Belastingaftrek ziektekosten, soms makkelijk, maar fiscus kan ook moeilijk doen

De regeling voor aftrek van ziektekosten kan nog steeds volop mogelijkheden bieden voor belastingvoordeel. Dat is niet alleen afhankelijk van de omvang van de kosten maar vooral ook van uw inkomen. Voor de aftrek geldt namelijk een drempel die afhankelijk is van uw inkomen (en dat van uw eventuele partner). Het overschrijden van die drempel kan echter heel makkelijk gaan als de aftrekbare uitgaven (bij lagere inkomens) eerst opgehoogd worden met een verhogingsfactor. Soms is er voor de aftrek een medische verklaring nodig en daarover kan de fiscus wel moeilijk doen, zo bleek uit een onlangs gepubliceerde rechterlijke uitspraak.

 Welke kosten zijn aftrekbaar?

De ziektekosten vallen onder de regeling van de aftrekbare specifieke zorgkosten. Hoewel die naam misschien anders doet vermoeden, is die aftrekpost bepaald niet alleen voorbehouden voor heel bijzondere ziektekosten. Daarvoor hoeft u echt niet (ernstig) ziek te zijn. Aftrek is bijvoorbeeld mogelijk voor tandartskosten en voor kosten van hulpmiddelen zoals de voor eigen rekening komende kosten van een gehoorapparaat, een rollator of van steunzolen, orthopedisch schoeisel en dergelijke. Maar niet de kosten van brillen en contactlenzen. Ook is aftrek mogelijk voor de kosten van een dieet als dat is voorgeschreven door arts of diëtist; afhankelijk van het soort dieet gelden vaste tabelbedragen.

Drempel en verhogingsfactor

Op de aftrekbare uitgaven moet een drempelbedrag in mindering worden gebracht. Voor 2011 is dat bij een drempelinkomen (globaal uw jaarinkomen en dat van uw eventuele partner) tot € 38.955 1,65% van het inkomen. Als uw drempelinkomen hoger is dan € 38 955, dan is het drempelbedrag € 642 (1,65% van € 38 955) plus 5,75% van het bedrag boven de € 38.955.

Maar het overschrijden van het drempelbedrag gaat soms makkelijker dan u denkt, omdat het bedrag van de aftrekbare uitgaven bij lagere inkomens veelal eerst mag worden verhoogd met een factor van 40% (voor 65+ zelfs: 113%). Er mogen dan dus meer kosten in aanmerking worden genomen dan er zijn gemaakt. Die verhogingsfactor is van toepassing als uw drempelinkomen niet hoger is dan € 33.485. Daardoor is bij toepassing van de verhogingsfactor vrijwel altijd ook nog een daadwerkelijke aftrek mogelijk.

Voorbeeld

U hebt in 2011 in verband met voedselovergevoeligheid een tarwevrij dieet gevolgd. Daarvoor staat in de dieetkostentabel een normbedrag van € 950. Omdat uw drempelinkomen € 30 000 bedraagt komt door toepassing van de verhogingsfactor als specifieke zorgkosten in aanmerking € 950 plus 40% van € 950, ofwel € 1.330. Na aftrek van de drempel van € 495 (1,65% van € 30.000) resteert een aftrek van € 835.

Als u 65 jaar of ouder bent is de verhogingsfactor zelfs 113%, zodat de aftrek € 2.024 (€ 950 plus 113% van € 950) minus € 495, ofwel € 1.529 bedraagt. Zonder dat rekening wordt gehouden met eventuele andere ziektekosten resteert al een veel hogere aftrek dan het normbedrag van de dieetkostentabel.

De verhogingsfactor is niet van toepassing op de uitgaven voor geneeskundige en heelkundige hulp zelf, maar geldt bijvoorbeeld wel voor de reiskosten naar de arts en de kosten voor de hulpmiddelen, waaronder ook kunnen vallen de veelal forse kosten van woningaanpassingen als die verband houden met fysieke of psychische beperkingen; daarop kom ik aan het slot nog terug.

Verhogingsfactor bij tandartskosten

Ik stipte reeds aan dat de tandartskosten kwalificeren als specifieke zorgkosten. Dat geldt ook voor de kosten van de mondhygiënist. Het gaat natuurlijk steeds om kosten die u niet vergoed hebt gekregen. U kunt zonder meer aftrekken zowel de kosten van de periodieke controle/behandeling als de kosten van allerhande specifieke behandelingen, inclusief de daarbij gebruikte materialen (bijv. bruggen en kronen) en de reiskosten voor het bezoeken van de tandarts.

Voor de behandelkosten zelf geldt in het algemeen echter niet de hiervoor genoemde verhogingsfactor, maar voor de reiskosten wel. De verhogingsfactor kan ook worden toegepast voorzover onder de rekeningen kosten van hulpmiddelen zijn begrepen (bijvoorbeeld kunstgebitten). Uit de rechtspraak volgt dat er sprake is van een hulpmiddel als het middel een elementaire lichaamsfunctie overneemt, waartoe iemand anders niet in staat zou zijn. De Belastingdienst wil een brug wel als hulpmiddel aanmerken maar de kosten van een kroon niet, omdat daarmee niet de functie van kauwen wordt overgenomen maar veeleer sprake zou zijn van gewoon gebitsonderhoud.

De benaderingswijze van de fiscus is discutabel. Een kroon draagt toch net als een kunstgebit aanmerkelijk bij aan de kauwfunctie. Het kan zeker de moeite lonen om het fiscale standpunt inzake kronen te bestrijden, zonodig voor de belastingrechter. Maar, verhogingsfactor of niet, de niet-vergoede tandartskosten, inclusief de kosten van de kroon, zijn in ieder geval sowieso tot de specifieke zorgkosten te rekenen.

Aanvullende verzekering is fiscaal niet voordelig

Premies voor de zorgverzekering zijn niet aftrekbaar, ongeacht of het gaat om de basisverzekering of om een aanvullende verzekering. Ook is geen aftrek mogelijk voor hetgeen u moet betalen op basis van het verplichte eigen risico (voor 2011: € 170) of het vrijwillige eigen risico bij het basispakket (afhankelijk van uw eigen keuze).

Wel aftrekbaar zijn de kosten die voor uw eigen rekening komen omdat zij niet onder de basisverzekering vallen en de aanvullende verzekering onvoldoende dekking biedt. De kosten die dan voor uw eigen rekening blijven, zijn zonder meer tot de specifieke zorgkosten te rekenen.

Voor de belastingen is een hogere aanvullende verzekering (voor bijv. tandarts) dus bepaald niet voordelig, want de daarvoor verschuldigde hogere premie is namelijk niet aftrekbaar.

Soms medisch voorschrift nodig

Voor aftrek van de uitgaven is soms een medisch voorschrift nodig. Dat geldt bijvoorbeeld voor de eerder genoemde dieetkosten maar ook voor de soms kostbare woningaanpassingen die aftrekbaar zijn als zij zijn gedaan in verband met fysieke of psychische beperkingen. Zo’n medisch voorschrift moet eigenlijk vooraf zijn opgesteld. Er is echter een aantal rechterlijke uitspraken waarin een achteraf opgestelde verklaring van een arts voldeed voor aftrekbaarheid van de uitgaven.

De Staatssecretaris van Financiën heeft zich ook weleens uitdrukkelijk met een dergelijke uitspraak verenigd; in die situatie was er door de ernstige ziekte/invaliditeit overigens ook grote spoed bij de woningaanpassing.

