -ontwijking een conditionele bronbelasting op dividend ingevoerd.

Over de afschaffing van de dividendbelasting en de eventuele gevolgen leest u meer in dit artikel.

Enkele mogelijkheden bij dividenduitkering

Wat kunt u het beste doen als het gaat om dividenduitkering? Los van specifieke details van uw situatie zijn er alvast een paar mogelijkheden.

  • Keert u momenteel jaarlijks een vast bedrag uit vanuit uw persoonlijke holding? Dan zou u ervoor kunnen kiezen om de dividenduitkering in 2019 te verhogen en om alvast dividend voor de komende jaren uit te keren. Voorwaarde is hierbij natuurlijk wel dat uw vennootschap in staat blijft om opeisbare verplichtingen te betalen. Op deze manier zou uw dividenduitkering nog onder het box-2 tarief van 25% vallen, terwijl de stapsgewijze daling van het tarief in de vennootschapsbelasting dan al is begonnen. Een andere mogelijkheid is om zowel in 2018 als 2019 uit te keren.
  • Keert u dividend uit naar privé en gebruikt u dit vermogen vervolgens niet direct voor consumptie, dan valt het bedrag in box 3 van de inkomstenbelasting. Mocht uw vermogen laag of negatief zijn, dan zijn de gevolgen mogelijk beperkt. Het is in ieder geval belangrijk om van tevoren na te gaan hoeveel u kunt uitkeren.
  • Hebt u een persoonlijke holding met een aanzienlijk bedrag aan beleggingsvermogen? Verwacht u over niet al te lange tijd een heffing als gevolg van schenking of vererving van de aandelen? Dan kunt u bijvoorbeeld in 2019 alvast afrekenen of een deel van het vermogen in de vorm van dividend uitkeren. U zou bijvoorbeeld een deel van de aandelen kunnen schenken. Na 2019 zult u in deze situatie meer inkomstenbelasting moeten betalen.

Uit de hiervoor genoemde punten wordt duidelijk, dat het verstandig is om jaarlijks voorafgaand aan dividenduitkering naar privé, het effect van uw acties op uw vermogen in box 3 door te rekenen. Dan komt u niet voor onaangename verrassingen te staan.

Van dividend naar agio: gevolgen

Besluit u het uitgekeerde dividend als agio in uw holding terug te storten, dan heeft dat een aantal gevolgen.

  1. Zo gaat de fiscale verkrijgingsprijs van uw aandelenbelang door deze agioreserve omhoog.
  2. Verder kan vermogen dat als agio is gestort niet eenvoudig onbelast uit de bv worden gehaald. Hier gelden voorwaarden als besluit AVA, statutenwijziging, omzetting van agio in kapitaal, en kapitaalvermindering (art. 4.13, lid 1, onderdeel b, Wet IB).
  3. Over het rendement van het ingebrachte vermogen ontstaat opnieuw een box 2-claim.

Het is dus nog maar de vraag, of deze handelwijze voor u gunstig uitvalt. Eenvoudig is ze zeker niet.

(Deloitte)

Nieuw in 2018: Jeugd lage-inkomensvoordeel voor werkgevers

Het jeugd lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV) is een regeling die is ingegaan op 1 januari 2018. Vanaf dit jaar kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen voor werknemers van 18 tot en met 21 jaar oud. Het jeugd-LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten voor werkgevers die jongeren in dienst hebben die het minimumjeugdloon verdienen. Deze tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon.

Wanneer heeft een werkgever recht op jeugd-LIV?

Een werkgever heeft recht op jeugd-LIV voor elke werknemer die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

  • De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen
  • De werknemer heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijk minimumjeugdloon voor zijn of haar leeftijd
  • De werknemer was op 31 januari 2017 18,19, 20 of 21 jaar oud.

Wat moet een werkgever doen om jeugd-LIV te krijgen?

De werkgever hoeft zelf geen verzoek in te dienen. Het UWV beoordeelt aan de hand van de polisadministratie of de werkgever recht heeft op de tegemoetkoming. Het is belangrijk dat het aantal verloonde uren correct is opgenomen in de aangifte loonheffingen. De werkgever loopt anders het risico een deel of geheel van het jeugd-LIV te missen.

Hoeveel bedraagt de tegemoetkoming jeugd-LIV?

Als de werkgever voor een werknemer recht heeft op de tegemoetkoming van het jeugd-LIV ontvangt hij van de Belastingdienst een bedrag per gewerkt uur. Het bedrag van de tegemoetkoming verschilt per leeftijd.

