Dga, benut u de algemene heffingskorting van uw partner optimaal?

Heeft uw fiscale partner geen of weinig inkomen? Dan is de kans groot dat u de algemene heffingskorting (AHK) van uw partner kunt benutten. Uiteraard moet u voldoende belasting verschuldigd zijn waarmee de heffingskorting is te verrekenen. Heeft u uw fiscale planning op orde om zo heffingskorting zo goed mogelijk te benutten?

Iedereen heeft recht op de algemene heffingskorting

De heffingskorting bedraagt in 2019 maximaal 2.477 euro voor iemand die nog geen AOW ontvangt. Let wel op! Het benutten van de algemene heffingskorting van uw partner is sinds enige jaren gemaximeerd. Voor 2019 is de AHK in principe 661 euro, maar de AHK kan oplopen tot maximaal 2.477 euro. Door de beperking kan dus 1.816 euro aan heffingskorting verloren gaan. Door een juiste fiscale planning kunt u dit echter voorkomen en dus een voordeel benutten dat kan oplopen tot 1.816 euro.

Overhevelen onbenutte heffingskorting naar partner

De heffingskorting wordt verrekend met de over een jaar verschuldigde inkomensbelasting (en premies volksverzekeringen). Als uw partner onvoldoende ‘eigen’ inkomen heeft om de heffingskorting volledig te verrekenen, gaat het restant in principe verloren. Dit is alleen anders als u zelf wel voldoende inkomen heeft waarover belasting is verschuldigd én u een deel van dat inkomen kan toerekenen aan uw partner. Dan wordt namelijk het onbenutte deel van de heffingskorting door de belastingdienst wél uitbetaald aan de minstverdienende partner, maar nooit tot een hoger bedrag dan de fiscale partner aan belasting moet betalen.

Let op! Is uw fiscale partner, die niet of weinig verdient, voor 1 januari 1963 geboren? Dan geldt de afbouw niet.

Wat kunt u doen om de heffingskorting volledig te benutten?

Om te voorkomen dat er 1.816 euro onbenut blijft, is het aan te raden dat de minst verdienende partner voldoende ‘eigen’ inkomen heeft om de algemene heffingskorting volledig te benutten. Een mogelijkheid is:

  1. Toerekenen van box 3 vermogen aan de fiscale partner.
  2. Uitkeren dividend uit de eigen BV en dat toerekenen aan de fiscale partner dga.
  3. Fiscale partner laten meewerken in de BV (let op zakelijkheid loon).

Voor de dga is optie twee, het uitkeren van een dividend uit de eigen BV, de meest eenvoudige optie.

Voorbeeld dividenduitkering

Door middel van een relatief kleine dividenduitkering (een dividend van bruto 10.000 euro is in principe toereikend) is het mogelijk om de algemene heffingskorting bij uw partner helemaal in plaats van gedeeltelijk te verzilveren. Omdat een dividenduitkering wordt aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang (IB box 2) kan dat dividend aan uw fiscale partner toegekend worden, terwijl de ingehouden dividendbelasting juist niet aan uw fiscale partner wordt toegerekend. Het gevolg hiervan is dat er bij uw fiscale partner ‘eigen’ inkomen wordt gegenereerd waarmee de heffingskorting volledig verzilverd kan worden. Het voordeel kan oplopen tot 1.816 euro. Door middel van een dividend dat dus in feite onbelast is.

Rekenvoorbeeld

Hoe hoog de dividenduitkering moet zijn, is afhankelijk van de situatie. Ter illustratie. Bij een bruto dividenduitkering van 10.000 euro wordt 15 procent dividendbelasting als voorbelasting ingehouden door de BV. Door enerzijds het bruto dividend van 10.000 euro toe te delen aan de minsterverdienende (en anderzijds de ingehouden dividendbelasting toe te delen aan de meestverdienende partner) is door uw fiscale partner 25 procent% IB box 2 heffing verschuldigd: 2.500 euro. Dit kan afgezet worden tegen de maximale algemene heffingskorting (2.477 euro).

Let op!

Extra inkomen kan ook gevolgen hebben voor allerlei inkomensgerelateerde toeslagen zoals zorg-, huur-, en/of kinderopvangtoeslag. Wees hierop bedacht.