Maar de Belastingdienst houdt in beginsel vast aan een vooraf opgestelde medische verklaring. Dat blijkt uit een recente uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem. Hoewel de Rechtbank te Arnhem nog coulant was geweest en de aftrek op basis van de achteraf opgestelde verklaring accepteerde, weigerde het hof de aftrek in een situatie waarin de functiebeperking van een gehandicapt kind feitelijk onomstreden was.

Het geeft voor de praktijk aan dat de fiscus in zo’n geval toch moeilijk kan doen en dat het dus verstandig is om de arts de verklaring vooraf te laten verstrekken. Maar als dat door omstandigheden niet gebeurd is, is het zeker de moeite van het proberen waard om de aftrek te krijgen met een verklaring achteraf.

(Bron: Kluwer)

Mag de gemeente een hulpmiddel uit de Wmo weigeren als mijn inkomen te hoog is?

De gemeente mag geen algemene inkomensgrens stellen om te bepalen of u in aanmerking komt voor een hulpmiddel of voorziening uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De Centrale Raad van Beroep (de hoogste rechterlijke instantie in Nederland) heeft dit in een uitspraak bevestigd. Wel mogen gemeenten een inkomensafhankelijke eigen bijdrage vragen voor voorzieningen en hulpmiddelen die via de Wmo worden verstrekt.

  • Gemeente kijkt naar uw persoonlijke situatie bij aanvraag uit Wmo
  • Gemeente mag een aanvraag voor hulp uit de Wmo afwijzen
  • Toewijzing van voorziening plus eigen bijdrage Wmo
  • Aantal gemeenten hanteert ten onrechte inkomensgrens Wmo
  • Wat u kunt doen als gemeente inkomensgrens Wmo hanteert

Gemeente kijkt naar uw persoonlijke situatie bij aanvraag uit Wmo

De Wmo gaat uit van de begrippen compensatieprincipe en individuele toetsing. Dat betekent dat de gemeente naar uw persoonlijke situatie kijkt en naar uw mogelijkheden om zelf een voorziening te regelen en te bekostigen. Om uw persoonlijke situatie te kunnen beoordelen mag de gemeente naar uw financiële draagkracht kijken.

De gemeente gaat ook op deze manier te werk bij het bepalen van de eigen bijdrage volgens de bijdrageregeling Wmo. Deze regeling stelt voor alle gemeenten grenzen bij het opleggen van eigen bijdragen.

Gemeente mag een aanvraag voor hulp uit de Wmo afwijzen

De gemeente gaat na of de kosten van het gevraagde hulpmiddel (bijvoorbeeld op jaarbasis) lager liggen dan de maximale eigen bijdrage (ook op jaarbasis). Dit doet zij op grond van uw inkomen. Is dat het geval, dan mag de gemeente concluderen, dat u (in beginsel) in staat bent de voorziening of het hulpmiddel zelf te betalen. De gemeente mag dan de aanvraag afwijzen.

Toewijzing van voorziening plus eigen bijdrage Wmo

De gemeente moet daarnaast nagaan of er voor u bijzondere (financiële) omstandigheden zijn die tot een andere uitkomst kunnen leiden. Bijvoorbeeld als u al een eigen bijdrage betaalt voor een andere Wmo-voorziening of voor zorg uit de AWBZ in hetzelfde jaar.

Is dit het geval, dan geldt dat meerdere eigen bijdragen niet boven uw maximale eigen bijdrage mogen uit komen. De gemeente moet dan kiezen voor het verstrekken van het hulpmiddel met betaling van een eigen bijdrage. Het CAK controleert de stapeling van meerdere eigen bijdragen.

Aantal gemeenten hanteert ten onrechte inkomensgrens Wmo

Gemeenten voeren de Wmo uit en beoordelen of u in aanmerking komt voor een hulpmiddel of voorziening uit de Wmo. Een aantal gemeenten in Nederland hanteert misschien nog inkomensgrenzen en/of andere financiële voorwaarden. In die gemeenten moet iemand met meer inkomen dan 150% van de bijstandsnorm, zelf de kosten van een hulpmiddel betalen.

De staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) legt uit datgemeenten geen inkomensgrens mogen stellen of inkomenspolitiek bedrijven. Op 18 januari 2012 heeft  de Centrale Raad voor Beroep deze uitspraak van de staatssecretaris ondersteund door zich uit te spreken tegen een inkomensgrens binnen de Wmo.

Wat u kunt doen als gemeente inkomensgrens Wmo hanteert

U kunt binnen 6 weken bezwaar aantekenen tegen een afwijzing voor ondersteuning vanuit de Wmo. Als u bij een vorige afwijzing op grond van uw inkomen nog geen bezwaar heeft gemaakt, kunt u weereen aanvraag indienen. De gemeente zal uw aanvraag opnieuw moeten beoordelen naar de huidige stand van zaken.

(Bron: Overheid)

Normen geautomatiseerd rittenregistratiesysteem vastgesteld door fiscus

De Belastingdienst heeft het normenkader vastgesteld voor geautomatiseerde rittenregistratiesystemen. Systemen die aan deze normen voldoen kunnen worden gebruikt voor die situaties waarin een rittenregistratie is vereist voor fiscale doeleinden.

Met de bekendmaking van dit normenkader wordt de markt in de gelegenheid gesteld in te spelen op deze door de Belastingdienst vastgestelde normen.

Op dit moment kunnen geautomatiseerde rittenregistratiesystemen die voldoen aan het normenkader gebruikt worden om aan te tonen dat niet meer dan 500 kilometer privé wordt gereden met ‘auto van de zaak’. Die rittenregistratie is nodig om bijtelling te voorkomen. Straks zullen deze kastjes ook een rol gaan spelen in de gestaffelde bijtelling waar momenteel onderzoek naar plaatsvindt. Als dit onderzoek positief blijkt, is het streven dat deze gestaffelde bijtelling in 2013 van start gaat voor de bestelauto van de zaak.

(Bron: Belastingdienst)

Partijen die van plan zijn een rittenregistratiesysteem te gaan ontwikkelen kunnen zich aanmelden voor een startbijeenkomst. Aanmelden kan telefonisch bij het Landelijk Coördinatiecentrum Auto 088 158 17 12.

De vooringevulde aangifte 2011, aandachtspunt het ingevulde brutoloon

Particulieren kunnen vanaf 1 maart weer aangifte doen met de vooraf ingevulde aangifte. Dit jaar is een deel van de lijfrentepremies vooraf ingevuld. Ook is een eerste stap gezet met het invullen van de hypotheekgegevens en de dividendbelasting.

 

In de vooraf ingevulde aangifte vult de Belastingdienst een aantal gegevens alvast in zoals naam, adres, woonplaats, loon of studiefinanciering en de WOZ-waarde van een koopwoning. Vanaf dit jaar komt daar een deel van de lijfrentepremies bij. Ook is een eerste stap gezet met het invullen van de hypotheekgegevens en dividendbelasting. Die gegevens zijn vanaf 12 maart bij een deel van de mensen ingevuld. Het voorinvullen van bankgegevens wordt in de komende jaren stapsgewijs uitgebreid. Staatssecretaris Frans Weekers van Financiën: “Met deze uitbreiding van de vooringevulde aangifte maken we het de mensen weer iets gemakkelijker”.

 

Extra aandacht

 Ieder jaar besteedt de Belastingdienst extra aandacht aan een thema bij de behandeling van de aangifte. Dit jaar is dat het ingevulde loon. Uit steekproeven is gebleken dat er fouten worden gemaakt door het verkeerd of niet invullen van loon. In de meeste gevallen is er sprake van slordigheid of onwetendheid. Mensen maken minder fouten als zij de vooraf ingevulde aangifte gebruiken. Belastingplichtigen moeten de vooringevulde gegevens controleren, aanvullen en waar nodig wijzigen. Met de vooringevulde aangifte is aangifte doen makkelijker en kost het minder tijd. Vorig gebruikten bijna 4 miljoen mensen de vooraf ingevulde aangifte.

