Voorkom dat de vakantietoeslag een blok aan uw been wordt

Meer dan de helft van de mkb-ondernemers heeft door uitbetaling van de vakantietoeslag wel eens problemen gehad met de betaling van toeleveranciers of vast lasten. Uit onderzoek van Markteffect in opdracht van Please Payroll blijkt bovendien dat een meerderheid van de ondernemers wel eens een beroep op de bank heeft moeten doen om de personeelskosten te kunnen betalen. Wat zijn de regels rond de vakantietoeslag en hoe voorkomt u dat dit een blok aan uw been wordt?
Vakantietoeslag

De vakantietoeslag of -bijslag is iets anders dan vakantiegeld. Het eerste is de jaarlijkse uitbetaling van de opgebouwde reservering over het brutoloon van uw werknemers. Die bouwen deze toeslag op over de periode van juni tot en met mei. Vakantiegeld is het loon dat uw onderneming doorbetaalt wanneer een werknemer een vakantiedag opneemt.

In principe bedraagt de vakantietoeslag 8 procent van het bruto jaarloon. Uitbetalingen die niet direct betrekking hebben op het reguliere dienstverband vallen buiten beschouwing bij het berekenen van de vakantietoeslag. Denk hierbij aan betaald overwerk, winstuitkering en onkostenvergoedingen. Prestatietoeslagen, provisies en onregelmatigheidstoeslagen tellen weer wel mee,
net als uitbetaalde (bovenwettelijke) vakantiedagen

 

Verplicht

De vakantietoeslag is verplicht en bedraagt dus minimaal 8 procent van het brutoloon. Daarop geldt één uitzondering: wanneer een werknemer meer dan drie keer het minimumloon verdient, mag u over het bedrag boven drie keer het minimumloon minder of geen vakantietoeslag berekenen, mits dat schriftelijk is vastgelegd. Ook kan het zijn dat er andere regels in een bindende cao zijn
vastgelegd.

 

Maandelijks of één keer per jaar?

Iedere werknemer bouwt maandelijks vakantiebijslag op. Meestal keert u dat bedrag één keer per jaar uit, in mei of uiterlijk in juni. U mag met uw werknemers afspreken van die datum af te wijken maar daarvoor heeft u schriftelijke toestemming nodig. U kunt ook met uw werknemers afspreken om de vakantiebijslag in termijnen uit te keren. Let in dat laatste geval wel op dat u
het bedrag van de vakantietoeslag duidelijk apart vermeldt op de loonstrook. Zo kan de medewerker niet alsnog achteraf aanspraak maken op zijn vakantiegeld.

Werknemers kunnen ook vragen om de vakantietoeslag eerder te ontvangen, bijvoorbeeld om een schuld op tijd af te lossen of een grote uitgave te kunnen doen. Het staat u vrij om de toeslag dan eerder uit te keren maar u bent het niet verplicht.

In het geval van uitzendwerk of vakantiewerk, mag u het vakantiegeld maandelijks uitkeren bij het reguliere loon.

 

Belasting en premies

Bij de uitbetaling van de vakantiebijslag moet u loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en afdragen. Het gaat dan om loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarvoor u de witte tabel moet toepassen. Betaalt u de vakantiebijslag jaarlijks, dan moet u de tabel voor bijzondere beloningen gebruiken. Daarnaast is uw onderneming een werkgeversheffing voor de
Zorgverzekeringswet en de premies werknemersverzekeringen verschuldigd.

 

Uitbetaling bij ontslag

Aan het einde van een dienstverband bent u verplicht het nog openstaande deel van de vakantiebijslag uit te keren.  Stel dat u de vakantietoeslag ieder jaar in mei betaalt en het contract van een werknemer loopt op 1 januari af, dan betaalt u bij het laatste loon de tot dan toe opgebouwde vakantietoeslag. Dat betekent dus een vakantiebijslag over de periode van 1 juni tot 1 januari (ervan
uitgaande dat de ex-werknemer minstens vóór of op 1 juni in dienst is getreden). Bij zijn nieuwe werkgever begint de opbouw van vakantiegeld vanaf de maand januari.

 

Koppelen aan prestaties

U mag de hoogte van de vakantietoeslag overigens koppelen aan prestaties van de werknemers. Voorwaarde is dan wel dat u sowieso minimaal 8 procent vakantietoeslag betaalt. Maar u kunt met uw werknemers afspreken dat degenen die weinig tot niet ziek zijn geweest over het gehele jaar of een bepaalde target hebben behaald, 10 procent vakantiegeld krijgen in plaats van 8 procent.

 

Vakantietoeslag en ziekte

Zolang een werknemer recht heeft op salaris, heeft hij ook recht op de bijbehorende vakantietoeslag. Dus ook aan werknemers die in de ziektewet zitten moet u de vakantiebijslag uitkeren.

 

Te laat?