Leeftijd op 31-12-2017               Tegemoetkoming per uur           Maximum bedrag op jaarbasis
18                                             € 0,23                                       €    478,40
19                                             € 0,28                                       €    582,40
20                                             € 1,02                                       € 2.121,60
21                                             € 1,58                                       € 3.286,40

Wat is de peildatum voor de leeftijd?

De peildatum voor de leeftijd is 31 december van het vorige jaar. Als de werknemer op die datum 18, 19, 20 of 21 jaar oud is, heeft de werkgever recht op jeugd-LIV voor zover ook aan de andere voorwaarden is voldaan.

Gemiddeld uurloon

Het gemiddelde uurloon van een werknemer wordt vastgesteld door het SVW-jaarloon te delen door het aantal verloonde uren in het kalenderjaar. Er is sprake van een ondergrens en een bovengrens voor het recht op de tegemoetkoming. Is het gemiddelde uurloon lager dan de ondergrens of hoger dan de bovengrens, dan bestaat er geen recht op jeugd-LIV. In de loop van 2018 worden de definitieve grensbedragen voor de regeling door de Belastingdienst bekendgemaakt. De verwachting is dat dit in mei 2018 zal gebeuren.

Wanneer ontvangt de werkgever de tegemoetkoming?

Het vaststellen van de tegemoetkoming start in 2019. Het proces is gelijk aan het het LIV dat per 2017 is ingegaan. De werkgever ontvangt eerst een voorlopige berekening. Na controle hiervan ontvangt de werkgever de definitieve beschikking. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt binnen zes weken na de datum van de definitieve berekening door de Belastingdienst aan de werkgever uitbetaald.

(Bron: Mazars)

AOW-franchise en maximaal pensioengevend loon 2018 bekend

De AOW-franchise 2018 alsmede het maximaal pensioengevend salaris zijn door de overheid bekend gemaakt:

2017 was 2018 wordt
AOW-franchise middelloon € 13.123 € 13.344
AOW-franchise eindloon € 14.850 € 15.099
AOW-franchise middelloon DGA € 19.191 € 19.518
AOW-franchise eindloon DGA € 21.716 € 22.085
Maximaal pensioengevend salaris € 103.317 € 105.075 (voorlopig)

AOW-franchise middelloon 2018

In de meeste pensioenregelingen geldt voor de premie voor het ouderdomspensioen de AOW-franchise middelloon. Deze wordt in de praktijk door de verzekeraar per 1 januari 2018 automatisch aangepast. Voor het berekenen van de eigen bijdrage van de werknemers in de pensioenregeling dient u zich aan te sluiten bij de AOW-franchise die door de verzekeraar toegepast wordt.

DGA franchise

De (verhoogde) DGA franchise blijft ook na het afschaffen van pensioen eigen beheer van kracht voor DGA’s die extern (een gedeelte) van hun pensioen hebben verzekerd en de komende jaren niet kiezen voor afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting. Die DGA’s moeten bij extern eigen beheer met de verhoogde franchise rekening te houden.

(Bron: GT)

Vraag nú de btw op oninbare vorderingen terug

Sinds 2018 is het makkelijker om de btw op oninbare vorderingen (facturen) terug te vragen. Maar wanneer kunt u deze btw terugvragen als het duidelijk is dat uw klant de factuur niet meer betaalt? De btw is in ieder geval terug te vragen één jaar nadat de factuur opeisbaar is geworden als de factuur op dat moment nóg niet is betaald. Het oninbare btw-bedrag mag gewoon in de reguliere btw-aangifte worden meegenomen.

In welke btw-aangifte moet u de btw terugvragen?

Heeft u vorderingen met een uiterste betaaldatum vóór 1 januari 2017, en heeft uw klant deze nog steeds niet betaald, dan worden de vorderingen op 1 januari 2018 aangemerkt als oninbaar. De btw over deze oninbare vorderingen moet u terugvragen in uw eerste btw-aangifte van 2018. Ligt de uiterste betaaldatum van een vordering ná 1 januari 2017, dan kunt u de btw over deze vordering terugvragen in de btw-aangifte over het tijdvak waarin duidelijk is dat uw klant niet meer zal betalen. U kunt de btw in ieder geval terugvragen uiterlijk één jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur.

Ben in elk btw-tijdvak alert op oninbare vorderingen!

In elk aangiftetijdvak moet u beoordelen of u de btw kunt terugvragen of juist moet afdragen ten aanzien van oninbare vorderingen.

