Rittenregistratie voor iedere rit noodzakelijk

Een werknemer met een auto van de zaak die niet meer dan 500 privékilometers per jaar rijdt, kan bijtelling voorkomen door een sluitende rittenregistratie bij te houden. Het vermelden van de dagtotalen is onvoldoende om dit te bewijzen. Uit een recente rechtszaak blijkt dat werknemers alle ritten specifiek moeten registreren.

Een rittenadministratie bestaande uit alleen dagtotalen is onvoldoende om bijtelling te voorkomen. In een recente rechtszaak had een directeur-grootaandeelhouder (dga) een naheffingsaanslag gekregen, omdat de inspecteur van de Belastingdienst vond dat zijn rittenregistratie niet sluitend was. De dga hield alleen de dagtotalen bij en registreerde niet de gereden kilometers per afzonderlijke rit.

Adviseur keurde rittenadministratie goed

De rechter vond dat de dagtotalen onvoldoende informatie leverden om geen bijtelling te rekenen. De dga lichtte zijn ritten daarop alsnog toe, maar de rechter vond dat onvoldoende. Bovendien leek het de rechter onwaarschijnlijk dat hij nooit privé had gereden met de auto. Het feit dat de dga een privéauto tot zijn beschikking had, maakte hier niet uit. De inspecteur wilde verder nog een boete opleggen voor grove schuld, omdat de dga willens en wetens slechts dagtotalen had ingevuld. Maar de dga had een adviseur die zijn aangifte afhandelde en die had zijn rittenadministratie goedgekeurd. De rechter was het dan ook niet eens met deze boete. De navorderingsaanslag vond de rechter echter wel terecht.

(Bron: Salarisrendement)

Fiscus start proef met direct definitieve aanslag na belastingaangifte

De Belastingdienst start met een proef waarbij mensen die voor 1 april hun belastingaangifte hebben ingediend, direct een definitieve aanslag krijgen opgelegd. Als de fiscus overtuigd is van de juistheid van de berekening, wordt de voorlopige aanslag overgeslagen. Staatssecretaris Frans Weekers van Financiën: ‘De tussenstap van een voorlopige aanslag kan in veel gevallen worden overgeslagen. Mensen krijgen dus sneller duidelijkheid en minder blauwe brieven. Dat is voor iedereen winst.’
De eerste 40.000 mensen krijgen de komende dagen direct een definitieve aanslag in de bus waarbij de voorlopige aanslag wordt overgeslagen. Een test onder 1.000 mensen wees uit dat deze versneld opgelegde definitieve aanslagen inhoudelijk correct waren. De komende weken wordt duidelijk of de Belastingdienst de proef dit jaar naar nog meer mensen kan uitbreiden. Deze stap past in het streven van staatssecretaris Weekers om het aantal brieven dat de Belastingdienst verstuurt de komende jaren te verminderen. Uiteraard krijgen alle mensen die voor 1 april hun aangifte hebben ingediend voor 1 juli bericht van de fiscus. De mensen met de versnelde definitieve aanslag krijgen de uitbetaling kort nadat de blauwe envelop op de mat ligt. Overigens heeft de proef geen gevolgen voor mensen die alsnog een wijziging willen doorgeven zoals een vergeten aftrekpost of een later verminderde WOZ-beschikking. Zij kunnen dat op de gebruikelijke manier doen en daar alsnog voor in aanmerking komen.

Extra maatregelen rond controlethema loon

Daarnaast neemt de Belastingdienst dit jaar extra maatregelen rond het controlethema loon. De fiscus koos voor dit thema omdat op basis van steekproeven bleek dat niet altijd de inkomsten van alle bijbaantjes werden opgegeven door mensen. De afgelopen jaren werd hierop al voor enkele honderden miljoenen euro’s gecorrigeerd. Vanaf volgend jaar kan de fiscus deze correcties volautomatische correcties uitvoeren met behulp van onder andere de gegevens van werkgevers en uitkeringsinstanties uit de loonaangifteketen. De verwachting is dat de correctieopbrengst dan nog verder zal toenemen.
[ Bron:        Ministerie van Financiën ]

Kunstenaar kan btw-verschil terugvorderen van klant

Kunstenaars die in beroep zijn gegaan tegen de snelle btw-verhoging per 1 januari 2011 kunnen beter het verschil in de gefactureerde btw en de verschuldigde btw terugvragen aan hun afnemers. Rechtbank Den Haag heeft er namelijk op gewezen dat het niet de taak van de rechter is de grondwettigheid van wetten te toetsen.