Een slecht jaar kan zorgen voor liquiditeitsproblemen. De verplichte vakantietoeslag kan dat een behoorlijke strop zijn. Het is dus verstandig om iedere maand de verplichte 8 procent per medewerker te reserveren voor in mei of juni. Mocht u het niet voor elkaar krijgen om de toeslag uiterlijk in juni uit te keren, realiseert u zich dan dan werknemers in dat geval een verhoging van de
toeslag kunnen eisen van maximaal 50 procent. Desnoods via de rechter.

(Bron: De Zaak)

Studiekostenbeding kan werkgever duur komen te staan

Werkgevers investeren vaak in werknemers op het gebied van kennis en vaardigheden. De werkgevers die dat doen willen werknemers uiteraard aan zich kunnen binden, hoewel de werknemer in beginsel is vrij om zijn kennis, ervaring en vaardigheden mee te nemen. De werkgever kan met de werknemer een opleidingskostenbeding overeenkomen, maar hoe zat het ook al weer met de vereisten waaraan een dergelijk beding moet voldoen, wil een werkgever daar met succes een beroep op kunnen doen?

Wat is een studiekostenbeding?
Een opleidings- of studiekostenbeding is een beding waarbij de werkgever en de werknemer overeenkomen dat de werknemer (meestal) bij het einde van de arbeidsovereenkomst studiekosten aan de werkgever terugbetaalt. Vaak verplicht de werknemer zich om alleen onder bepaalde voorwaarden terug te betalen, bijvoorbeeld wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt (al dan niet binnen een bepaalde periode na het afronden van de opleiding), wanneer de werknemer de werkgever een dringende reden voor het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst heeft gegeven, of wanneer de werknemer de opleiding niet met goed gevolg afsluit. De omvang van de terugbetalingsplicht varieert, van studiekosten ‘in enge zin’ zoals studiemateriaal, inschrijf- en examenkosten tot ‘alle’ studiekosten, waaronder loon voor de periode waarin de opleiding is genoten en de werkzaamheden niet zijn verricht.

Wettelijk kader
Wettelijke regels – los van het algemeen verbintenissenrecht- zijn niet van toepassing op het studiekostenbeding en partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen wat zij willen. In de praktijk blijkt dat rechters in het kader van ‘goed werkgeverschap’ of de ‘redelijk en billijkheid’ veelal de bedingen matigen of tenietdoen. In een klassiek arrest heeft de Hoge Raad voorwaarden gesteld waaraan het studiekostenbeding zou moeten voldoen.

Voorwaarden studiekostenbeding
De Hoge Raad heeft in het arrest Muller Zeesleepdienst/Van namelijk bepaald dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen bedingen die de werknemer verplichten alle studiekosten terug te betalen. De Hoge Raad stelt wel voorwaarden, zowel voorwaarden aan het beding zelf als bijkomende voorwaarden. Die voorwaarden zijn:

1. De werkgever geeft aan gedurende welke periode hij verwacht baat te hebben van de door de opleiding opgedane kennis en vaardigheden;
2. Met een werknemer moet uitdrukkelijk worden overeengekomen gedurende welke periode en onder welke omstandigheden hij is gehouden tot terugbetaling van studiekosten;
3. De gevolgen van het beding moeten voor de werknemer helder zijn. Er dient derhalve te worden omschreven welke kosten van de werknemer zullen worden teruggevorderd;
4. De terugbetalingsverplichting moet tijdens de vastgestelde periode evenredig afnemen (een glijdende schaal);
5. Het initiatief voor ontslag ligt niet bij de werkgever.

Daarnaast is het van belang een studiekostenbeding altijd helder te formuleren. Eventuele onduidelijkheden in de bewoording van een studiekostenbeding worden veelal aan de maker van het beding (de werkgever) tegengeworpen. De Hoge Raad begrenst het studiekostenbeding verder door nog een aantal randvoorwaarden te stellen (zoals bijvoorbeeld het feit dat bijzondere wettelijke regels grenzen kunnen stellen aan hetgeen partijen overeen komen).

Conclusie
Het is dus niet zo eenvoudig om als werkgever de gemaakte studiekosten terug te vorderen. Bij het opstellen van een opleidings- of studiekostenbeding is zorgvuldigheid geboden en er dient aan de voorwaarden uit Muller/Van Opzeeland worden voldaan. Vooral aan de periode waarbinnen de werknemer studiekosten moet terugbetalen en aan de duidelijke formulering van het beding dient aandacht te worden geschonken. Als de werknemer niet weet waartoe hij zich verplicht, zal een vordering tot terugbetaling snel stranden. Het verdient dan ook de voorkeur per opleiding een op maat gesneden studiekostenbeding overeen te komen.