 

Jongeren

 De Belastingdienst is weer gestart met de jaarlijkse voorlichtingscampagne voor jongeren met vakantiewerk of een bijbaantje. Via radiospotjes op populaire jongerenzenders en internet worden zij op de mogelijkheid gewezen om belastinggeld terug te vragen.

 ”Jongeren kunnen met een half uurtje werk soms wel een paar honderd euro van de Belastingdienst terug krijgen. Dat is makkelijk verdiend dus doe belastingaangifte”, roept staatssecretaris Frans Weekers van Financiën deze groep op.

 Werkgevers houden voor jongeren met een (tijdelijk) vakantie- of bijbaantje vaak voor het hele jaar ineens loonheffing en premies in. Met behulp van de het aangifteprogramma kan er in de meeste gevallen in nog geen half uur tijd een flink bedrag aan belasting worden teruggevraagd. Omdat niet alle jongeren dat doen is dit keer de rode draad van de voorlichtingscampagne dat harde werkers recht op meer hebben.

 Deze teruggaaf kan tot 5 jaar terug worden aangevraagd, dus tot en met 2007. Meer informatie over de belastingteruggaaf voor jongeren met een vakantie- of bijbaantje is te vinden op:www.belastingdienst.nl/jongeren enwww.makkelijkverdiend.nl.

 Vragen over de aangifte

 De BelastingTelefoon is in maart extra geopend voor vragen over de aangifte: op vrijdag van 17.00 tot 20.00 uur en op zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur. Vorig jaar belden in de aangifteperiode ruim 1 miljoen mensen naar de BelastingTelefoon. Vanaf 13 februari kunnen mensen ook via twitter vragen stellen over hun aangifte. Het account met de naam @BDaangifte heeft ruim 2600 volgers en is bereikbaar tot en met 31 maart.

(Bron: Rijksoverheid)

De 11 belangrijkste aftrekposten van 2011 in de prive-aangifte inkomstenbelasting

Aftrekpost 1: De eigen woning
Ook dit jaar levert de eigen ­woning de meeste aftrek op. Ten eerste is natuurlijk de hypotheekrente aftrekbaar gedurende maximaal 30 jaar. Daarbij is het volgende belangrijk om te weten:

  • Een aantal kosten zijn alleen aftrekbaar in het jaar dat u de woning koopt.
  • Sommige kosten zijn niet ‘direct’ aftrekbaar, maar als u er geld voor hebt geleend, valt deze schuld in box 1. De rente die u daarover betaalt, is wél aftrekbaar.

Aftrekpost 2: Geen (of kleine) eigenwoningschuld
Wie z’n hypotheekschuld voortvarend wegwerkt, wordt beloond met een extra aftrekpost. Deze regeling komt erop neer dat woningbezitters die hun huis (bijna) hebben afbetaald, geen eigen­woningforfait meer bij hun ­inkomen hoeven op te tellen.

Voorbeeld
Joke heeft een eigen woning met een WOZ-waarde van €200.000. Zij heeft de hypotheek helemaal afgelost. In haar aangifte moet ze het forfait aangeven van 0,55% van €200.000 = €1100. Omdat ze geen hypotheekrente meer aftrekt, krijgt ze een aftrekpost van €1100. Per saldo geeft ze dus niets aan.

Aftrekpost 3: Rijksmonument
Bent u eigenaar van een Rijks­monument? Voor de Belastingdienst is het van belang of het gaat om een eigen woning (belast in box 1) of een andere onroerende zaak (box 3). Is het monument een eigen woning, dan zijn de onderhoudskosten, lasten (met uitzondering van financierings­lasten) en afschrijvingen aftrekbaar, verminderd met 0,8 procent van de eigenwoningwaarde.

Is het monument geen eigen woning, dan zijn alleen de onderhoudskosten aftrekbaar, verminderd met 4 procent van de waarde in het economische verkeer. De kosten, lasten en afschrijvingen op het monumentenpand mogen in hun totale omvang hetgeen ­gebruikelijk is niet overtreffen. Goed om te weten: ook de kosten van monumentale tuinen en parken kunnen vallen onder monumentenuitgaven.

Aftrekpost 4: Lijfrentepremies
Sinds 2011 zijn lijfrentepremies alleen aftrekbaar in het kalenderjaar waarin ze zijn betaald. Dit geldt niet voor ondernemers; zij kunnen wél bij de aangifte van 2011 lijfrentepremies aftrekken die ze in de eerste zes maanden van 2012 hebben betaald of verrekend.Het gaat onder meer om:

  • Premies voor lijfrenten of bankspaarproducten voor het opvangen van een pensioentekort. Denk aan de oudedagslijfrente, nabestaandenlijfrente en tijdelijke oudedagslijfrente (waarvan de jaarlijkse opbrengst maximaal €20.602 bedraagt).
  • Premies voor lijfrenten voor een meerderjarig invalide ­(klein)kind (die stoppen bij zijn of haar overlijden).
  • Een bijdrage voor een ANW-­uitkering wegens een onver­zekerbaar overlijdensrisico.

Goed om te weten: de aftrekbaarheid van lijfrentepremies is afhankelijk van uw jaar- en ­reserveringsruimte. Deze kunt u berekenen op www.belastingdienst.nl

Aftrekpost 5: Reiskostenaftrek
U komt in aanmerking voor reiskostenaftrek als er sprake is van ‘regelmatig woonwerkverkeer’ met het openbaar vervoer. U moet ten minste eenmaal per week heen en weer reizen, en op jaarbasis 40 dagen of meer. Afhankelijk van de afstand naar het werk (enkele reis) loopt de aftrek op van €428 per jaar tot €2001 (bij 90 km en meer). Kreeg u van uw werkgever een reiskostenvergoeding? Dan moet u deze van het vaste bedrag aftrekken.

Aftrekpost 6: Auto van de zaak
Rijdt u als werknemer in een auto van de zaak? Als u zelf kosten betaalt (bijvoorbeeld de benzine op vakanties), dan kunt u dit bedrag in mindering brengen op de bijtelling privégebruik. Deze bijtelling zal de werkgever in zijn loonadministratie opnemen en verwerken in de jaaropgaaf.

Aftrekpost 7: Alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen
Gescheiden? Dit kunt u bij uw ­belastingaangifte aftrekken:

  • Betaalde partneralimentatie.
  • Betaalde afkoopsommen voor alimentatie aan de ex-partner (dus niet: kinderalimentatie).
  • Op u verhaalde bijstand of ­WIJ-uitkering (Wet Investerenin Jongeren).
  • Dat wat u bij de scheiding betaald hebt om pensioenrechten, lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen te verrekenen.

Aftrekpost 8: Levensonderhoud kinderen
Uitgaven aan kinderen tot 30 jaar met onvoldoende inkomen of vermogen om in het eigen onderhoud te voorzien, mag u aftrekken als de kosten per kwartaal minstens €408 bedragen. Er mag geen recht bestaan op kinderbijslag of een overeenkomstige buitenlandse regeling. Het kind mag ook geen recht hebben op een (voorwaardelijke) gift, of prestatiebeurs volgens de Wet op de studie­financiering.
In het overzicht hieronder staat wat u kunt aftrekken:

Aftrekpost 9: Ziekte of invaliditeit
Bij de aftrekpost voor zorgkosten door ziekte of invaliditeit moet u aan verschillende voorwaarden voldoen. Ten eerste: alleen uitgaven van en voor de ­volgende personen zijn aftrekbaar: de belastingplichtige, de partner, de kinderen jonger dan 27 jaar, thuiswonende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder, en de bij belastingplichtige inwonende zorgafhankelijke ouders, broers en zusters. Daarnaast geldt:

  • Het zijn kosten waarvoor geen vergoeding wordt gekregen, en waarvoor u geen recht op een vergoeding hebt van bijvoorbeeld de (aanvullende) zorgverzekering, uw werkgever of de bijzondere bijstand.
  • Kosten die onder een verplicht of vrijwillig eigen risico vallen, zijn niet aftrekbaar.
  • Het zijn kosten waardoor de drempel wordt overschreden. Deze drempel bestaat uit verschillende percentages en is ­afhankelijk van het inkomen.