Vanaf 1 januari 2011 is het btw-tarief op leveringen van beeldende kunst verhoogd van 6% naar 19%. Voor sommige kunstenaars is deze verhoging nogal onverwachts gekomen. In de zaak voor Rechtbank Den Haag had een kunstenaar bijvoorbeeld in december 2010 een kunstwerk verkocht. De (belaste) levering vond plaats op 3 januari 2011. De kunstenaar moest dus 19% btw opgeven en afdragen terwijl hij maar 6% had gefactureerd. Het verschil tussen de 19% en de 6% kwam dus voor zijn rekening. De man stapte naar de rechtbank en stelde dat de snelle btw-verhoging in strijd was met diverse beginselen van behoorlijk bestuur in de Grondwet en met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Bovendien betekende de btw-verhoging voor hem een buitensporige last. De rechtbank wees de kunstenaar eerst op het feit dat de rechter niet bevoegd is de grondwettigheid van wetten te toetsen. Het beroep op het EVRM faalde ook. De rechter gaf aan dat de kunstenaar evenmin hoefde te lijden onder een buitensporige last, omdat hij het btw-verschil van 13% kon vorderen van zijn afnemer op grond een artikel in de Wet op de omzetbelasting 1968.
(Bron: Taxence)

Pas bij grote verbouwing van compleet gebouw kan nieuw gebouw ontstaan en is BTW verschuldigd

Bij de toets of een grote verbouwing van een pand leidt tot het ontstaan van een nieuwe onroerende zaak voor de btw moet de belanghebbende naar het totale pand kijken. Volgens Hof Amsterdam mag men dus niet alleen kijken naar een deel van het pand dat ondanks een aparte functie een integrerend deel van het pand is.

Deze toets kan ook van belang zijn voor de overdrachtsbelasting. In de zaak voor Hof Amsterdam had een beheermaatschappij een appartementsrecht van een winkel verkregen. Volgens de Belastingdienst was deze verkrijging belast met 6% overdrachtsbelasting. Maar de bv wees erop dat kort vóór haar verkrijging de winkelruimte een grote verbouwing had ondergaan. Daardoor zou een nieuwe onroerende zaak tot stand zijn gekomen. De verkrijging van een nieuwe onroerende zaak is belast met btw. In dat geval geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting om cumulatie van btw en overdrachtsbelasting te voorkomen. Het hof oordeelde dat het niet ging om het verschil tussen de winkelruimte vóór en na de verbouwing, maar om de toestand van het gebouw in zijn geheel. De winkelruimte was namelijk een integrerend onderdeel van het gebouw. Het hof constateerde dat de verbouwing voor het pand in zijn geheel onvoldoende veranderingen had veroorzaakt om te stellen dat sprake was van een nieuwe onroerende zaak. De beheermaatschappij moest dus gewoon overdrachtsbelasting betalen.
(Bron: Taxence)

Oude CO2-grenzen bij aanschaf auto vóór 1 juli

Per 1 juli 2012 gelden scherpere CO2-grenzen voor de bijtelling wegens het privégebruik van de auto van de zaak. Dat betekent dat auto’s zuiniger moeten zijn om nog onder de bijtelling van 14% of 20% te vallen. Wie vóór 1 juli een auto van de zaak aanschaft, kan nog wel profiteren van de oude grenzen.

De overheid verlaagt de CO2-grenzen voor de bijtelling stapsgewijs. De eerste verlaging vindt plaats op 1 juli aanstaande. Vanaf die datum geldt voor een benzineauto de 14%-bijtelling pas bij een uitstoot van minder dan 103 gram per kilometer. Nu ligt het maximum nog op 111 gram per kilometer. Voor een dieselauto moet de uitstoot vanaf 1 juli minder dan 92 gram per kilometer zijn om onder het 14%-tarief te vallen. Nu is dat nog 96 gram per kilometer.