(Bron: Pellicaan)

Termijn betaling partneralimentatie

Verlenging of verkorting van de termijn waarbinnen een alimentatieplichtige aan
een alimentatiegerechtigde partneralimentatie dient te betalen, houdt de
rechtspraak al jaren bezig. Op de omvangrijke jurisprudentie zal hier niet
worden ingegaan. Nieuw is echter dat de duur van de alimentatietermijn ook de
gemoederen binnen de politiek (opnieuw) bezig houdt. Nadat de termijn per 1
juli 1994 al werd gewijzigd van levenslang naar (in principe) maximaal twaalf
jaar, zijn er momenteel wetsvoorstellen aanhangig om de termijn opnieuw te
verkorten. Wanneer en of er een nieuwe wet wordt aangenomen en of er een
overgangsregeling zal zijn, is (nog) niet bekend. Iedereen lijkt het er echter
mee eens te zijn dat de huidige maximale duur van twaalf jaar
partneralimentatie ingekort moet worden. In dit artikel wordt kort ingegaan op
de huidige regeling.

De wet bepaalt dat de rechter op verzoek van de echtgenoot die niet voldoende
inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan
verwerven, ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud
kan toekennen. De rechter kan deze uitkering toekennen onder vaststelling van
voorwaarden en een termijn. Deze termijn is in principe gemaximeerd op twaalf
jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de
burgerlijke stand. Een rechter kán dan ook al op grond van de huidige wetgeving
een kortere termijn dan twaalf jaar toekennen. Dit gebeurt echter nauwelijks.

Indien de rechter géén termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting
alimentatie te betalen in principe van rechtswege na een periode van twaalf
jaar. Het is dan ook van belang om, indien er partneralimentatie dient te worden
voldaan, snel afspraken over de ingangsdatum te maken. Helaas komt het
regelmatig voor dat partijen al lange tijd feitelijk uiteen zijn en de
alimentatieplichtige gedurende deze periode al partneralimentatie betaalt. Deze
periode telt echter niet mee voor de termijn van twaalf jaar!

Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit
huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud
van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van
het huwelijk. In sommige gevallen wordt, in geval van een kinderloos huwelijk
dat langer dan vijf jaar heeft geduurd, toch aangesloten bij de duur van het
huwelijk. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Van belang is
bijvoorbeeld of de ex-echtgenoot in alle redelijkheid een inkomen heeft kunnen
verwerven, rekening houdend met de leeftijd, het opleidingsniveau en de stand
van de banenmarkt.

Een verplichting van een gewezen echtgenoot om partneralimentatie te betalen,
eindigt ook wanneer de alimentatiegerechtigde opnieuw in het huwelijk treedt,
een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel is gaan samenleven met een ander
als waren zij gehuwd. De bewijslast hiertoe ligt bij de alimentatieplichtige.
Opgemerkt wordt dat het vaak bijzonder lastig is aan te tonen dat iemand
samenwoont.

De vaststelling van partneralimentatie is een momentopname. De hoogte van de
partneralimentatie hangt weliswaar af van de (huwelijksgerelateerde) behoefte
van de alimentatiegerechtigde, en staat dus vast, maar ook van de draagkracht
van de alimentatieplichtige. De behoefte wordt bepaald aan de hand van de
inkomsten en uitgaven gedurende de laatste jaren van het huwelijk. Als
vuistregel voor de berekening van de behoefte wordt vaak de zogenaamde “Hofnorm”
gehanteerd. Aan de hand van deze Hofnorm wordt de behoefte van de
alimentatiegerechtigde bepaald op zestig procent van het netto gezinsinkomen na
aftrek van de kosten van de kinderen. Steeds vaker wordt echter afgeweken van
deze Hofnorm. De alimentatiegerechtigde zal dan aan de hand van concrete
gegevens de gestelde behoefte moeten onderbouwen. Vervolgens dient te worden
bekeken in hoeverre de alimentatiegerechtigde in het eigen levensonderhoud kan
voorzien. Vervolgens dient de draagkracht van de alimentatieplichtige berekend
te worden.

Indien sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de financiële
situatie van de alimentatieplichtige óf de alimentatiegerechtigde kán wijziging
van de partneralimentatie worden verzocht. Deze wijzigingsmogelijkheden kunnen
echter in onderling overleg worden beperkt of uitgesloten (in het
echtscheidingsconvenant).

(Bron: Dijkstra Voermans)

Onderschat het belang van een back up niet

De ondernemer die door toedoen van een ander (bijvoorbeeld diefstal) niet kan
voldoen aan zijn informatie- en administratieplicht, kan toch een
informatiebeschikking opgelegd krijgen en dus geconfronteerd worden met omkering
van de bewijslast.