Verder geldt: u mag het bedrag van de uitgaven voor specifieke zorgkosten verhogen als u aan ­bepaalde voorwaarden voldoet.

U kunt de kosten verhogen met 113 procent als u aan het begin van het jaar 65 jaar of ouder bent én als uw drempel­inkomen over 2011 niet hoger is dan €33.485. Het drempelinkomen is het totaal van uw inkomsten en aftrekposten in box 1, 2 en 3, maar zonder uw persoonsgebonden aftrek.

Bent u jonger dan 65 jaar? Dan is de verhoging 40 procent.

Let op: de verhoging geldt niet voor geneeskundige en heelkundige hulp en voor reiskosten in verband met ziekenbezoek. Kosten die u niet vergoed krijgt omdat u geen basiszorgverzekering hebt afgesloten, zijn niet aftrekbaar.

Goed om te weten: krijgt u een tegemoetkoming via het CAK (Centraal Administratiekantoor) voor kosten die u maakt als chronisch zieke of gehandicapte? Dit is geen ‘vergoeding’ en daarom hoeft u uw aftrek niet te verlagen met deze tegemoetkoming. Dit geldt ook als u een tegemoet­koming krijgt van het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) als u arbeids­ongeschikt bent.

De volgende specifieke ­zorgkosten mag u opvoeren als aftrekpost:

  • Geneeskundige en heelkundige hulp. Daaronder vallen kosten voor de huisarts, tandarts, fysiotherapeut of specialist. Let op: uitgezonderd zijn ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen.
  • Verpleging in een ziekenhuis of een andere verpleeginstelling.
  • Paramedische behandelingen door (of op voorschrift en onder begeleiding van) een arts, zoals acupunctuur, revalidatie, logo­pedie of homeopathie.
  • Vervoer op doktersvoorschrift.
  • Verstrekte farmaceutische hulpmiddelen.
  • Andere hulpmiddelen. Uitgezonderd zijn brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen voor het gezichts­vermogen.
  • Extra gezinshulp voor zover meer dan een drempel.
  • Extra kosten voor dieet die zijn voorgeschreven in een dieetverklaring die is afgegeven door arts of diëtist (forfaitaire bedragen).
  • Extra kleding en beddengoed en daarmee samenhangende extra uitgaven (forfaitaire bedragen).
  • Bepaalde verbouwingen aan de woning.
  • Reizen wegens regelmatig ziekenbezoek. Met de auto €0,19 per km. Met ander vervoer ­(bijvoorbeeld openbaar vervoer) de werkelijke kosten.

Aftrekpost 10: Weekenduitgaven voor gehandicapten
Extra uitgaven voor de verzorging van een persoon die ernstig gehandicapt is, 27 jaar of ouder is, en doorgaans in een inrichting verblijft, kunt u aftrekken. De aftrek geldt voor gehandicapte kinderen, een gehandicapte broer of zus, of een onder mentorschap gesteld gehandicapt persoon. De volgende bedragen mag u aftrekken:

  • €10 per dag voor verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige.
  • €0,19 per km voor het vervoer van de gehandicapte per auto door de belastingplichtige, over de reisafstand tussen de plaats waar de gehandicapte en de belastingplichtige doorgaans verblijft.

Aftrekpost 11: Giften
De Belastingdienst maakt onderscheid tussen periodieke en andere giften. Bij periodieke giften gaat het om vaste en gelijkmatige periodieke betalingen die uiterlijk bij overlijden eindigen. De giften moeten worden gegeven aan kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instellingen of verenigingen, die door de Belastingdienst als zodanig zijn bestempeld.

Periodieke giften zijn altijd aftrekbaar wanneer het gaat om een jaarlijkse verplichting voor ten minste vijf jaar, die bij de notaris met een akte is vastgelegd. Bij andere giften geldt ook dat ze gedaan moeten zijn aan de hierboven genoemde instellingen. Ze zijn pas aftrekbaar als de giften samen meer bedragen dan €60 én meer dan 1 procent zijn van het verzamelinkomen voor aftrek van de persoonsgebonden aftrek. U mag tot maximaal 10 procent van dit verzamelinkomen aftrekken als gift.

Het is goed om per situatie na te gaan wat fiscaal handig kan zijn. Neem gerust via info@ambitions.nu contact met ons op.

Bron: Geld & Recht bewerkt

U komt na afloop van het jaar eracht dat u onjuiste BTW-aangiften heeft gedaan. Wat te doen?

BTW-supletieformulier vanaf 1 april verplicht

Hebt u over de afgelopen 5 jaar te veel of te weinig btw aangegeven? Dan bent u verplicht dit te melden aan de Belastingdienst. Deze verplichting bestaat sinds 1 januari. Vanaf 1 april moet u deze btw-correcties aangeven met een verplicht gesteld suppletieformulier. U kunt dit formulier vinden in het beveiligde gedeelte van belastingdienst.nl, of hier downloaden. U kunt de formulieren nu ook al gebruiken.

Kleine correcties

Om uw administratieve lasten te beperken, mag u kleine btw-correcties – dat wil zeggen tot per saldo 1000 euro (te betalen of terug te ontvangen) – ook verwerken in uw eerstvolgende aangifte omzetbelasting. Let op: verwerk hierbij wel de correcties in de juiste rubrieken van de aangifte. Bij correctie in de reguliere aangifte ontvangt u geen naheffingsaanslag of afzonderlijke teruggaafbeschikking voor de correctie.

Bron: belastingdienst

Welke voorwaarden gelden voor de tegemoetkoming chronisch zieken of gehandicapten over 2011?

Om de algemene tegemoetkoming over 2011 uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) in te ontvangen moet u aan een aantal voorwaarden voldoen. De voorwaarden hebben betrekking op uw zorggebruik en uw indicaties voor zorg. De tegemoetkoming over 2011 wordt in december 2012 uitgekeerd.

 

* Voorwaarden voor de tegemoetkoming Wtcg over 2011

* Automatisch bericht over tegemoetkoming Wtcg

* Recht op tegemoetkoming Wtcg bij overlijden verzekerde

* Wtcg tegemoetkoming over vorige jaren aanvragen

* Wtcg bij behandeling in het buitenland

* Wtcg-test

 

Voorwaarden voor de tegemoetkoming Wtcg over 2011

 

Om de tegemoetkoming Wtcg in 2012 te kunnen ontvangen, moet u in 2011, hebben voldaan aan 1 of meer van de onderstaande voorwaarden:

 

1. U gebruikte in 2011 geneesmiddelen voor een bepaalde chronische aandoening in een minimale dagelijkse doses. Het medicijn moet wel voorkomen op de Wtcg-lijst met geneesmiddelencodes (ATC’s).

2. U bent in 2010 behandeld in het ziekenhuis voor een bepaalde chronische aandoening. De aandoening moet wel voorkomen op de Wtcg-lijst met behandelcodes (DBC’s). Het maakt niet uit of het ging om een poliklinische behandeling, dagbehandeling of opname.