Conclusie

Vaak is het dus mogelijk om met een kleine ingreep een besparing te realiseren van maximaal 1.816 euro. Voor dit idee gelden de volgende randvoorwaarden:

  • Uw fiscale partner is na 1 januari 1963 geboren;
  • Uw fiscale partner heeft geen/te weinig ‘eigen’ inkomen om de maximale algemene heffingskorting te benutten;
  • Het is mogelijk om een dusdanig hoog fiscaal inkomen te creëren bij de partner dat deze algemene heffingskorting wel kan benutten;
  • Een verhoging van het (fiscale) inkomen heeft geen wezenlijke gevolgen voor eventuele andere inkomensgerelateerde toeslagen.

(Bron: GT)

Btw terug over bouwkosten woning door zonnepanelen?

Als particulier heeft u recht op teruggaaf van de btw op de aankoop- en installatiekosten van uw zonnepanelen, wanneer u de opgewekte elektriciteit (deels) terug levert aan het energienet. De Rechtbank heeft nu geoordeeld dat de betaalde btw op de (bouw)kosten van een nieuwe woning met zonnepanelen, ook deels voor teruggaaf in aanmerking komt. Kopers van een nieuwbouwwoning met zonnepanelen kunnen mogelijk meer btw terugvragen dan eerder werd gedacht.

Hoe zat het ook alweer?

Het Hof van Justitie oordeelde op 20 juni 2013 dat het terug leveren van elektriciteit aan het elektriciteitsnet een ondernemersactiviteit is. Eigenaren van zonnepanelen kunnen daarom binnen vijf jaar na het kalenderjaar van de aankoop een verzoek om btw-teruggaaf indienen. Particuliere eigenaren van zonnepanelen hoeven in de meeste gevallen door toepassing van de kleineondernemersregeling geen btw betalen, nadat de investering in de zonnepanelen is gedaan. Als particulier word u daarom automatisch ontheven van uw administratieve verplichtingen voor de btw.

Btw op bouwkosten woning

Bij nieuwbouwprojecten komen er tegenwoordig bijna standaard zonnepanelen op het dak te liggen. Tot voor kort was het uitgangspunt dat kopers van een nieuwbouwwoning met zonnepanelen alleen de betaalde btw op de zonnepanelen terug mochten vragen. Twee verschillende rechtbanken hebben nu een uitspraak gedaan over de teruggaaf van btw op de bouwkosten van een woning met zonnepanelen. In beide zaken kreeg de particulier een deel van de betaalde btw op de bouwkosten van de woning terug. In de ene zaak ging het om niet-geïntegreerde zonnepanelen en in de andere zaak om geïntegreerde zonnepanelen. Dit onderscheid bepaalt hoeveel btw u (mogelijk) terug kan vragen.

Niet-geïntegreerde zonnepanelen (Rechtbank Gelderland, 18 maart 2019)

Dit zijn zonnepanelen die niet tegelijkertijd als dakbedekking dienen en dus op het dak liggen. De zonnepanelen zijn geen onderdeel van uw woning. Als u elektriciteit terug levert aan het energienet, dan mag u alle btw op de aankoop- en installatiekosten van deze zonnepanelen terugvragen. De btw die u verschuldigd bent, bepaalt u aan de hand van een forfait. Hiervoor hoeft u alleen het opwekvermogen van uw zonnepanelen te weten. De terug te vragen btw wordt verminderd met de verschuldigde btw. Het resultaat is uw definitieve teruggaaf.

De Rechtbank oordeelde in de procedure over deze zonnepanelen, dat een onlangs gebouwde woning door de installatie van de zonnepanelen deels een zakelijke functie had gekregen. Om de omvang van het zakelijk gebruik van de woning te bepalen, deelde de Rechtbank de oppervlakte van de zonnepanelen door de oppervlakte van de ‘nuttige ruimtes’ in de woning. Met de ‘nuttige ruimtes’ werd de totale vloeroppervlakte van de woning bedoeld, met daarbij opgeteld de oppervlakte van de zonnepanelen. Het zakelijk gebruik van de woning kwam daarmee uit op 21,5%. De betaalde btw voor de bouw van de woning moet daarom voor 21,5% aan de particulier worden terugbetaald. Deze teruggaaf komt bovenop de terug te geven btw, die betaald is voor de aankoop en installatie van de zonnepanelen.