U als leverancier

Wanneer u een factuur verstuurt aan uw klanten, dan moet in het betreffende tijdvak de btw afdragen ook al is de factuur nog niet betaald. Wanneer uw klant niet (tijdig) betaald dan kunt u de btw terugvragen zodra het zeker is dat de vordering oninbaar is geworden. Doet u dit niet, dan is deze btw op een later moment in beginsel niet meer terug te vragen. Let op: Als uw klant een oninbare vordering later alsnog (deels) voldoet, dan moet u de btw weer terugbetalen aan de Belastingdienst.

U als klant

Als u al meer dan één jaar geleden een factuur niet heeft betaald, dan moet u de eerder afgetrokken btw weer terugbetalen aan de Belastingdienst.

(Bron: Koenen en Co)

Fiscale wijzigingen 2018: wat is er voor u veranderd?

Op 19 december 2017 is onder andere het Belastingplan 2018, de wet Overige fiscale maatregelen 2018 en de Wet Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld aangenomen door de Eerste Kamer. In dit artikel treft u een inhoudelijke toelichting aan op een aantal relevante fiscale wijzigingen.

Verval tijdklemmen Brede Herwaardering kapitaalverzekering in wet opgenomen

Met ingang van 1 april 2017 zijn de tijdklemmen (de verplichting om gedurende 15 dan wel 20 jaar jaarlijks in te leggen) voor kapitaalverzekeringen eigen woning, spaarrekeningen eigen woning en beleggingsrechten eigen woning vervallen. Dit gold niet voor Brede Herwaardering kapitaalverzekeringen. In het besluit van 15 mei 2017 heeft de Staatssecretaris van Financiën aangegeven dat de tijdklemmen ook voor Brede Herwaardering kapitaalverzekeringen zijn vervallen met terugwerkende kracht naar 1 april 2017.

Met de wet Overige fiscale maatregelen 2018 heeft het vervallen van de tijdklemmen voor Brede Herwaardering kapitaalverzekeringen een wettelijke basis gekregen. Deze maatregel kent eveneens terugwerkende kracht tot 1 april 2017.

Verval inkeerregeling voor buitenlands inkomen uit sparen en beleggen

De inkeerregeling, waardoor belastingontduikers een lagere boete krijgen bij vrijwillige melding, vervalt per 1 januari 2018 voor inkomen uit sparen en beleggen (box 3 inkomen) dat in het buitenland is opgekomen.

Als de Belastingdienst verzwegen inkomsten of vermogen op het spoor komt, is de belasting alsnog verschuldigd en kan de Belastingdienst een boete opleggen. Deze boete is een percentage van de nagevorderde belasting. De hoogte van de boete is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.

Boete bij verzwijgen van inkomen en/of vermogen

Box 1 of 2 of erfenis Box 3
Grove schuld 25% 75%
Opzet 50% 150%
Ernstige fraude of recidive 100% 300%

Er kunnen strafverzwarende en straf verminderende factoren zijn waardoor het percentage hoger of lager is.

De inkeerregeling

Als het verzwegen inkomen of vermogen vrijwillig wordt aangegeven, volgt geen strafvervolging en wijzigt het boetepercentage. Het gebruik van deze zogeheten ‘inkeerregeling’ is uitsluitend mogelijk indien de fiscus het verzwegen inkomen of vermogen nog niet ontdekt heeft. Bij vrijwillige verbetering van de aangifte binnen twee jaar is geen boete verschuldigd. Is de tweejaarsperiode al verstreken dan kan de boete gematigd worden. De boete bedraagt dan 40% van de boete die verschuldigd is zonder inkeerregeling.

Eerder aangenomen wetgeving die in 2018 ingaat

Pensioenrichtleeftijd 68 jaar

Sinds 1 januari 2014 is de zogenoemde pensioenrichtleeftijd wettelijk gekoppeld aan de levensverwachting. De pensioenrichtleeftijd is een (reken)leeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fiscale opbouw van pensioen via de werkgever. Op grond van de wet is de verhoging van de pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geraamde levensverwachting. Op 31 oktober 2016 heeft het CBS dit cijfer voor het jaar 2028 gepubliceerd. Dit geeft aanleiding om de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 te verhogen van 67 jaar naar 68 jaar.

Als gevolg van de verhoging van de AOW- en pensioenrichtleeftijd kan een groter inkomenstekort (pensioengat) ontstaan omdat het van het verschil tussen de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenleeftijd toeneemt.

De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft alleen invloed op de vanaf 1 januari 2018 op te bouwen pensioenaanspraken.