3. U kreeg in 2010 of 2011 een vergoeding voor een hulpmiddel dat voorkomt op de Wtcg-lijst van hulpmiddelen. Het gebruik van hulpmiddelen telt voor een aantal middelen 1 jaar meet voor een tegemoetkoming. Een groot aantal telt 3 achtereenvolgende jaren mee voor een tegemoetkoming. Dit wordt gerekend vanaf het jaar waarin uw zorgverzekeraar er een vergoeding voor heeft gegeven.

Niet alle hulpmiddelen tellen mee; pruiken, anticonceptiemiddelen, verbandmiddelen en diabeteshulpmiddelen vallen er buiten. Let op: als u aan deze voorwaarde voldoet moet u daarnaast ook voldoen aan voorwaarde 1 of 2.

4. U was in 2011 18 jaar of ouder en kreeg in 2011 fysiotherapie of oefentherapie die de zorgverzekeraar heeft vergoed vanuit de basisverzekering. Alleen behandelingen voor chronische aandoeningen die op de lijst met aandoeningen staan, tellen mee.

Of u was in 2011 jonger dan 18 jaar en kreeg in 2010 én in 2011 minstens 9 behandelingen oefentherapie die de zorgverzekeraar heeft vergoed vanuit de basisverzekering.

5. U bent in 2010 behandeld in of door een erkend revalidatiecentrum dat voorkomt op de lijst met erkende revalidatiecentra. Revalidatie in algemene ziekenhuizen telt niet mee voor de algemene tegemoetkoming Wtcg.

6. U of uw kind had in 2011 een geldige indicatie van het CIZ of Bureau Jeugdzorg. De indicatie is voor:

* langdurige zorg, verpleging of begeleiding thuis vanuit de AWBZ, of voor

* langdurig verblijf in een AWBZ-instelling.

Bij zorg thuis moet het gaan om minimaal 26 weken zorg per kalenderjaar, minimaal 1 uur of 1 dagdeel per week. De AWBZ-indicaties worden sinds 2010 bij elkaar opgeteld. Bijvoorbeeld: u heeft een indicatie voor 6 uur verpleging en een indicatie voor 3 dagdelen dagopvang per week; 1 dagdeel staat gelijk aan 2,5 uur, dus 3 dagdelen dagopvang is gelijk aan 3 x 2,5 uur = 7,5 uur. Bij elkaar opgeteld heeft u indicaties voor 6 + 7,5 = 13,5 uur AWBZ-zorg per week.

7. U had in 2011 een geldige indicatie van de gemeente voor hulp bij het huishouden vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) voor minimaal 26 weken per kalenderjaar, minimaal 1 uur per week. Het maakt niet uit of u de zorg in natura kreeg of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

8. U had op 31 december 2011 een geldige Wmo-indicatie van de gemeente voor gebruik van een rolstoel in 2011. Het maakt niet uit of u de rolstoel van de gemeente heeft gekregen of deze zelf heeft aangeschaft met een persoonsgebonden budget (pgb).

 

Automatisch bericht over tegemoetkoming Wtcg

 

U hoeft zelf niets te doen om een Wtcg-tegemoetkoming te krijgen. Als u aan de voorwaarden voldoet, ontvangt u in oktober of november automatisch een brief van het CAK. In december wordt de tegemoetkoming uitgekeerd.

Recht op tegemoetkoming Wtcg bij overlijden verzekerde

 

Sinds 1 januari 2010 geldt de jaarvoorwaarde. Dit betekent dat het recht op een Wtcg-tegemoetkoming vervalt als de verzekerde in het tegemoetkomingsjaar (=2011) overlijdt.

 

Komt iemand te overlijden in het jaar dat de tegemoetkoming wordt uitgekeerd (=2012), dan blijft het recht op tegemoetkoming geldig. De tegemoetkoming gaat in dat geval naar de nabestaanden.

Wtcg tegemoetkoming over vorige jaren aanvragen

 

U kunt tot 5 jaar achteraf een Wtcg tegemoetkoming aanvragen bij het CAK als u meent ten onrechte geen tegemoetkoming te hebben ontvangen. U kunt de externe link: Wtcg-test doen om te zien of u voor een bepaald jaar in aanmerking kwam.

Wtcg bij behandeling in het buitenland

 

Hulp, behandelingen en geneesmiddelen die u in het buitenland heeft verkregen, tellen niet mee voor de vaststelling van het recht op een tegemoetkoming uit de Wtcg.

Wtcg-test

 

Medio 2012 kunt u de externe link: Wtcg-test weer doen. Als u wilt weten of u in 2012 recht heeft op de Wtcg-tegemoetkoming over 2011, kunt u dit op de computer berekenen. De uitkomst van de test is niet definitief. U kunt er dus geen rechten aan ontlenen.

(Bron: Overheid)

Giftenaftrek op basis van vrijwilligersverklaring van goeddoelorganisatie

In 2011 is er veel discussie geweest over zogeheten vrijwilligersverklaringen die algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) in toenemende mate bleken af te geven. In de verklaring wordt veelal aangegeven dat de vrijwilliger recht heeft op een kostenvergoeding tot € 1.500 per jaar maar daarvan vrijwillig afziet. Aldus zou die verklaring tot dat bedrag een giftenaftrek moeten opleveren. Hoewel de vrijwilligersverklaring geen officieel stuk is en de aftrek eigenlijk onmogelijk kan zijn gebaseerd op basis van alleen een dergelijke verklaring is onder grote politieke druk over de afgelopen jaren een zeer soepel beleid ontstaan. Mogelijk kunt u daar nog gebruik van maken en hoe zit dat bij uw aangifte over 2011?

Vrijwilligersvergoedingen

Vrijwilligers krijgen in het algemeen geen echte beloning voor hun werk. Maar zij maken soms wel degelijk kosten en de instelling of vereniging kan zulke kosten natuurlijk wel belastingvrij vergoeden. Meestal gaat het maar om heel kleine bedragen. Om nu te voorkomen dat instellingen en verenigingen allerlei bonnetjes moeten gaan bewaren om te kunnen aantonen dat de betalingen aan de vrijwilligers echte kostenvergoedingen zijn, is geregeld dat vergoedingen tot € 1.500 per jaar belastingvrij mogen worden uitbetaald. Tot dat bedrag controleert de Belastingdienst ook niet of er wel echte kosten tegenover staan.
­
In feite kan de vergoeding daardoor in de praktijk dan tevens enige beloning betekenen voor het verrichte vrijwilligerswerk. Vergoedingen boven € 1.500 per jaar moeten overigens wel voor het volle bedrag aangetoond kunnen worden.

Aftrek bij ontbreken vergoeding

Veel verenigingen of instellingen hebben helemaal geen geld om kostenvergoedingen te betalen. Daar doen de vrijwilligers meestal ook niet moeilijk over. Dan betalen ze die kosten gewoon zelf. In feite schenken zij dan het bedrag van hun gemaakte kosten aan de instelling. Die schenking kan vervolgens een aftrekbare gift opleveren, indien de instelling waarvoor zij werken een erkende goeddoelinstelling is, bijvoorbeeld een kerk of een welzijnsorganisatie. De instelling moet dan een zogenoemde ANBI-beschikking van de Belastingdienst hebben. Op de internetsite van de Belastingdienst kunt u zien of een instelling als ANBI wordt aangemerkt.
­
Maar welke kosten zijn nu als gift aftrekbaar? De Hoge Raad heeft bepaald dat kosten in ieder geval als gift aftrekbaar zijn als de vrijwilliger recht heeft op een vergoeding voor de kosten die hij maakt, maar van dat recht vrijwillig afziet. De rechter stond echter ook giftenaftrek toe als de vrijwilliger geen vergoeding kan krijgen omdat de instelling slecht bij kas zit, maar wel kosten heeft gemaakt die ‘naar algemeen aanvaarde maatschappelijke maatstaven’ vergoed zouden moeten worden. Kortom: het moet dan min of meer normaal zijn dat dergelijke instellingen bedoelde kosten wel vergoeden.
­
De instellingen speelden daar op een bijzondere wijze op in. Zij gaven geen vergoedingen aan hun vrijwilligers, maar reikten een verklaring  uit waarin staat dat zij recht zouden hebben op € 1.500 aan kostenvergoeding, maar dat zij daarvan vrijwillig hebben afgezien. De vrijwilliger claimt vervolgens voor dat bedrag aftrek van giften.
­
Zo simpel kan het echter niet zijn. Giften moeten volgens de wet “met schriftelijke bescheiden gestaafd kunnen worden”. Een formulering die wat zwaar aandoet maar waaruit in ieder geval wel blijkt dat er bewijsstukken van de kosten moeten zijn. Op die manier kan de inspecteur ook beoordelen of het hier wel gaat om kosten die normaal gesproken vergoed zouden moeten worden.