Een verhuurder van twee bedrijfspanden, die steeds had geopteerd voor met
omzetbelasting belaste verhuur ondervond dit aan den lijve. Deze onderneemster
kreeg een informatiebeschikking opgelegd, omdat ze de door de inspecteur
verzochte informatie en bescheiden niet kon laten zien. Haar administratie en de
usb-stick met de digitale versie daarvan waren namelijk uit de auto van haar
echtgenoot gestolen. Het niet kunnen voldoen aan dit informatieverzoek was
volgens haar niet gebaseerd op onwil maar overmacht. Het hof oordeelde echter
dat de nadelige gevolgen van het bewaren van de administratie in de auto en het
niet voorhanden hebben van een back-up van de administratie en van kopieën van
de administratieve bescheiden voor haar rekening kwamen. Ze had als
btw-onderneemster de plicht om de administratie van haar bedrijf zorgvuldig te
bewaren. Door aldus te handelen of nalaten te handelen had zij zelf zich in een
positie gebracht waarin zij niet meer voldeed aan haar informatieverplichtingen.
Ze moest binnen acht weken na verzending van de uitspraak de in de beschikking
gestelde vragen beantwoorden en de verzochte informatie alsnog verstrekken.

Directeur Grootaandeelhouder? Hoe zat dat ook al weer?

Niet iedere ondernemer is ook directeur grootaandeelhouder (dga). En ook het hebben van een eigen bedrijf wil niet zeggen dat u zichzelf dga kunt noemen. Sterker nog, er bestaan meedere definities van het begrip. We leggen het uit.

Er bestaat geen eensluidende definitie van het begrip directeur grootaandeelhouder (dga). De term wordt in meerdere wetten op een verschillende manier omschreven. Maar ietwat kort door de bocht kunnen we wel stellen dat u dga bent als:   u de directeur bent van een bv of een nv   en u een groot deel van de aandelen van die bv of nv bezit.

Een dga verschilt daarmee in meerdere opzichten van een eigenaar van een eenmanszaak of een vennoot in een Vennootschap onder fima (VOF). Een bv of een nv is voor de wet namelijk een rechtspersoon en de dga een natuurlijk persoon. In de praktijk betekent dat, dat een dga in principe niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schulden van het bedrijf. Verder hoeft over de winst van een bv of nv geen inkomstenbelasting betaald te worden, maar vennootschapsbelasting. Bovendien kan de nv of nv andere aandeelhouders hebben die niet bij het bedrijf werken.  Een dga van een bv bekleedt daarmee in feite een dubbelrol. Hij of zij bezit een groot gedeelte van de aandelen en is dus de absolute machthebber binnen het bedrijf. Maar tegelijkertijd is de dga ook werknemer, ondergeschikt aan de belangen van het bedrijf dus. Een dga is in feite in dienst bij zichzelf.

Aansprakelijkheid  Het belangrijkste verschil tussen een directeur van een eenmanszaak en een dga is de aansprakelijkheid. In principe is de dga niet persoonlijk aansprakelijk voor schulden van het bedrijf. Banken laten de dga echter wel vaak privé mee tekenen voor leningen. De dga is daardoor alsnog persoonlijk aansprakelijk voor het tijdig afbetalen van die leningen.  Dga’s zijn bovendien ook persoonlijk aansprakelijk wanneer:   ze te zware contracten  zijn aangegaan en wisten (of konden weten) dat de bv   hieraan niet kon voldoen,   ze de Belastingdienst niet op tijd melden dat ze de belastingen en premies   niet kunnen betalen,   ze de belastingen en premies niet kunnen betalen door onbehoorlijk bestuur in   de 3 jaar voor de melding aan de Belastingdienst   de bv failliet gaat door onbehoorlijk bestuur in de 3 voorgaande jaren.   Onbehoorlijk bestuur is bijvoorbeeld het niet deponeren van jaarstukken. het   niet bijhouden van een boekhouding of het ongunstig (te goedkoop) vervreemden   van activa of bedrijfsmiddelen.

Als een dga de enige aandeelhouder is, dan is zijn of haar aansprakelijkheid beperkt tot het bedrag waarmee de dga deelneemt in de bv of nv..

4 categorieën Er bestaan 4 categorien dga’s. Ze worden omschreven in de ‘Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder’. Zo zijn er:    Dga’s die, al dan niet samen met hun echtgenoot, zoveel aandelen bezitten dat   ze in de algemene vergadering van de vennootschap tenminste de helft van de   stemmen vertegenwoordigen.   Dga’s die, al dan niet samen met hun echtgenoot, over zoveel aandelen   beschikken dat ze nooit ontslagen of geschorst kunnen worden omdat voor   schorsing of ontslag een versterkte meerderheid van de stemmen nodig is. De   andere aandeelhouders bezitten simpelweg niet genoeg aandelen voor zo’n   meerderheid.   Dga’s die nagenoeg evenveel aandelen hebben als andere aandeelhouders en   daardoor allemaal evenveel stemmen kunnen uitbrengen op de algemene   vergadering. In dit geval spreekt men van nevengeschikte dga’s.   Dga’s die samen met hun bloedverwanten (familieleden) tot en met de derde   graad over meer dan tweederde van van de aandelen beschikken.