Geïntegreerde zonnepanelen (Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 maart 2019)

Dit zijn zonnepanelen die niet alleen energie opwekken, maar ook als dakbedekking dienen. Omdat deze zonnepanelen ook deel van uw dak en woning zijn, hebben de zonnepanelen niet alleen maar een economische (zakelijke) functie. U mag daarom slechts een deel van de betaalde btw over deze zonnepanelen terugvragen. De overheid heeft bepaald dat dit een derde deel van de btw is. Net als bij de niet-geïntegreerde zonnepanelen bepaalt u de verschuldigde btw door een forfait.

De Rechtbank ging er in deze procedure mee akkoord dat de oppervlakte van de geïntegreerde zonnepanelen werd gedeeld door de totale vloer- en dakoppervlakte van de woning. Het resultaat van deze breuk moet worden vermenigvuldigd met een derde deel. Door die berekening kwam het zakelijk gebruik van de woning op 3,8% uit. Dit percentage van de btw op de bouwkosten van de woning moet aan de particulier worden terugbetaald.

Procedure

De Belastingdienst kan tegen de uitspraken van de Rechtbank nog in hoger beroep gaan. Wij volgen de ontwikkelingen en zullen u hiervan op de hoogte houden.

(Bron: GT)

Informatieplicht energiebesparing

Wat is er veranderd?

Verbruikt uw bedrijf of instelling meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas per jaar? Dan valt uw bedrijf onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. U bent verplicht om energie te besparen. U heeft ook een informatieplicht. U moet uiterlijk 1 juli 2019 rapporteren welke maatregelen u neemt om energie te besparen. Het doel is om de energiebesparing te versnellen. Rapporteren kan sinds eind februari 2019 via het eLoket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

U kunt zich voorbereiden op de informatieplicht met het stappenplan Informatieplicht energiebesparing.

Voor wie?

  • bedrijven met een energiebesparingsplicht en die meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalent) per jaar verbruiken
  • bedrijven met een energiebesparingsplicht en een auditverplichting Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED)

Wanneer?

De wijziging is op 27 februari 2019 ingegaan. U moet uiterlijk 1 juli 2019 rapporteren welke maatregelen u neemt om energie te besparen.

Artikel: Hoge Raad beslist over het prijsgeven van pensioen in eigen beheer

Een DGA heeft in het verleden pensioen opgebouwd bij zijn personal holding. Per 1 mei 2013 had hij jaarlijks recht op een uitkering van € 57.327. Er is in 2013 geen pensioen uitgekeerd door de personal holding. De inspecteur heeft daarop een pro rata deel van de uitkering nagevorderd via de inkomstenbelasting. Daarbij heeft de inspecteur tevens aangegeven dat het pensioen is prijsgegeven nu de DGA stilzwijgend heeft geaccepteerd dat er geen pensioen is uitgekeerd. Dit zou tot gevolg hebben dat de volledige waarde van de pensioenaanspraak (het bedrag dat nodig is om het pensioen te herverzekeren bij een verzekeraar), in één keer belast zou moeten worden.

De DGA is het hier niet mee eens en is van mening dat voor het prijsgeven van pensioen een actieve handeling nodig is. De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat de DGA zijn pensioen in 2013 niet heeft prijsgegeven door dit niet actief op te eisen van de pensioentermijnen in 2013.

DGA’s met pensioen in eigen beheer

Een groot deel van de DGA’s met pensioen in eigen beheer heeft dit afgekocht. Voor hen is voorgaande niet direct van belang. Toch zijn er nog altijd een behoorlijk aantal DGA’s die nog wel pensioen in eigen beheer hebben. Wij zien in de praktijk dan ook meer dan eens voorkomen dat de Belastingdienst ‘dreigt’ te stellen dat het pensioen in eigen beheer is prijsgegeven indien dit niet is uitgekeerd vanaf de oorspronkelijke ingangsdatum. Met dit arrest van de Hoge Raad is duidelijk dat dit minder snel het geval is. Wel kan een rechter mogelijk tot een andere conclusie komen indien er een langere periode zit tussen de oorspronkelijke ingangsdatum en de periode dat geen pensioen is uitgekeerd.

Oudedagsverplichting

Voor DGA’s die hun pensioen hebben omgezet in een oudedagsverplichting, geldt het risico van het prijsgeven ook. De regels die op dit punt voor pensioen in eigen beheer gelden, gelden ook voor oudedagsverplichtingen.