Onder politieke druk toch heel soepel beleid

Bij politici spelen de kiezersgunsten een grote rol en zij blijken niet te schromen om daarvoor een correcte wetstoepassing te laten sneuvelen. Hoewel aftrek niet te verdedigen is op basis van louter de vrijwilligersverklaring van de instelling is er in de loop van 2011 onder grote politieke druk (een kamerbreed gesteunde motie) een zeer soepel beleid  tot stand gekomen. De achtergrondgedachte daarbij was dat de vrijwilligers te goeder trouw meenden dat de verklaring hun bepaalde rechten gaf.

Als de vrijwilliger aftrek heeft gevraagd en gehad zal de Belastingdienst daar over de jaren 2008 tot en met 2010 in ieder geval niet meer op terugkomen (dus geen navorderingsaanslagen), tenzij sprake is van een zwaar vermoeden van misbruik. Het doet er niet toe of de aftrekpost terecht is verleend of niet, en dus is zelfs ook niet van belang of er überhaupt wel kosten zijn gemaakt.
­
Als er nog aanslagen over die jaren worden opgelegd zal evenmin een correctie worden toegepast maar voor die situatie moet het wel aannemelijk zijn dat de vrijwilliger kosten heeft gemaakt. De gemaakte kosten worden dan overigens wel met coulance beoordeeld als de vrijwilliger geen bonnetjes heeft bewaard en daarom de kosten niet echt kan onderbouwen. Reeds aangebrachte correcties worden op verzoek weer teruggenomen.
­
Als u beschikt over een vrijwilligersverklaring van een ANBI en u aannemelijk kunt maken dat u kosten voor de instelling hebt gemaakt kunt u voor die kosten over de genoemde jaren 2008 t/m 2010 alsnog om toepassing van het soepele beleid vragen. Dat kunt u ook nog doen voor aanslagen over jaren waarvoor de bezwaartermijn al lang en breed is verstreken. Het is wel van belang dat het gaat om een vergoeding voor daadwerkelijke kosten en niet om andersoortige vergoedingen (zoals een beloning voor verrichte vrijwilligerswerkzaamheden). Daarop ga ik aan het slot nog in.

Hoe zit het met de vrijwilligerskosten in uw aangifte over 2011?

Voor het jaar 2011 lijkt me het genoemde beleid goeddeels ook nog van toepassing, mede omdat de beleidswijziging pas in de loop van 2011 heeft plaatsgevonden en eerst vanaf 2012 daadwerkelijk een nieuwe regeling in de wet is neergelegd. Hoewel de fiscus hier toch wat moeilijker over zou kunnen doen door echte bewijsstukken te vragen  ga ik er vooralsnog vanuit dat u ook voor 2011 met de vrijwilligersverklaring uw kosten nog als giften kunt aftrekken als u aannemelijk kunt maken dat u daadwerkelijk kosten voor de instelling hebt gemaakt.

Hoe zit het met de vergoeding voor verrichte vrijwilligerswerkzaamheden?

Ook als u voor uw werkzaamheden voor de ANBI-instelling daadwerkelijk een vergoeding kunt krijgen maar daarvan vrijwillig afziet, kan het bedrag van deze vergoeding onder de giftenaftrek vallen. Dan gelden er echter wel wat zwaardere voorwaarden, zoals:

  • De financiële situatie van de ANBI is zo dat zij de vergoeding ook kan uitbetalen.
  • De ANBI heeft de bedoeling om de vergoeding daadwerkelijk uit te betalen.
  • U moet zelf kunnen bepalen dat u de vergoeding niet wilt ontvangen en aan de ANBI      schenkt.

(Bron: Kluwer Belastinggids)

Dit mag u aftrekken per 1 januari 2012

Voor ondernemers zijn er diverse aftrekposten. Als eerste de ondernemersaftrek, bestaande uit de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, stakingsaftrek en de Mkb-vrijstelling. Daarnaast is er de investeringsaftrek, bestaande uit de kleinschaligheidsaftrek, energie-investeringsaftrek, miliueu-investeringsaftrek en de desinvesteringsbijtelling. In dit overzicht vindt u de voorwaarden en de bedragen voor 2012.

De ondernemersaftrek

De ondernemersaftrek bestaat uit: de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, stakingsaftrek en de mkb-vrijstelling.

Zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek is vanaf 1 januari 2012 een vast bedrag van € 7.280, onafhankelijk van de hoogte van de winst.

– De zelfstandigenaftrek voor niet-starters kan niet meer verrekend worden met ander box 1-inkomen, zoals loon of een VUT-uitkering. Als daardoor (een deel van) de zelfstandigenaftrek niet kan worden verrekend, wordt de niet verrekende zelfstandigenaftrek maximaal 9 jaar voortgewenteld om alsnog te verrekenen met winst. 

 – Startende ondernemers kunnen de zelfstandigenaftrek (inclusief de startersaftrek) gedurende 3 jaar nog wel verrekenen met ander box 1-inkomen. 

– Daarnaast blijft voor starters de reguliere verrekening over de jaren heen gelden. 

 – Een ondernemer die aan het begin van het kalenderjaar 65 jaar is, heeft recht op 50% van de zelfstandigenaftrek.

Startersaftrek De startersaftrek in 2012 bedraagt € 2.123 (onveranderd).

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid blijft ongewijzigd: in het eerste jaar € 12.000, in het tweede jaar € 8.000 en in het derde jaar € 4.000.

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk De aftrek speur- en ontwikkelingswerk komt in 2012 uit op € 12.310. Dat bedrag mag u verhogen met € 6.157 als u in 1 of meer van de 5 voorgaande kalenderjaren geen ondernemer was en in die periode niet vaker dan 2 keer deze aftrek hebt toegepast.

Meewerkaftrek Niet gewijzigd in 2012.

Aantal uren gelijk of meer dan Maar minder dan Meewerkaftrek
525 875 1.225 1.750 875 1.225 1.750 1,25% v/d winst 2,00% v/d winst 3,00% v/d winst 4,00% v/d winst

Stakingsaftrek De stakingsaftrek bedraagt in 2012 € 3.630.

Mkb-vrijstelling De Mkb-vrijstelling blijft staan op 12% van de winst na ondernemersaftrek.

Oudedagsreserve U mag elk kalenderjaar 12% van uw winst als aftrekpost aan de oudedagsreserve toevoegen. Dit bedrag mag echter in 2012 niet boven de € 9.382 uitkomen (2011: € 11.882).

De investeringsaftrek De investeringsaftrek bestaat uit de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), energieinvesteringsaftrek (EIA), milieu-investeringsaftrek (MIA), de desinvesteringsbijtelling en de Research and Development Aftrek (RDA).