Verlaging voor dieselauto’s minder ingrijpend

Voor het bijtellingstarief van 20% gelden vanaf 1 juli de volgende grenzen: benzineauto’s mogen een uitstoot van maximaal 132 gram per kilometer hebben. Dieselauto’s vallen onder het 20%-tarief bij een uitstoot van maximaal 114 gram per kilometer. Op dit moment ligt voor benzineauto’s de 20%-grens op 140 gram per kilometer en voor dieselauto’s op 116 gram per kilometer. Is de uitstoot hoger dan de genoemde maxima, dan geldt het normale bijtellingstarief van 25%. De verlaging van de uitstootgrenzen is voor dieselauto’s minder ingrijpend, omdat in 2015 voor diesel- en benzineauto’s dezelfde uitstootgrenzen moeten gelden. Aangezien voor dieselauto’s al lagere uitstootgrenzen van toepassing waren, blijft de daling beperkt.

Leaseauto aanschaffen vóór 1 juli 2012

Het is voor werknemers die binnenkort aan een nieuwe auto van de zaak toe zijn, verstandig om op te letten wanneer de auto geleverd wordt. Als een nieuwe leaseauto vóór 1 juli 2012 geleverd wordt, blijven namelijk gedurende het hele leasecontract de oude CO2-grenzen gelden. De betreffende werknemer betaalt sneller een lage bijtelling. Levert de dealer pas na 1 juli 2012, dan gelden de nieuwe grenzen. Athlon Car Lease laat zelfs de oude bijtellingsgrenzen gelden voor leaseauto’s die vóór 15 april worden besteld en vóór 1 juli op kenteken worden gezet. Ook leaserijders van wie het leasecontract pas in het najaar afloopt, kunnen hiervan gebruikmaken. Zij moeten de auto dan uiterlijk 15 november in gebruik nemen.

(Bron: SalarisRendement)

Willekeurige afschrijving: eens gekozen, blijft gekozen

Als een ondernemer in een jaar heeft gekozen om de faciliteit van willekeurige afschrijving toe te passen, kan hij de afschrijving niet in een later jaar terugnemen.

De faciliteit van de willekeurige afschrijving maakt het mogelijk om ofwel vervroegd, ofwel vertraagd af te schrijven op bepaalde bedrijfsmiddelen. Vervroegd of vertraagd afschrijven betekent dat de mogelijkheid bestaat om in een bepaald jaar een hogere of lagere afschrijving in aanmerking te nemen dan mogelijk is op grond van de regels van goed koopmansgebruik en overige bepalingen over ‘normale’ afschrijving. Het woord ‘willekeurig’ in artikel 3.34 Wet IB 2001 kon volgens de rechter niet algebraïsch worden uitgelegd in die zin dat een eenmaal in aanmerking genomen afschrijving later ongedaan kan worden gemaakt. De ondernemer in deze zaak wilde op het bedrijfsmiddel in een later jaar negatief afschrijven en dus opwaarderen. Deze mening van de ondernemer werd niet ondersteund in de wettekst of de wetsgeschiedenis.

(Bron: Taxence)

Pas op voor belastingheffing bij overwaarde verkochte woning

In het nieuwe box 3-besluit wordt onder andere ingegaan op de situatie waarbij in het ene jaar de oude woning wordt verkocht en pas in het volgende jaar een nieuwe eigen woning wordt gekocht. Mogelijk komt de vermogensrendementsheffing om de hoek kijken.
Op 29 februari 2012 is het besluit inkomen uit sparen en beleggen gepubliceerd. In het nieuwe besluit is onder meer de overgang van de oude eigen woning via box 3 naar de nieuwe eigen woning behandeld. ­ Een belastingplichtige die zijn eigen woning verkoopt, daarbij een overwaarde realiseert, en vervolgens pas na de jaarwisseling een nieuwe eigen woning koopt, is over de gerealiseerde overwaarde vermogensrendementsheffing verschuldigd. Op 1 januari – de peildatum – verhoogt de gerealiseerde overwaarde immers het box 3-vermogen. Dat bij aankoop van de nieuwe woning deze overwaarde als eigenwoningreserve in mindering komt op de box 1-schuld, doet hieraan niets af.

Voorbeeld

X verkoopt zijn woning in mei 2011 en draagt direct de eigendom over aan de koper. Met de verkoop realiseert X een overwaarde van € 50.000. X boekt dit bedrag naar zijn spaarrekening. Vervolgens gaat X vanaf mei 2011 huren.