Flexibiliteit

In veel pensioenbrieven, zo ook die door BDO zijn gehanteerd, is de mogelijkheid opgenomen om de pensioeningangsdatum uit te stellen. Ook is het doorgaans mogelijk om tijdelijk te kiezen voor een hogere of lagere uitkering. Wel zijn daarbij voorwaarden van toepassing en is het van belang dat deze keuzes tijdig (voor de oorspronkelijke ingangsdatum) worden gemaakt én geformaliseerd. Wordt tijdig van deze mogelijkheden gebruik gemaakt, dan wordt voorkomen dat de Belastingdienst bij een controle kan stellen dat het pensioen is prijsgegeven.

(Bron: BDO)

Artikel: De Hoge Raad geeft de uitsluitingsclausule een sterke werking

Op 5 april 2019 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over uitsluitingsclausule. De uitsluitingsclausule wordt vaak toegevoegd aan schenkingen en erfenissen om ervoor te zorgen dat het verkregen vermogen altijd tot het privévermogen van de verkrijger blijft behoren. Ook als de verkrijger in gemeenschap van goederen gaat huwen of is gehuwd. De Hoge Raad heeft nu beslist dat als bij de echtscheiding blijkt dat het verkregen vermogen is besteed aan gemeenschappelijke uitgaven (zoals een vakantie), de verkrijger een vordering heeft ter grootte van dit bedrag.

Een vordering op de gemeenschap; wat vindt de Hoge Raad?

Er heeft zich een specifieke situatie voorgedaan waarbij een vrouw tijdens het huwelijk drie schenkingen (3 x € 10.000) onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen, welke bedragen op de gezamenlijke bankrekening van de echtgenoten zijn gestort. Op het moment dat zij privévermogen stort op de gemeenschappelijke rekening krijgt de vrouw een vergoedingsvordering ter grootte van € 30.000 op het gemeenschapsvermogen. Van de gemeenschappelijke rekening worden diverse consumptieve en huishoudelijke uitgaven gedaan. Ten tijde van de echtscheiding is echter niet meer traceerbaar waaraan het geschonken bedrag is besteed. De vraag die in deze zaak aan de orde was, is of aan de vrouw (nog steeds) een vordering heeft op de gemeenschap en, zo ja, ter grootte van welk bedrag.

De Hoge Raad is van mening dat de vrouw met haar privévermogen gezamenlijke schulden heeft betaald en daardoor haar vordering heeft behouden. Als de vrouw het geld had gebruikt voor privé-uitgaven, dan had ze geen of een lagere vordering gehad. De man heeft dit echter niet kunnen aantonen, waardoor ze de volledige waarde van de vordering van € 30.000 heeft behouden.

De wettelijke gemeenschap van goederen

Tot 1 januari 2018

In deze situatie zijn echtgenoten voor 1 januari 2018 gehuwd en is het oude huwelijksvermogensrecht op hun huwelijk van toepassing. Onder het oude recht ontstaat vanaf de voltrekking van het huwelijk een algehele gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle (toekomstige) bezittingen en schulden tot de gemeenschap gaan behoren. Dat geldt ook voor schenkingen, tenzij aan de schenking een uitsluitingsclausule is verbonden. Schulden behoren in beginsel eveneens tot de huwelijksgoederengemeenschap (op enkele specifieke uitzonderingen na). Onder schulden wordt in dit verband ook verstaan uitgaven in verband met consumptieve bestedingen en kosten van de huishouding.

Met ingang van 1 januari 2018

Inmiddels is het wettelijke systeem van de huwelijksgoederengemeenschap gewijzigd. De omvang van de gemeenschap is beperkter geworden voor huwelijken die na 1 januari 2018 worden gesloten. Dit betekent dat het privévermogen dat een van de echtgenoten voorafgaande aan de huwelijkssluiting bezat, privévermogen blijft. Ook blijven schenkingen in beginsel tot het privévermogen behoren. Net als onder het oude regime zijn consumptieve uitgaven en kosten van de huishouding gemeenschappelijke schulden. Als één van de echtgenoten privévermogen op de gemeenschappelijke rekening stort, ontstaat een vergoedingsvordering. Deze vergoedingsvordering blijft volgens de Hoge Raad dus in stand als van de gemeenschappelijke rekening consumptieve bestedingen en kosten van de huishouding worden betaald.

Het is en blijft dus zeer belangrijk te administreren wat er met het op de gemeenschappelijke rekening gestorte privévermogen gebeurt, zowel voor huwelijken die voor 1 januari 2018 als voor huwelijken die vanaf 1 januari worden gesloten. Niet alleen bij echtscheiding moet een overzicht van het privévermogen en gezamenlijke vermogen opgesteld worden, maar bijvoorbeeld ook bij een overlijden.