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Tabel Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek 2012

Investering meer dan

Maar niet meer dan

Aftrek

– € 2.300 € 55.248  € 102.311 € 306.931 € 2.300 € 55.248 € 102.311 € 306.931 – 0% 28% € 15.470 € 15.470 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 102.311 te boven gaat 0

De energie-investeringsaftrek (EIA) De energie-investeringsaftrek (EIA) in 2012 bedraagt 41,5%. Dit percentage geldt tot en met 2013. In 2014 wordt het weer 44%.

Het minimumbedrag van de EIA is € 2.300 (was € 2.200). Het maximum € 118 miljoen (was € 116 miljoen).

Download: De energielijst 2012

De milieu-investeringsaftrek (MIA) De MIA geldt voor investeringen die op de Milieulijst staan. Hij is van toepassing bij een investeringsbedrag boven de € 2.300 (was € 2.200). Per bedrijfsmiddel komt niet meer dan € 25 miljoen in aanmerking.

Download: Milieulijst 2012

Tabel milieu-investeringsaftrek 2012 (tot en met 2013)

Categorie

Aftrek

I II III

36% 27% 13,5%

Desinvesteringsbijtelling Het bedrag van de desinvesteringsbijtelling is € 2.300 (was € 2.200).

Research en Development Aftrek (RDA) De RDA is gericht op de S&O-uitgaven van ondernemers die niet zien op arbeid, bijvoorbeeld investeringen in apparatuur en materialen. Het is een extra aftrekpost bij de fiscale winstbepaling.

De RDA bedraagt in 2012 40% van de door Agentschap NL vastgestelde kosten en uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan S&O (erkend in een S&O-verklaring).

Overigen

Extra lijfrentepremieaftrek stakende ondernemers De extra ruimte aan lijfrentepremieaftrek bij ondernemers die hun onderneming of een gedeelte van hun onderneming staken bedraagt maximaal:

  • Bij overdrachten door ondernemers van 60 jaar of ouder; Overdrachten door invalide ondernemers; Het staken van de onderneming door overlijden: € 443.059 (2011: € 435.652)
  • Overdrachten door ondernemers van 50 tot 60 jaar; Overdrachten door ondernemers indien de lijfrente-uitkeringen direct ingaan: € 221.537 (2011: € 217.833)
  • Overige gevallen: € 110.774 (2011: € 108.922)

(Bron: De Zaak)

Actuele aanpassingen in de autobelastingen 2012

Onderwerpen die aan de orde komen: Wijzigingen fiscale bijtelling auto van de zaak, Extra aanscherping d.m.v. invoering 60-maanden termijn, Overgangsregeling voor huidige (zeer) zuinige auto’s, Nieuw regime elektrische auto’s 2014
Alternatief voor rittenregistratie bestelauto’s ondernemers, Aanscherping BPM-vrijstelling voor zeer zuinige auto’s
Overzicht BPM-heffing 2011-2015 voor gangbare auto’s, Vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor zeer zuinige auto’s vervalt
Kortingsregeling jaarbetaling motorrijtuigenbelasting vervalt, Oldtimervrijstelling voor 30 jaar oude auto’s, Nieuwe regels in de omzetbelasting voor privégebruik auto van de zaak.Inkomstenbelasting en loonbelastingWijzigingen fiscale bijtelling auto van de zaak

Voor de auto van de zaak geldt een fiscale bijtelling, het autokostenforfait. Het autokostenforfait bedraagt een bepaald percentage van de catalogusprijs van de auto. Er gelden 4 percentages: 25%, 20% en 14% en 0%. Een en ander is afhankelijk van de op emissienormen gebaseerde CO2-uitstoot van de auto. Hoe schoner de auto is, des te lager is het autokostenforfait.De emissienormen worden de komende jaren fors aangescherpt. In onderstaande tabel kunt u lezen hoe schoon een auto van de zaak de komende jaren moet worden om voor een lage(re) fiscale bijtelling van 20% of 14% in aanmerking te komen en voor welke auto’s een bijtelling van 25% geldt.



NB

Zie voor het 0%-procent tariefhet bericht “Nieuw regime elektrische auto’s 2014”

Extra aanscherping d.m.v. invoering 60-maanden termijn
Vanaf 1 juli 2012 geldt het dan geldende bijtellingspercentage voor nieuw gekochte auto’s nog ‘slechts’ voor een periode van 60 maanden. Na afloop van deze periode moet opnieuw worden bekeken of de auto nog schoon genoeg is om voor het lage(re) bijtellingspercentage in aanmerking te komen.

Overgangsregeling voor huidige (zeer) zuinige auto’s

Op dit moment geldt voor auto’s met een CO2-uitstoot van minder dan 111 gr/km (diesel: <96) een bijtelling van 14%. Voor auto’s met een CO2-uitstoot tussen de 111 en 140 gr/km geldt op dit moment een bijtelling van 20%. Deze auto’s kunnen de komende jaren uiteraard niet zuiniger worden en dus zou het fiscale voordeel van de lage(re) bijtelling door de aangescherpte emissienormen al snel komen te vervallen. Het kabinet vindt dat ongewenst en daarom komt er een overgangsregeling.
De overgangsregeling houdt in dat als de eerste tenaamstelling van de auto plaats heeft gevonden voor 1 juli 2012, het vanaf die datum geldende bijtellingspercentage ‘eeuwigdurend’ blijft behouden. Daaraan wordt wel de voorwaarde gekoppeld dat de auto niet van eigenaar mag wisselen.
Als de eerste tenaamstelling van de auto voor 1 juli 2012 heeft plaatsgevonden en de auto na 1 juli 2012 van eigenaar wisselt geldt de volgende regeling: het bijtellingspercentage zoals dat gold voor 1 juli 2012 blijft behouden tot 1 juli 2017. Op die datum wordt opnieuw bekeken hoe schoon de auto is en welk bijtellingspercentage alsdan in aanmerking moet worden genomen. Wisselt de auto bijvoorbeeld op 1 januari 2015 van eigenaar. Dan geldt voor de nieuwe eigenaar tot 1 juli 2017 het oude percentage zoals dat gold voor 1 juli 2012.

Tip!

Overleg met uw adviseur of het zinvol is om nog voor 1 juli 2012 een (zeer) zuinige auto aan te schaffen. Doe dat wel tijdig want voor sommige typen (zeer) zuinige auto’s geldt een levertijd van enkele maanden. Doorslaggevend voor het gebruik van de overgangsregeling is immers dat het kenteken van de nieuwe auto voor 1 juli 2012 op naam is gesteld.

Nieuw regime elektrische auto’s 2014
Op dit moment geldt voor elektrische auto’s en plug-in hybrides van de zaak die ook privé worden gereden een bijtelling van 0%. De Tweede Kamer heeft echter definitief besloten om met ingang van 1 januari 2014 een bijtelling van 7% in te voeren voor deze auto’s. Het gaat hierbij om auto’s waarvan het kenteken op of na 1 januari 2014 voor het eerst op naam wordt gesteld.
Gaat het om een auto die reeds voor 1 januari 2012 op naam is gesteld, dan bedraagt de bijtelling tot 1 januari 2017 0%. Daarna gaat de bijtelling 7% bedragen als de auto nog aan de dan geldende emissienormen voldoet.
Voor auto’s waarvan het kenteken voor het eerst op naam wordt gesteld in de jaren 2012 en 2013 bedraagt de fiscale bijtelling 0% gedurende 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld.