In februari 2012 besluit X een nieuwe eigen woning te kopen. De in 2011 gerealiseerde overwaarde haalt hij van zijn spaarrekening af voor de financiering van de nieuwe woning.

Op grond van de wet telt de waarde van de spaarrekening per 1 januari 2012 gewoon mee als bezitting voor de grondslag van box 3. X is dan ook vermogensrendementsheffing verschuldigd over de waarde van de spaarrekening. De rendementsgrondslag wordt aan de hand van één peildatum (1 januari) vastgesteld. Het maakt dan ook niet uit of slechts een gedeelte van het jaar een box 3-vermogensbestanddeel aanwezig is.

Versoepeling vervalt

In dit besluit wordt weer eens het robuuste karakter van de box 3-heffing duidelijk gemaakt. Door uit te gaan van één peildatum en van een vast rendement van 4% wordt niet het werkelijke rendement van box 3-vermogen in de heffing betrokken, maar een wettelijk vastgesteld, fictief rendement. Dit is ook van belang voor die situaties waarbij een eigen woning leeg staat en in de verkoop staat of tijdelijk wordt verhuurd. In het eerste geval mag gebruik worden gemaakt van de zogeheten verhuisregeling. De verhuisregeling houdt in dat een woning die leeg in de verkoop staat gedurende het lopende jaar plus twee kalenderjaren nog als eigen woning mag worden aangemerkt. Deze verhuisperiode is voor de jaren 2011 en 2012 tijdelijk verruimd met een jaar. Voor woningen die in 2009 zijn verlaten en in de verkoop zijn gezet, betekent dit dat de verhuisregeling op 31 december 2012 ophoudt. Op 1 januari 2013 zit de nog steeds in de verkoop staande woning dus in box 3 en verhoogt daar direct de rendementsgrondslag. Ook de bijleenregeling is op dat moment van toepassing. ­ Wordt een in de verkoop staande woning tijdelijk verhuurd, dan kan in 2012 nog gebruik worden gemaakt van een versoepeling in de wet. Op het moment van verhuur verhuist de woning tezamen met de daarop rustende eigenwoningschuld van box 1 naar box 3. Wordt op 1 januari van enig jaar de woning nog steeds verhuurd, dan verhoogt de waarde van de verhuurde woning verminderd met de daarop rustende schuld de rendementsgrondslag. De bijleenregeling hoeft op grond van de versoepeling op dat moment echter nog niet te worden toegepast. De bijleenregeling is pas aan de orde als de woning wordt verkocht of als sinds het moment van verlaten van de woning de hiervoor uiteengezette verhuisperiode is verstreken. ­ Deze versoepeling vervalt met ingang van 1 januari 2013. Een verhuurde woning behoort dan definitief tot het box 3-vermogen. Daarnaast wordt op dat moment de bijleenregeling toegepast. De eigenwoningreserve, zijnde het verschil tussen de op de woning rustende eigenwoningschuld en de waarde in het economische verkeer van de woning, komt in mindering op een eventuele nieuwe eigenwoningschuld. Ontstaat hierdoor een gedeeltelijke box 3-lening – de eigenwoningreserve wordt immers wel fiscaal gerealiseerd, maar niet in werkelijkheid – dan behoort ook deze box 3-lening op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag.
(Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden)