In lijn met de aanpassing van de fiscale opbouwruimte voor pensioen in de werkgever-werknemersfeer worden ook de fiscaal maximale opbouwruimte voor lijfrenteproducten en het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve aangepast.

Verschil AOW- en pensioenleeftijd

Jaar AOW leeftijd Pensioenleeftijd Verschil (maximaal)
2017 65 jaar en 9 maanden 67 jaar 15 maanden
2018 66 jaar 68 jaar 24 maanden

Aanpassing lijfrentepremieaftrek en OR-dotatie

Als gevolg van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd wijzigt ook de maximale lijfrentepremieaftrek en dotatie aan de oudedagsreserve per 1 januari 2018.

Lijfrentepremieaftrek

Bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar,wordt het premiepercentage voor de bepaling van de jaarruimte voor een lijfrente verlaagd met 0,5%-punt. In 2018 wijzigt het premiepercentage van 13,8% naar 13,3%. Bij de bepaling van de jaarruimte speelt ook de jaarlijkse pensioenaangroei (factor A) een rol. Net als het premiepercentage wordt ook de vermenigvuldigingfactor van de jaarlijkse pensioenaangroei verlaagd als gevolg van een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar. In 2018 wijzigt de vermenigvuldigingsfactor van 6,5 naar 6,27. De verlaging voorkomt dat het in de tweede pijler opgebouwde pensioen via de imputatieregeling (6,27 x factor A) sterker zou doorwerken in de bepaling van de jaarruimte dan vóór de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd het geval is.

Jaarruimte 2017: 13,8% x premiegrondslag – (6,5 x factor A) -/- F
Jaarruimte 2018: 13,3% x premiegrondslag – (6,27 x factor A) -/- F

F = de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar verminderd met de afname van de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar.

Voorbeeld

Bij een premiegrondslag van € 62.000 en een jaarlijkse pensioenopbouw van € 732 bedraagt de lijfrentepremieaftrek:
2017: 13,8% x € 62.000 = € 8.556 – € 4.758 (6,5 x € 732) = € 3.798
2018: 13,3% x € 62.000 = € 8.246 – € 4.590 (6,27 x € 732) = € 3.656

Oudedagsreserve

Bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, wordt het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve verlaagd met 0,36%-punt. Het dotatiepercentage van de winst voor de fiscale oudedagsreserve wordt daarom met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 9,8% naar 9,44%.

2017: OR-dotatie 9,80%
2018: OR-dotatie 9,44%

Sinds 2014 is de pensioenrichtleeftijd (= de rekenleeftijd voor maximale 2e pijler pensioenopbouw) gekoppeld aan de levensverwachting. Omdat de maximale opbouw van lijfrente en oudedagsreserve is gekoppeld aan de fiscale opbouwruimte voor het 2e pijler pensioen wijzigt de lijfrentepremieaftrek en de OR-dotatie ook per 1 januari 2018.

LTV naar 100%

Een geldverstrekker moet bij de bepaling van de maximale hypotheek (naast de eigen verstrekkingsnormen) rekening houden met twee grenzen. De laagste van deze twee grenzen bepaalt de maximale hypotheek:

  • Inkomensnormen (Loan-To-Income, LTI)
  • Marktwaarde van de woning (Loan-To-Value, LTV)

De LTV-ratio daalt naar 100%. Er zijn wel mogelijkheden om af te wijken van de LTV-ratio bij de financiering van noodzakelijke woningverbetering. Hierbij kan gedacht worden aan het herstellen van funderingen, dakconstructies, verzakkingen van gevels et cetera. Het gaat dus niet om de financiering van een nieuwe keuken of badkamer. De afwijking is slechts mogelijk als de verhouding tussen de hoogte van het totale hypothecair krediet en de waarde van de woning (= LTV-ratio) daalt door het treffen van de desbetreffende voorzieningen.

Afschaffing renteaftrek restschuldfinanciering

Met ingang van 1 januari 2018 is de restschuldregeling vervallen. De wetgever introduceerde de restschuldregeling in 2012 als tijdelijke crisisregeling. Wie na verkoop van zijn woning nog een restschuld heeft, mag de rente hierover nog maximaal vijftien jaar fiscaal aftrekken. Het doel van de restschuldregeling is doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. In antwoord op Kamervragen geeft de staatssecretaris aan dat hij geen aanleiding ziet de restschuldregeling te verlengen. Het aantal transacties op de woningmarkt is fors gestegen. Ook de woningprijzen nemen weer toe.