Een goede administratie is belangrijk

Heeft u of uw echtgenoot privévermogen gestort op een gemeenschappelijke rekening, dan is een goede administratie belangrijk.

(Bron: BDO)

Kleine gezamenlijke economische activiteit genoeg voor FE OB

Als twee btw-ondernemers een fiscale eenheid voor de omzetbelasting willen vormen, moeten zij een gezamenlijke economische activiteit hebben. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat voor deze gezamenlijke activiteit geen minimumomvang geldt.

Drie stichtingen vormden een fiscale eenheid (FE) voor de omzetbelasting. De FE bood basisonderwijs aan op een aantal scholen. Daarnaast hield zij zich bezig met btw-vrijgestelde verhuur van een paar onroerende zaken zoals vrijstaande leslokalen.  De opbrengsten van de FE bestonden voor ongeveer 99% uit vergoedingen van de Rijksoverheid voor het verstrekken van wettelijk geregeld basisonderwijs. Ongeveer 1% van de inkomsten kwam voort uit de verhuur. In november 2011 richtte een stichting binnen de FE een B.V. op waarvan zij bestuurder en enig aandeelhouder was. Deze B.V. nam schoonmaakpersoneel in dienst en ging samenwerken met een andere vennootschap met schoonmaakexpertise. De stichting wil de B.V. met het schoonmaakpersoneel opnemen in de FE. De Belastingdienst wijst het verzoek tot uitbreiding van de FE af. De zaak komt uiteindelijk voor het hof.

Voldoende verwevenheid

In hoger beroep stelt het hof dat de verhuur van de onroerende zaken al ertoe leidt dat de FE economische activiteiten verricht. Het hof gelooft de stelling van de FE dat de B.V. de ruimtes zal schoonmaken die de stichting aan derden verhuurt. Er is dus sprake van een gezamenlijk uitgevoerde economische activiteit – hoe klein dan ook. Daarom is uitbreiding van de FE mogelijk als tussen de stichtingen en de B.V. voldoende organisatorische, financiële en economische verwevenheid bestaat. Volgens het hof is dit het geval. Formeel gezien is in ieder geval sprake van financiële verwevenheid tussen de stichting en de B.V. De inspecteur wijst erop dat de vennootschap met de schoonmaakexpertise binnen het budget bepaalde beslissingen zelfstandig kan nemen en het beleid van de schoonmakers bepaalt. Maar volgens het hof betekent dit niet dat deze vennootschap de zeggenschap van een aandeelhouder over de B.V. heeft. De schoonmakers worden beschouwd als werknemers van de B.V. Verder staan de stichtingen en de B.V. formeel gezien onder een gezamenlijk bestuur, zodat ook sprake is van organisatorische verwevenheid. Verder is sprake van economische verwevenheid, omdat de B.V. al haar kosten in rekening brengt aan de stichting. Zelfs de kosten voor de schoonmaak van de aan derden verhuurde ruimtes. De B.V. presteert dus niet aan derden. Ten slotte oordeelt het hof dat geen sprake is van misbruik. De FE mag dus worden uitgebreid met de B.V.

(Bron: Taxence)

Het begrip gezagsverhouding nader toegelicht

De Belastingdienst heeft het begrip ‘gezagsverhouding’ in het Handboek Loonheffingen 2019 nader toegelicht. De beoordeling van de gezagsverhouding is belangrijk voor de vraag of een opdrachtnemer in dienstbetrekking staat tot een opdrachtgever. Deze nadere toelichting geeft opdrachtgevers en opdrachtnemers meer handvatten om zelf te beoordelen of er sprake is van een gezagsverhouding.

Beoordeling gezagsverhouding

In de nadere toelichting op het begrip ‘gezagsverhouding’ gaat de Belastingdienst in op de elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de gezagsverhouding. Bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding spelen alle relevante elementen en hun onderlinge verhouding een rol. Het is niet mogelijk om van tevoren alle mogelijke elementen te definiëren. In de uitleg in het Handboek Loonheffingen is in ieder geval ingegaan op de volgende elementen:

  • Leiding en toezicht
    Bij leiding en toezicht wordt gekeken naar de invloed die de opdrachtgever heeft op de manier waarop de werkende de werkzaamheden uitvoert. Belangrijk hierbij is dat de opdrachtgever het recht heeft om instructies en aanwijzingen te geven. Of dit daadwerkelijk wordt gedaan is hierbij niet van belang. Zo kan er toch sprake zijn van een gezagsverhouding als het werk eenvoudig van aard is en het daardoor nagenoeg niet nodig is om opdrachten en aanwijzingen te geven.
  • Vergelijkbaarheid personeel
    Hier wordt gekeken naar de verhouding tussen de opdrachtnemer en de werkende en in hoeverre deze verhouding vergelijkbaar is met het personeel dat in dienst is bij de opdrachtgever. Een aanwijzing voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding bestaat als de werkzaamheden die de werkende bij de opdrachtgever verricht, bij deze opdrachtgever ook worden verricht door mensen in dienstbetrekking. Als de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van de opdrachtgever, dan is de kans groter dat er sprake is van een gezagsverhouding.
  • Werktijden, locatie, materialen, hulpmiddelen en gereedschappen
    Bij dit element is van belang in hoeverre de werkende zelf zijn werktijden en de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, kan bepalen. Ook is het hierbij relevant of de werkende al dan niet zelf voor materialen en hulpmiddelen zorgt die gebruikt worden bij de werkzaamheden.
  • Manier waarop de werkende naar buiten treedt
    Indien de werkende als een zelfstandige naar buiten treedt (bijvoorbeeld wanneer de werkende bedrijfskleding van zijn eigen bedrijf mag gebruiken), dan is dit een aanwijzing dat er geen gezagsverhouding is.

Naast de voornoemde elementen kunnen ook andere factoren een rol spelen bij de beoordeling van een gezagsverhouding. Hierbij valt te denken aan risicoaansprakelijkheid, een concurrentie- of relatiebeding en bijvoorbeeld ook doorbetaling ingeval van ziekte.

Opvolging Wet DBA

De Staatssecretaris heeft onlangs aangegeven dat de nieuwe wetgeving (de opvolger van de Wet DBA) naar verwachting per 1 januari 2021 in werking zal treden. Tot dan is de huidige Wet DBA van toepassing. De handhaving van de Wet DBA is opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2020. Dit houdt in dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot 1 januari 2020 geen boetes of naheffingen krijgen als achteraf blijkt dat er sprake is van een dienstbetrekking, tenzij er sprake is van kwaadwillendheid. In dit kader is een juiste beoordeling van de gezagsverhouding dus zeker van belang.

(Bron: Mazars)

Mag u de leaseauto van uw medewerker innemen?

Veel werknemers hebben via hun werkgever de beschikking over een auto van de zaak. Onlangs besliste de rechter in Noord-Holland dat een werkgever onder omstandigheden mag eisen dat die auto weer wordt ingeleverd.

Belangrijke arbeidsvoorwaarde

Een auto van de zaak is inmiddels een niet meer weg te denken arbeidsvoorwaarde. Omdat de auto meestal ook privé gebruikt mag worden, bespaart de werknemer zich de kosten van aanschaf en gebruik van een auto in privé.

Kostenbesparing

Onlangs kwam een zaak voor de rechter waarbij een werkgever vanuit kostenoogpunt het contract inzake een aan een werknemer ter beschikking gestelde auto wilde beëindigen. De werknemer was het hiermee niet eens, waarna men samen besloot het conflict aan de rechter voor te leggen.

Voorwaarden

Voor de rechter werd duidelijk dat de betreffende werknemer niet meer voldeed aan de voorwaarden waarbij recht bestond op een auto van de zaak. Wegens wijziging van zijn werkzaamheden reed hij namelijk niet meer voldoende zakelijke kilometers.

Zwaarwichtig belang

De rechter diende de afweging te maken of er sprake was van een ‘zwaarwichtig belang’ voor de werkgever en of de rechten van de werknemer hiervoor in redelijkheid dienden te wijken.

Oordeel rechter

De rechter vond dat er inderdaad sprake was van een dermate zwaarwichtig belang. Bovendien voldeed de werknemer niet meer aan de voorwaarden om voor een leaseauto in aanmerking te komen.

Let op! De rechter gaf echter aan dat, gelet op alle van belang zijnde feiten en de noodzakelijke kostenbesparing, ook zonder deze voorwaarden de rechten van de werknemer dienden te wijken voor die van de werkgever. Wel diende er voor een periode van twee jaar een tegemoetkoming te worden verstrekt in de kosten van een in privé aan te schaffen auto.