Twee onvolkomendheden in het aangiftepakket Belastingdienst

Voor mijn klanten gebruik ik altijd een speciaal aangiftepakket van een commerciële leverancier en dat werkt perfect. Daar kan ik zogezegd mee lezen en schrijven.
De vooraf ingevulde aangifte is nog niet altijd volledig correct ingevuld. Voor wat betreft een reguliere aangifte heb ik geen noemenswaardige problemen ondervonden met de vooraf ingevulde gegevens. Het gaat hier om een oudere man en vrouw, fiscaal partner van elkaar want samenwonend met notarieel samenlevingscontract. Beiden zijn de leeftijd van 70 jaar inmiddels gepasseerd. De pensioenuitkeringen van verschillende instanties evenals de AOW vanuit de Sociale verzekeringsbank, stonden netjes ingevuld in de aangifte. Datzelfde geldt voor de WOZ-gegevens van het huis en de voorlopige aanslag over 2011. De hypotheekgegevens en box 3 moest ik zelf nog invullen. ­ Toch constateer ik twee belangrijke onvolkomendheden in het aangiftepakket . Zo is het niet mogelijk om het loon voor de Zvw in te vullen. Zijn er in een jaar verschillende uitkeringsinstanties of werkgevers dan kan het gebeuren dat er teveel bijdrage Zvw is ingehouden en dat een teruggaaf nog volgt. Om een of andere reden is dit loon echter niet aan te geven en komt het verder ook nergens meer terug in het aangiftepakket van de Belastingdienst.
Aan de verdeling van aftrekposten is nog wat te verbeteren. Fiscale partners kunnen hier bepaalde inkomsten en aftrekposten naar gelieve verdelen, om zo te voorkomen dat teveel belasting wordt betaald. Maar dan moet je toch behoorlijk op de hoogte zijn van allerlei fiscale spelregels en dat zijn de meeste belastingplichtigen niet. ­ Zo hebben ouderen mogelijk recht op een ouderentoeslag in box 3. Dit is afhankelijk van het inkomen uit werk en woning in box 1 en daar zitten nu juist aftrekposten (zoals de hypotheekrente) die verdeeld kunnen worden. Als belastingplichtigen niet helemaal gunstig verdelen, dan lopen ouderen hier mogelijk deze ouderentoeslag mis. In het meest ongunstige geval betekent dit een netto bedrag van € 330. Het zou beter zijn als het pakket zelf uitrekent wat de meest gunstige verdeling is en geef mensen vervolgens de keuze of zij met deze verdeling akkoord gaan of dat zij liever zelf een verdeling maken.
(Bron: Fiscaal voor u bewerkt)

Regels bij herinvesteringsreserve afschrijving op nieuw bedrijfsmiddel

De ondernemer kan met de herinvesteringsreserve (hir) onder voorwaarden boekwinsten reserveren die zijn behaald bij de verkoop van bedrijfsmiddelen en deze vervolgens afboeken op de kostprijs van een herinvestering. Hierdoor wordt de winstneming dus uitgesteld. Op het moment dat de ondernemer in een nieuw bedrijfsmiddel herinvesteert, moet hij de afschrijving hiervan bepalen. De berekeningsmethode moet echter wel in overeenstemming zijn met de wet.

HIR

Om te voorkomen dat de bedrijfsvoering door belastingheffing bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen wordt gehinderd is het mogelijk gebruik te maken van de hir. De ondernemer komt alleen hiervoor in aanmerking als hij een vervangingsvoornemen heeft die binnen de driejaarstermijn in vervulling gaat en in een bedrijfsmiddel investeert die eenzelfde economische functie heeft. Voldoet hij niet aan de voorwaarden dan wordt de hir tot de winst gerekend.

Afschrijven

Als de ondernemer in een bedrijfsmiddel investeert mag hij de kosten niet ineens ten laste van de winst brengen. Hij moet de aanschaffings- of voortbrengingskosten eerst activeren. Deze geactiveerde kostprijs wordt door middel van afschrijvingen  op de bedrijfsmiddel ten laste van het resultaat gebracht. De kosten worden op deze manier verdeeld over de jaren waarop zij betrekking hebben. De gedachte hierachter is dat elk gebruiksjaar zijn eigen kosten draagt. De hoogte van de jaarlijkse afschrijving is afhankelijk van de kostprijs, de restwaarde en de gebruiks- of levensduur van het bedrijfsmiddel. Het verschil tussen de kostprijs en de restwaarde levert het totaal af te schrijven bedrag. Dit bedrag wordt vervolgens verdeeld over het aantal jaren dat het bedrijfsmiddel vermoedelijk in de onderneming wordt gebruikt (gebruiksduur).