Salaris  Een dga ontvangt een normaal salaris. Dat salaris mag bovendien niet lager zijn dan €44.000,- (2014), behalve wanneer de dga kan aantonen dat een lager salaris gebruikelijk is voor mensen in soortgelijke functies die geen aanmerkelijk belang hebben. Mocht het gebruikelijke salaris van mensen met een soortgelijke functie hoger liggen, dan mag de dga zichzelf niet minder dan 70% van dat hogere salaris toekennen. De commissie Van Dijkhuisen heeft bovendien voorgesteld dit percentage te verhogen naar 90 procent.  De belastingdienst bepaalt dit minimum jaarlijks en doet dit om te voorkomen dat dga’s belastingvoordeel kunnen halen door zichzelf een heel laag salaris toe te kennen (dus lage inkomstenbelasting in box 1) en dat te compenseren door middel van een hoge winstuitkering (box 2, lager tarief, zelfs na heffing vennootschapsbelasting).

Verzekeringen  Ondanks het salaris is een dga niet op dezelfde manier verzekerd als een normale werknemer. Werknemersverzekeringen als de WW, de WIA en de ZW zien het dga-schap niet als een dienstbetrekking. Daardoor hoeft de dga geen premies af te dragen maar kan hij of zij ook geen aanspraak maken op de uitkeringen. De ‘Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder’ schrijft voor dat de werknemersverzekeringen niet gelden wanneer:   de dga op de algemene vergadering van de vennootschap meer dan 50 procent van   de stemmen kan uitbrengen,   de dga of zijn bloedverwanten tot en met de derde graad samen meer dan   tweederde van de aandelen bezitten,   de dga niet tegen zijn wil ontslagen kan worden omdat daar een versterkte   meerderheid van stemmen voor nodig is die niet behaald kan worden zonder de   stemmen van de dga.

Het UWV is overigens bevoegd om in afwijking van die regels een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken (zodat de verzekeringen wel gelden), indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap. In de praktijk betekent dat, dat een dga een minderheidsbelang heeft of ontslagen kan worden.

Pensioenen  Voor de Pensioenwet geldt dat een dga die tenminste 10 procent van de aandelen in zijn bedrijf bezit, zijn eigen bv mag laten optreden als pensioenverzekeraar. De bv reserveert dan dus jaarlijks een bedrag voor het pensioen van de dga en dat wordt afgetrokken van de winst. Nadeel is dat de winst fluctueert en het bedrag dat voor het pensioen kan worden gereserveerd dus ook. Bovendien valt de pensioenreserve bij een faillissement in de faillissementsboedel en dat betekent dat de dga niet alleen zijn bedrijf, mar ook zijn opgebouwde pensioen kwijt is.  Een iets duurdere, maar veiliger, oplossing is om het pensioen van de dga, net als voor de werknemers, te verzekeren bij een pensioenverzekeraar. De dga betaalt dan gewoon een maandelijkse premie. Het opgebouwde  pensioen is veilig bij een eventueel faillissement.

(Bron: De Zaak)

Inhoudingsplicht ondanks buitenlandse ‘vaste inrichting’

De loonbelasting wordt geheven van de inhoudingsplichtige als voorheffing van de inkomstenbelasting. Normaal gesproken is de werkgever de inhoudingsplichtige. In bepaalde gevallen merkt de wet echter anderen aan als inhoudingsplichtigen.

Nederlandse inhoudingsplichtige

In Nederland is de inhoudingsplichtige degene die:

  • een of meer personen in dienstbetrekking heeft (de werkgever);
  • aan een of meer personen loon uit een vroegere dienstbetrekking verstrekt. Deze dienstbetrekking kan zijn geweest bij de verstrekker zelf of bij een ander;
  • aan een of meer personen uitkeringen of verstrekkingen uit een dienstbetrekking tot een ander doet als gevolg van een aanspraak die niet tot het loon behoort.

 

VAR

Als een bedrijf gebruikt maakt van de prestaties van een arbeidskracht, die een verklaring arbeidsrelatie (VAR) winst uit onderneming of directeur-grootaandeelhouder overlegt, is het bedrijf niet inhoudingsplichtig. De aard van de verrichte werkzaamheden en de periode waarin deze werkzaamheden worden verricht, moeten wel vallen onder het bereik van de VAR. Het bedrijf zal bovendien de identiteit van de arbeidskracht moeten vaststellen.