Alternatief voor rittenregistratie bestelauto’s

Werknemers die een fiscale bijtelling voor het privégebruik van een bestelauto van de zaak willen voorkomen zijn tot op heden aangewezen op het bijhouden van een sluitende rittenadministratie. Met ingang van 1 januari 2012 komt er echter een alternatief. Werkgever en werknemer kunnen dan gezamenlijk bij de Belastingdienst verklaren dat de bestelauto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Met deze gezamenlijke verklaring wordt aangegeven dat met de bestelauto geen enkele kilometer privé wordt gereden, waarmee een bijtelling kan worden voorkomen.
Een rittenregistratie is gedurende de periode dat een dergelijke verklaring door de Belastingdienst is afgegeven, niet langer noodzakelijk.
Deze verklaring wordt toegevoegd aan het bestaande instrumentarium. Het is namelijk ook nu al mogelijk om een bijtelling te voorkomen als er sprake is van een verbod van de werkgever om de bestelauto privé te gebruiken. De bestelauto wordt dan aan het einde van de werkdag op de werkplek achter gelaten. Voorts is het op dit moment ook al mogelijk om een bijtelling te voorkomen door middel van een sluitende rittenregistratie. De bestaande instrumenten worden op korte termijn dus niet afgeschaft, wel wordt een alternatief aangeboden waarmee de rittenregistratie kan worden voorkomen.
Door de Belastingdienst zal hiervoor een digitaal formulier ter beschikking worden gesteld. De ondernemer kan de rittenregistratie achterwege laten als hij van de inspecteur een ontvangstbevestiging van de verklaring heeft ontvangen.
De ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ is ook van toepassing voor de IB-ondernemer die in een bestelauto rijdt van zijn onderneming.

Controle
De Belastingdienst gaat de naleving van de verklaring door middel van zogenaamd ‘ambulant toezicht’ (bijvoorbeeld cameratoezicht) controleren. Indien de inspecteur als gevolg van bijvoorbeeld camerabeelden het vermoeden heeft dat een bestelauto voor privédoeleinden wordt gebruikt terwijl er ten aanzien van die auto een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto is afgegeven, wordt contact gezocht met de werknemer en de werkgever. Zij krijgen de mogelijkheid het zakelijke karakter van de rit aan te tonen. Slagen zij daarin niet dan volgt een naheffingsaanslag.
Indien de werkgever een onjuiste verklaring heeft afgelegd, indien hij de werknemer toestemming heeft gegeven of als hij weet dat de werknemer de auto voor privédoeleinden gebruikt, dan wordt de naheffingsaanslag aan de werkgever opgelegd. Daarnaast kan een boete worden opgelegd op grond van het niet nakomen van informatieverplichtingen.

Tip!

Aan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt de voorwaarde verbonden dat de auto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Ga met uw adviseur na of dit een haalbare optie is alvorens te kiezen voor deze regeling. Dat kan ongewenste naheffingsaanslagen en boeten voorkomen.

Belasting op personenauto’s en Motorrijwielen (BPM)

Aanscherping BPM-vrijstelling voor zeer zuinige auto’s

Voor de zuinigste auto’s zal een vrijstelling van BPM blijven bestaan, zij het dat de grenzen van de in de BPM opgenomen CO
2-schijven jaarlijks per 1 januari (in 2012 per 1 juli) naar beneden worden bijgesteld. Per 1 januari 2015 zullen de grenzen (voorlopig?) voor het laatst worden verlaagd. De bestaande tariefverschillen tussen benzine- en dieselauto’s zijn dan verdwenen.

Vrijstellinggrenzen BPM 2011-2015 (gr/km)
2011 1/1/2012 1/7/2012 2013 2014 2015Benzine <111 <111 <103 <96 <89 <83
Diesel < 96 < 96 < 92 <89 <86 <83

Tip!

Bent u van plan om in 2012 een nieuwe auto te kopen waarvoor nu een BPM-vrijstelling bestaat? Ga dan na of u dit voor 1 juli 2012 moet doen. Het is immers op dit moment de vraag of het model van uw keuze na 1 juli 2012 nog voldoet aan de per die datum aangescherpte CO2-normen.

Overzicht BPM-heffing 2011-2015 voor gangbare auto’s
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van een aantal voorbeelden van auto’s (prijspeil 2011) en de verschuldigde BPM die voor deze auto’s in de jaren 2012 tot en met 2015 van toepassing zal zijn.

Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor zeer zuinige auto’s vervalt

Tot 1 januari 2014 blijft de huidige vrijstelling van de MRB voor zeer zuinige auto’s gehandhaafd en gelden de huidige CO2-vrijstellingsgrenzen (benzine 110 gr/km, diesel 95 gr/km). Vanaf 2014 vervalt de vrijstelling van de MRB voor zowel nieuwe als bestaande auto’s en zal de belasting alleen nog op gewicht zijn gebaseerd. Uitzondering hierop vormt een vrijstelling tot en met 2015 voor zeer zuinige auto’s met een uitstoot van niet meer dan 50 gr/km.

Kortingsregeling jaarbetaling motorrijtuigenbelasting vervalt

De verschuldigde motorrijtuigenbelasting wordt over het algemeen per kwartaal betaald. Het is echter ook mogelijk om de motorrijtuigenbelasting voor een jaar vooruit te betalen. Dat levert een korting op van 3 euro per vooruitbetaald kwartaal. De korting was ooit bedoeld als stimulans voor het kiezen van de meest efficiënte betalingsvorm. De automatisering van de belastingheffing en de ontwikkelingen in het betalingsverkeer hebben echter niet stilgestaan. Betaling per automatische incasso per maand vergt minder administratieve lasten en uitvoeringkosten dan handmatige betaling per jaar. Het streven is daarom om de betaling van MRB juist zoveel mogelijk te laten plaatsvinden via automatische incasso. Het percentage houders dat de belasting voor 4 kwartalen vooruitbetaalt, is inmiddels gedaald tot onder de 8 procent. Overigens is het effect van de vaste korting van 3 euro per kwartaal ook niet evenwichtig. Bij lage MRB-bedragen vormt de korting van in totaal 12 euro per jaar een relatief hoog percentage van de verschuldigde belasting, bij hoge MRB-bedragen is de korting relatief onbeduidend. Daarom wordt de korting bij jaarbetaling met ingang van 1 januari 2012 afgeschaft.

Oldtimervrijstelling voor 30 jaar oude auto’s
Op dit moment geldt er voor auto’s die ouder zijn dan jaar 25 jaar een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (de oldtimervrijstelling). Deze regeling zou per 1 januari 2012 worden afgeschaft voor auto’s die na deze datum de leeftijd van 25 jaar zullen bereiken. De Tweede Kamer heeft er echter voor gezorgd dat de oldtimervrijstelling blijft gehandhaafd. Wel wordt de leeftijdsgrens opgetrokken van 25 jaar naar 30 jaar. Voor oldtimers die nu tussen de 25 jaar en 29 jaar oud zijn, is een overgangsregeling getroffen. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting blijft voor deze auto’s behouden.

Omzetbelasting

Nieuwe regels in de omzetbelasting voor privégebruik auto van de zaak

Vanaf 1 juli 2011 gelden er nieuwe regels voor het privégebruik van de auto van de zaak. In 2011 moeten daarom zowel oude als nieuwe regels worden toegepast. Aanleiding hiervoor is een uitspraak van de Rechtbank in Haarlem van 1 juni 2011. Over de toepassing van de nieuwe regels ter zake van de bijtelling voor de omzetbelasting voor het privégebruik over 2011 (aan te geven over het vierde kwartaal van 2011) bestaat op dit moment nog geen 100% duidelijkheid. Hierover is overleg met de Belastingdienst gaande. Wij houden u op de hoogte. 

(Bron: Fiscanet)