 

Wijziging afschrijvingsregime

Het afschrijvingsregime is in 2007 fors ingeperkt. Ondernemers moeten sinds die datum uitgaan van een maximaal afschrijvingspercentage van 10 % per jaar voor goodwill en 20% per jaar voor overige bedrijfsmiddelen. Voor gebouwen geldt dat afschrijving alleen mogelijk is tot de  zogenoemde bodemwaarde. Voor een gebouw in eigen gebruik geldt als bodemwaarde 50% van de WOZ-waarde. Voor een gebouw ter belegging geldt als bodemwaarde 100% van de WOZ-waarde. Deze specifieke bepaling is niet van toepassing op alle onroerende zaken, maar alleen op gebouwen. Onder ‘gebouw’ wordt verstaan alle onderdelen van een gebouw met inbegrip van de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden. Hieronder valt niet alleen het bouwwerk, maar bijvoorbeeld ook de grond, de tuin, de erfverharding, de parkeerplaatsen en de verlichting.

(Bron: Taxence)

 

Restwaarde

De waarde die het bedrijfsmiddel heeft aan het eind van de gebruiksduur in de onderneming is de restwaarde van een bedrijfsmiddel. De ondernemer moet de restwaarde ‘naar goed koopmansgebruik’ schatten. Mocht sprake zijn van een aanmerkelijke verandering (50% of meer) van de restwaarde, die redelijkerwijs als blijvend is aan te merken, dan moet de ondernemer in beginsel de jaarlijkse afschrijving herzien.

 

Berekeningswijze

De afschrijvingen op een nieuw bedrijfsmiddel vinden plaats op basis van de boekwaarde na afboeking van de hir. De hir is van invloed op de afschrijvingsgrondslag en dus ook op de jaarlijkse afschrijving. Volgens de Hoge Raad moet de afschrijving op de volgende manier plaatsvinden. Voordat de afschrijving van een bedrijfsmiddel wordt bepaald moet de ondernemer eerst de aanschaffings- en voorbrengingskosten vaststellen. Hij moet om te beginnen de hir in mindering brengen op het bedrag van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel. Vervolgens moet de restwaarde van het bedrijfsmiddel worden geschat. Ook dat brengt hij in mindering op de aanschaffingskosten. Het bedrag dat dan overblijft is de afschrijvingsbasis. Hiermee bevestigd de Hoge Raad een eerdere uitspraak van het hof dat de afschrijvingsgrondslag niet kan worden verhoogd door een deel van de hir op een deel van de restwaarde af te boeken.

Verzendkosten en BTW: Hoe zit dat?

Wanneer u goederen verzendt is het gebruikelijk een bedrag aan verzendkosten op de factuur te vermelden. Regelmatig onstaan er misverstanden over het feit of er nu omzetbelasting (btw) over die verzendkosten gerekend moet worden. 

 

BTW en postzegels Wanneer u postzegels of pakketzegels koopt, betaalt u geen btw op deze producten. U kunt hier dus ook geen omzetbelasting voor aftrekken op uw aangifte omzetbelasting. De reden hiervoor is dat in de wet postverkeer en in de wet omzetbelasting de organisatie TPG voor wat betreft post- en pakketzegels is vrijgesteld van btw-verplichtingen. Wellicht denkt u nu dat u als ondernemer uw verzendkosten dan ook zonder btw mag factureren aan uw klanten. Dit is echter niet het geval.
Omzetbelasting(btw) en verzendkosten De wet op de omzetbelasting stelt dat: “Portokosten die bij de levering van goederen in rekening worden gebracht, behoren tot de vergoeding waarover belasting is verschuldigd. Hierbij is hetzelfde BTW-tarief van toepassing als dat van die goederen.” U dient dus omzetbelasting te berekenen over het totaalbedrag van uw goederen inclusief verzendkosten.

Wat nu als u dat niet doet? Wanneer u geen btw afdraagt over de verzendkosten die u aan klanten factureert, komt u in de problemen bij een belastingcontrole. Wanneer sprake is van veel verzendingen, kan dit aardig in de papieren lopen. Bovendien loopt u het risico op een boete, daar u als ondernemer verplicht bent kennis te nemen van de wet- en regelgeving die op u van toepassing is.  

Uitzondering voor boekhandels Een bijzondere positie is weggelegd voor de boekhandels. Deze berekenen ook geen btw wanneer zij post-en pakketzegels verkopen. Dit is het gevolg van een speciale constructie; de boekhandel is een agentschap van TPG post. De postzegels worden op papier nooit ingekocht door de boekhandel en daardoor rechtstreeks uit naam van TPG Post. ngt hierbij af van onder welk omzetbelastingtarief uw goederen vallen. Vaak zal dit 19% zijn.