 

Fictieve dienstbetrekking

Als sprake is van een fictieve dienstbetrekking, wijst de wet de volgende personen aan als inhoudingsplichtige:

  • de aanbesteder die een ander persoonlijk een werk tot stand laat brengen. Deze inhoudingsplicht ziet ook op de loonheffing op het loon van de degenen die de aannemer bijstaan;
  • degene die een bemiddelaar inschakelt;
  • de organisatie waar een stagiair in het kader van een leerwerkovereenkomst activiteiten verricht;
  • ouders die eigen kinderen van vijftien jaar of ouder laten meewerken in de onderneming;
  • het lichaam dat een raad van commissarissen heeft;
  • de coöperatie of de vennootschap met betrekking tot de werkzaamheden van de bestuurders;
  • de opdrachtgever van een thuiswerker. Thuiswerkers die zelf anderen inschakelen om hen bij te staan, kunnen zelf ook inhoudingsplichtig zijn;
  • degene die een inkomensvoorziening of een kostenvergoeding toekent aan een topsporter; en
  • het lichaam waarvoor een natuurlijk persoon werkzaamheden verricht als deze persoon of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft in dat lichaam.

Daarnaast heeft de fiscus nog andere mogelijkheden om iemand aan te wijzen als inhoudingsplichtige.

 

Buitenlandse werkgever

Soms stelt een buitenlandse onderneming een werknemer tijdelijk te werk in Nederland. Als een Nederlandse werkgever ontbreekt, bestaat voor de loonbelasting alleen in bepaalde situaties een inhoudingsplichtige. Wie niet in Nederland woont en daar evenmin is gevestigd, is namelijk alleen inhoudingsplichtig voor zover hij:

  • een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland heeft; of
  • zich bij de inspecteur heeft gemeld als inhoudingsplichtige met betrekking tot personen die bij hem in dienst zijn. Het loon van deze werknemers moet vallen onder de inkomstenbelasting. Bovendien moet de werkgever de loonadministratie houden in Nederland.

De Belastingdienst gaat ervan uit dat in ieder geval sprake is van een vaste inrichting:

  • bij het verrichten van werkzaamheden in het kader van een onderneming gedurende een aaneengesloten periode van minimaal dertig dagen als deze werkzaamheden plaatsvinden in, op of boven het Noordzeewinningsgebied; of
  • bij het verrichten van werkzaamheden door tussenkomst.

Een Nederlands onderdeel van een concern kan de inspecteur verzoeken om te worden aangemerkt als inhoudingsplichtige in plaats van een buitenlands concernonderdeel. De Belastingdienst kan voorwaarden stellen aan deze overname van inhoudingsplicht.

 

Buitenlands aannemersbedrijf

Overigens moeten Nederlandse werkgevers beseffen dat zij ook inhoudingsplichtig kunnen zijn ten aanzien van werknemers die voor een buitenlandse vaste inrichting werken. Zo dreef een Nederlandse ondernemer een aannemersbedrijf. In 1999 startte hij een eenmanszaak in Duitsland. Toen hij via de Duitse eenmanszaak Nederlandse werknemers werkzaamheden liet verrichten in Nederland, vond de man dat hij daarvoor niet inhoudingsplichtig was. De Belastingdienst en de belastingrechter waren het daarmee niet eens. De ondernemer was immers een in Nederland wonende natuurlijk persoon die verschillende werknemers in dienst had. Daar hij ook een vaste inrichting in Duitsland zou hebben, deed niets af aan zijn inhoudingsplicht.

(Bron: Taxence)

Ook oproepcontract moet u opzeggen

Als u een oproepkracht na een bepaalde periode niet meer oproept, staat dit gelijk aan ontslag. De oproepkracht kan dan een beroep doen op het rechtsvermoeden. Dat wil zeggen dat hij recht heeft om tewerk te worden gesteld voor het aantal uren dat hij gemiddeld in de afgelopen drie maanden heeft gewerkt. Dit werd onlangs bevestigd in een zaak bij de kantonrechter in Amsterdam.

In de zaak besloot een werkgever een oproepkracht – met een oproepovereenkomst van een jaar –nadat zij vier maanden voor de organisatie had gewerkt, niet meer op te roepen. De oproepkracht stapte naar de rechter omdat zij vond dat ze op grond van het zogenoemde rechtsvermoeden recht had om gemiddeld 23 uur per week opgeroepen te worden. Dit was namelijk het gemiddelde aantal uren dat zij in de afgelopen drie maanden had gewerkt. Ze wou deze uren doorbetaald krijgen tot het einde van haar contract.

Werkgever had ontslagvergunning moeten aanvragen

De rechter bevestigde dat de oproepkracht een beroep kon doen op het rechtsvermoeden. Dit betekende dat zij recht had op loondoorbetaling voor het aantal uren dat zij gemiddeld de afgelopen drie maanden had gewerkt. Als de werkgever niet meer met de oproepkracht wilde werken, had hij hiervoor een ontslagvergunning moeten aanvragen bij UWV. Aangezien hij dit niet had gedaan, was de werkgever loon verschuldigd tot het einde van de oproepovereenkomst.

(Bron: HR Rendement)

Kilometergrens voor autokostenforfait geldt op jaarbasis en niet per auto

Verwijzingshof ‘s-Hertogenbosch beslist dat de bijtelling privégebruik auto moet plaatsvinden over beide in het jaar 2009 aan X ter beschikking gestelde auto’s.