Wie na 2017 zijn woning verkoopt en met een restschuld achterblijft, heeft in zoverre een schuld in box 3. De rente is dan niet meer aftrekbaar, maar de lening zelf verlaagt de grondslag voor de vermogensrendementsheffing in box 3. Dat hoéft overigens niet onvoordeliger te zijn. De box 3-heffing kan behoorlijk zwaar wegen.

De Successiewet 1956 kent de schenkingsvrijstelling van € 100.800 (in 2018) in verband met de eigen woning. Deze vrijstelling is van toepassing als iemand een schenking doet waarmee de verkrijger zijn eigenwoningschuld geheel of gedeeltelijk aflost. Een restschuld in box 1 óf box 3 valt hier ook onder.
Met de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) of beleggingsrecht eigen woning (BEW) moet de gerechtigde tot de uitkering een eigenwoningschuld aflossen. Hieronder mag ook een restschuld in box 1 óf box 3 worden verstaan.

Voor ‘nieuwe’ restschulden geldt dat deze niet langer in box 1 vallen. Voor per 31 december 2017 bestaande restschulden in box 1 geldt dat deze in box 1 blijven vallen, met het geldende maximum van vijftien jaar. De laatste restschuld in box 1 verhuist dus pas per 2033 naar box 3.

Aftrekbeperking hypotheekrenteaftrek naar maximaal 49,5%

De aftrekbare kosten voor een eigen woning worden niet tegen het toptarief van de 4e belastingschijf (in 2018: 51,95%) in aanmerking worden genomen, maar tegen een lager tarief. In 2018 is het percentage waartegen aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen maximaal 49,5%. Het gaat om alle aftrekbare kosten voor de eigen woning. Dus niet alleen de eigenwoningrente maar ook bijvoorbeeld erfpachtcanons of de nota van de adviseur voor hypotheekbemiddeling.

(Bron: NN)

Lijfrentepremie in aftrek op premie Zvw?

e adviseur van de Hoge Raad vindt het onjuist dat betaalde lijfrentepremies niet in mindering komen op de verschuldigde premie voor de Zvw. Hierdoor worden zelfstandigen bij hun pensioenopbouw achtergesteld bij werknemers.

Rechter moet ingrijpen
De adviseur vindt dan ook dat de rechter in moet grijpen. In een zaak die nu ter beoordeling voorligt bij de Hoge Raad gaat het om de vraag of door een zelfstandige ondernemer betaalde lijfrentepremies aftrekbaar moeten zijn voor de Zvw-grondslag. Volgens de wet is aftrek nu niet mogelijk.

Rechtsongelijkheid
Omdat pensioenpremies van werknemers wel de af te dragen premie voor de Zvw verminderen, ontstaat er rechtsongelijkheid tussen werknemers en zelfstandige ondernemers.

Dubbele heffing
Omdat betaalde lijfrentepremies de te betalen Zvw-premie niet verminderen, ontstaat ook dubbele heffing. Als de lijfrente te zijner tijd tot uitkering komt, moet over deze uitkeringen namelijk wel premie Zvw worden betaald.

Uitspraak Hoge Raad
Het wachten is nu op de uitspraak van de Hoge Raad. Die volgt in de meeste gevallen het advies van hun adviseur, maar niet altijd.

(Bron: Schipper Groep)

Aanslag erf- en schenkbelasting? Tijdelijk geen belastingrente

De Belastingdienst worstelt met problemen bij het opleggen van aanslagen erf- en schenkbelasting. Dit komt na invoering van een nieuw automatiseringssysteem. De problemen leveren een voordeel op voor de betreffende belastingplichtigen.

Geen belastingrente

Bij aanslagen erfbelasting van overlijdens vanaf 1 januari 2017 wordt vanwege deze problemen voorlopig geen belastingrente in rekening gebracht, zo schrijft staatssecretaris Snel van het ministerie van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer. De maatregel geldt volgens de staatssecretaris ‘zo lang als nodig is’.

Aanslagen vertraagd opgelegd

Het opleggen van aanslagen erfbelasting is ook vertraagd. Dit geldt ook voor aanslagen schenkbelasting over schenkingen uit 2017. Wanneer u deze aanslagen krijgt, hangt af van de vraag of u al dan niet om een vrijstelling eigen woning heeft gevraagd. Voor woningen bestaat namelijk onder voorwaarden een extra vrijstelling van €100.000 in de schenkbelasting. Heeft u om een dergelijke vrijstelling gevraagd, dan krijgt u een definitieve aanslag uiterlijk in 2021. Heeft u niet om de vrijstelling gevraagd, dan krijgt u de definitieve aanslag eind 2019.