Belanghebbende, X, heeft het eerste deel van het jaar 2009 een auto van zijn werkgever ter beschikking gehad, die hij niet voor privédoeleinden heeft gebruikt. Van 13 mei 2009 tot 10 juli 2009 heeft X geen auto ter beschikking gehad van zijn werkgever. Vanaf 10 juli 2009 krijgt X de beschikking over een andere auto van de werkgever, die hij wel privé gaat gebruiken. Op 17 juli 2009 heeft X de inspecteur daarom verzocht om de “Verklaring geen privégebruik” met ingang van 10 juli 2009 in te trekken. De inspecteur legt X over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 12 mei 2009 de in geschil zijnde naheffingsaanslag lb/pvv op. De Hoge Raad heeft het beroep van de staatssecretaris gericht tegen de uitspraak van Hof Arnhem gegrond verklaard en de zaak verwezen naar Hof ‘s-Hertogenbosch om te bepalen of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Verwijzingshof ‘s-Hertogenbosch verklaart het hoger beroep van X ongegrond en bevestigt de uitspraak van Rechtbank Arnhem . Als een belastingplichtige met de eerste auto minder dan 500 kilometer rijdt, zoals bij X, en met de andere auto meer dan 500 kilometer, moet de bijtelling ook voor de eerstbedoelde auto plaatsvinden. Dit geldt zelfs als vast zou staan, dat – anders dan het geval is bij X – met de eerstbedoelde auto in het geheel geen privékilometers zijn gereden. De kilometergrens geldt op jaarbasis en niet per auto.

(Bron: Taxlive)

Aangiften aanvullen of wijzigen

Het kan zijn dat u uw ingediende aangifte wilt aanvullen of wijzigen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de aangifte inkomstenbelasting/vennootschapsbelasting, de aangifte omzetbelasting en de aangifte loonheffingen.

Aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting

Een aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting kunt u aanvullen of wijzigen zolang hiervoor nog geen definitieve aanslag is opgelegd. U past de eerder verstuurde aangifte aan en verstuurt deze opnieuw. Wij nemen deze aangifte dan in behandeling. Hebt u voor de eerder verzonden aangifte al wel een definitieve aanslag gekregen? Dan kunt u een wijziging alleen nog doorgeven door bezwaar te maken. Dit kan met het online bezwaarformulier in het beveiligde gedeelte van onze internetsite. U kunt ook schriftelijk om een navorderingsaanslag vragen als u tot de conclusie bent gekomen dat de aanslag te laag is vastgesteld.

Aangifte omzetbelasting

Een ingediende aangifte omzetbelasting kunt u niet meer wijzigen. Wel kunt u de aangifte corrigeren met het formulier ‘Suppletie omzetbelasting’ als u te veel of te weinig btw hebt betaald. Dit formulier vindt u in het beveiligde gedeelte van de internetsite. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om digitaal een gewijzigde aangifte over hetzelfde tijdvak in te dienen.

Aangifte loonheffingen

Als u een onjuiste of onvolledige aangifte loonheffingen hebt ingediend, moet u die altijd corrigeren.

(Bron: belastingdienst)

Wat is een octrooi? Hoe kan ik mijn uitvinding beschermen?

Een octrooi, ook wel patent genoemd, is het exclusieve eigendomsrecht op je uitvinding. Dat voorkomt dat anderen jouw uitvinding, proces of product gaan
maken, gebruiken, doorverkopen, verhuren of leveren.

Als je een octrooi hebt op een vinding, kun je anderen verbieden om deze vinding na te maken of te verkopen. Zelfs als die ander de vinding geheel onafhankelijk
zelf bedacht en uitgevoerd heeft. Een octrooi geldt voor een bepaald land of een aantal landen en geldt maximaal 20 jaar, daarna is je vinding vrij te gebruiken
door iedereen. Als er nog wel een patent op je idee zit, kun je anderen wel toestemming geven om jouw uitvinding te maken, verkopen of beheren. Dat doe je
met een octrooilicentie

Wanneer kan ik een octrooi aanvragen?

Als je een octrooi wilt aanvragen, moet je vinding aan bepaalde eisen voldoen.

Nieuwheid: Je product of proces moet nieuw zijn. Dit betekent dat je idee vóór de datum van
indiening nergens ter wereld openbaar bekend mag zijn, ook niet als je daar zelf de oorzaak van bent door bijvoorbeeld een brochure of een presentatie.
Inventiviteit: De vinding moet ‘inventief’ zijn. Dit houdt in dat het voor de vakman niet voor de hand mag liggen.
Industriële toepasbaarheid: De vinding moet gaan over een product of productieproces, en je moet kunnen aantonen dat dit technisch kan functioneren. Zo kunnen diensten, ideeën zonder concrete uitwerking, natuurwetenschappelijke theorieën, rekenmethoden en esthetische vormgeving niet beschermd worden door een patent. Hier zijn weer
andere beschermingsvormen voor zoals het auteursrecht, het tekeningen- en modellenrecht of het merkenrecht.

Wanneer vraag ik een octrooi aan?

Het is raadzaam om een goede afweging te maken wanneer je octrooi wilt aanvragen, omdat het niet gratis is. Denk je dat een concurrent op het punt
staat om dezelfde vinding te doen als jij dan kun je maar beter zo snel mogelijk een patent aanvragen. Jij bent dan de enige die het octrooi krijgt en dus geld
met je vinding kan verdienen. Als je denkt dat een ander niet zo gauw op hetzelfde idee zal komen, is er minder haast geboden bij het aanvragen van een
octrooi. Je kunt dan beter eerst de markt goed onderzoeken op commerciële haalbaarheid en het product of proces (in het geheim) uitproberen en verbeteren.
Want als je eenmaal een octrooiaanvraag hebt gedaan, kost het ook geld om dat octrooi te onderhouden.

Hoeveel kost het om een octrooi aan te vragen?

Je krijgt bij het aanvragen van een octrooi te maken met verschillende kosten. Denk bijvoorbeeld aan aanvraagkosten. Doe je dat op papier in Nederland, dan
kost je dat 120 euro, doe je dat online dan kost een octrooiaanvraag je 80 euro. Na je aanvraag voert het Octrooicentrum Nederland een verplicht onderzoek uit
naar de stand van de techniek. De stand van de techniek is alles wat vóór de indiening van de octrooiaanvraag schriftelijk of mondeling openbaar toegankelijk
is gemaakt. Het doel van dit onderzoek is de status ervan te achterhalen. De kosten zijn 100 euro (nationaal) en 794 euro (internationaal).

Daarnaast heb je instandhoudingskosten die je betaalt vanaf het derde jaar nadat je de aanvraag hebt ingediend. Dat begint bij 40 euro per jaar, maar loopt
langzaam op tot 1400 euro. Als je de instandhoudingstaks jaarlijks betaalt, blijft je octrooi maximaal 20 jaar geldig.

Houd ook rekening met kosten voor handhaving van je octrooi. Hoeveel geld je daarvoor moet reserveren, hangt af van het risico van inbreuk en de juridische
kosten. Volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland worden er jaarlijks zo’n 25 patentzaken voor de rechter uitgevochten, tegenover ongeveer 140.000
patenten die van kracht zijn voor ons land. Het is niet precies bekend hoeveel octrooien met inbreuk te maken krijgen. De tarieven voor regionale (Europese) en internationale octrooien liggen anders, kijk daarvoor op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl).

Waar kan ik een octrooi aanvragen?

Je vraagt een octrooi aan bij het Octrooicentrum Nederland. Dat is onderdeel van de Rjiksdienst voor Ondernemend Nederland (octrooicentrum.nl).

Kan ik een octrooi zelf aanvragen?

In principe kun je zelf een aanvraag indienen bij het Octrooicentrum Nederland, maar een octrooi is een technisch en juridisch document, waardoor het loont om
hulp in te schakelen. Een octrooi, geschreven door een octrooigemachtigde, heeft meer kans van slagen in een gerechtelijke procedure. Het tarief daarvoor is
afhankelijk van de complexiteit van je uitvinding en de tarieven van de gemachtigde die je inschakelt. Een Nederlandse aanvraag kost in totaal tussen de
2.000 en 10.000 euro. Je kunt de kosten wel enigszins drukken door veel uitzoekwerk vooraf zelf te doen (zie kader), zodat de gemachtigde zich vooral
kan concentreren op het beschrijven van je vinding.

Voor welke landen vraag ik octrooi aan?

Het is veel te duur om in alle landen van de wereld octrooi aan te vragen, daarom is het verstandig je af te vragen in welke landen het voor jou en jouw
vinding loont om patent aan te vragen. Handel je bijvoorbeeld in vitaminenmixen die alleen door Nederlandse voedselproducenten worden toegepast? Dan is een
Nederlands octrooi voor jou afdoende. Als je gebruikmaakt van een verpakking die voor veel landen geschikt is, kan een octrooi voor meerdere landen verstandig
zijn. Maar ook dan geldt dat het raadzaam is verstandige grenzen te trekken. Zoek als vitamineleverancier naar de landen waar veel gebruik wordt gemaakt van
vitaminetoevoegingen in voedsel. Realiseer je dat een land dat nu nog niet interessant is, dat in de toekomst wel kan worden.

Checklist aanvragen octrooi

  •         Kan mijn vinding door een octrooi worden beschermd?
  •         Bestaat mijn idee nog nergens ter wereld?
  •         Wat kost een octrooi?
  •         Is er een markt voor mijn product?
  •         Kan ik hulp krijgen bij het aanvragen van een octrooi?
  •         Voor welke landen vraag ik octrooi aan?

(Bron: MKB Servicedesk)