U krijgt eerst een voorlopige aanslag schenkbelasting, waarin is uitgegaan van de eigen aangifte.

Online aangifte

De vertraging inzake de schenkbelasting is onder meer veroorzaakt doordat tegenwoordig online aangifte kan worden gedaan. Ook hierbij zijn automatiseringsproblemen opgedoken.

(Bron: Schipper Groep)

Woning door logeerpartijen van neef geen eigen woning meer

X was als diplomaat verbonden aan het ministerie van Economische Zaken. In november 2009 werd hij gestationeerd op een Nederlandse ambassade in het buitenland. Zijn echtgenote ging mee, maar hun twee dochters bleven in de eigen woning in Nederland wonen. Sinds 26 augustus 2009 stond ook een neef van X in verband met zijn studie ingeschreven op het adres van deze woning. De inspecteur merkte de woning voor de jaren 2010, 2011 en 2012 niet meer aan als eigen woning van X. Hij legde navorderingsaanslagen IB op waarbij hij de eigenwoningrente corrigeerde en de woning in aanmerking nam in box III. Hof Den Bosch het met Rechtbank Zeeland-West-Brabant en de inspecteur eens dat het gebruik van de woning door de neef kwalificeerde als de terbeschikkingstelling van de woning aan een derde in de zin van artikel 3.111, lid 6, onderdeel a, Wet IB omdat (1) de neef als een derde moest worden aangemerkt en (2) sprake was van een situatie waarin werd gedoogd dat die derde (een deel van) de woning gebruikte. Hieraan deed niet af dat (a) de neef ook al voor de uitzending van X en zijn echtgenote gebruik maakte van de woning, dat (b) voor het gebruik van de woning door de neef geen vergoeding was gevraagd en (c) X en zijn echtgenote ook zelf gebruik konden maken van de woning als zij tijdelijk in Nederland verbleven. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond, hoezeer hij begreep dat X (financieel) zwaar werd getroffen doordat de verleende familiegunst tot gevolg had dat de woning niet meer als eigen woning kwalificeerde.

(Bron: FUTD)

Overgangsperiode Brexit afgesproken voor btw en douane tot eind 2020

23 maart 2018 – Met nog ongeveer een jaar te gaan voordat het Verenigd Koninkrijk uit de EU zal stappen, hebben de Brexit-onderhandelaars op 19 maart 2018 een belangrijke stap gezet op het gebied van de btw en douane. Zo is overeengekomen dat voor indirecte belastingen een overgangsperiode zal gelden tot 31 december 2020.

Hoe wordt de overgangsperiode vormgegeven?

Ondanks dat het Verenigd Koninkrijk eind maart 2019 uit de EU stapt, zal handel op het gebied van douane en btw zonder belemmeringen kunnen plaatsvinden. Het land blijft namelijk tot 1 januari 2021 deel uitmaken van de douane-unie en de interne markt van de EU.

De Brexit wordt niet uitgesteld

De overgangsperiode geldt niet voor alle onderwerpen. Zo zal het Verenigd Koninkrijk vanaf 30 maart 2019 geen stem meer hebben in Europa, omdat het vanaf dat moment geen lidstaat meer is. Het land behoudt echter wel de voordelen van de interne markt en douane-unie, inclusief alle daarvoor geldende regelgeving.

Doel van de overgangsperiode

In feite – zo wordt ook door de EU-handelaar in het persbericht bevestigd – is de overgangsperiode bedoeld om het bedrijfsleven (en de betreffende autoriteiten) meer tijd te gunnen om zich voor te bereiden. Ondanks dat de exacte gevolgen van de Brexit na de overgangsperiode nog niet duidelijk zijn, kunt u zich al wel voorbereiden.

Enkele aanbevelingen vanuit de Nederlandse overheid:

  • Voer een Brexit-impact analyse uit om de gevolgen voor uw onderneming in kaart te brengen
  • Overweeg bij handel in grote volumes met het Verenigd Koninkrijk een eigen douane aangifteproces
  • Overweeg het gebruik van Geautomatiseerde Periodieke Aangifte (GPA) in combinatie met een Customs Management Systeem (CMS) voor een geautomatiseerd aangifteproces
  • Overweeg de aanvraag van een AEO-vergunning bij de douane om vertragingen te minimaliseren en fysieke controles en documentcontroles bij de grens te voorkomen

(Bron: Mazars)