(Bron: SRA)

Datalekken: hoe gaat u er mee om?

In 2018 zijn er in totaal 20.881 datalekken gemeld aan de Autoriteit Persoonsgegevens gemeld. Vooral vanuit de sectoren gezondheid en welzijn, financiële en zakelijke dienstverlening, IT-sector en openbaar bestuur. In dit artikel bespreken we wat u moet doen tegen of bij datalekken, en wat we van de datalekken in 2018 kunnen leren.

Wat is een datalek?

Een datalek wordt omschreven als een inbreuk op de beveiliging die per ongeluk of op onrechtmatige wijze leidt tot de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of de ongeoorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte persoonsgegevens.

De meest voorkomende type datalekken in 2018 waren:

  • Het versturen of afgeven van persoonsgegevens aan een verkeerde ontvanger. Denk hierbij aan een e-mail met persoonsgegevens die naar een verkeerde persoon wordt gestuurd, bijvoorbeeld door een typefout. Of een brief met gevoelige gegevens die bij de verkeerde persoon terecht is gekomen en is geopend.
  • Het kwijtraken van papieren of de diefstal van een gegevensdrager, zoals een laptop of usb-stick.
  • Verlies van gegevens door hacking, phishing of malware.

Gegevens datalek

De soorten persoonsgegevens die het meest vrijkomen bij een datalek zijn NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats), BSN- en medische gegevens.

Wat schrijft de AVG voor?

De AVG schrijft voor dat uw organisatie bepaalde inbreuken in verband met de verwerking van persoonsgegevens, zogenaamde datalekken, moet melden bij de AP. In sommige situaties moet u ook de betrokkenen (bijvoorbeeld de klanten of werknemers) bij het datalek informeren.

Waarschuwing Autoriteit Persoonsgegevens

In 2018 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in veel gevallen organisaties uitleg gegeven over te nemen beveiligingsmaatregelen. Daarnaast heeft de AP acties ondernomen zoals een waarschuwing en aansturen op het beëindiging van de overtreding.

In het bijzonder zal de AP in 2019 aandacht schenken aan het ten onrechte niet of te laat melden van datalekken aan betrokkenen of aan de AP. Niet alle meldplichtige datalekken worden namelijk door organisaties gemeld. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk als betrokkenen melding maken van een datalek, terwijl dat door de organisatie zelf niet is gedaan. Het is dus belangrijk hier aandacht voor te hebben.

Boete Uber

In november 2018 heeft de AP vervoersdienst Uber een boete van € 600.000 opgelegd voor het willens en wetens te laat melden van een datalek. Het ging om het te laat melden aan zowel de AP als aan de betrokkenen.

Wat kunt u doen rondom datalekken?

Belangrijke zaken die u binnen uw organisatie op kunt pakken zijn:

  • Blijf aandacht geven aan het vergroten van het bewustzijn van uw medewerkers met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens en de risico’s hiervan.
  • Gaat het een keer fout? Zorg dan dat medewerkers het beveiligingsincident/datalek ook daadwerkelijk melden bij de intern verantwoordelijke hiervoor. U wilt voorkomen dat u aangeschreven wordt door de AP over een datalek binnen uw organisatie waar u zelf geen weet van hebt.
  • Zorg dat er een interne procedure is voor het omgaan met datalekken, zodat u precies weet wat u moet doen bij een datalek. Let op: er is een maximale aanmeldtermijn van 72 uur.
  • Registreer alle beveiligingsincidenten en (mogelijke) datalekken, analyseer deze periodiek en beoordeel wat u op basis hiervan kunt verbeteren binnen uw bedrijf.

Welke verplichtingen heeft u bij een datalek?

  • Bij een datalek moet u deze uiterlijk 72 uur nadat u er kennis van heeft genomen, melden bij de AP. Hiervoor moet u het digitale meldingsformulier op de website van de AP gebruiken.
  • Een datalek hoeft niet gemeld te worden als, zoals de AVG bepaalt, het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk in verband met persoonsgegevens een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. Dit houdt in dat het datalek geen betrekking heeft op persoonsgegevens van gevoelige aard en/of het datalek niet leidt tot ernstige nadelige gevolgen voor de bescherming van de verwerkte persoonsgegevens.
  • Wanneer een inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, moet u de betrokkene(n) direct informeren. Dit hoeft niet als u de persoonsgegevens onbegrijpelijk heeft gemaakt, zoals door versleuteling van gegevens.
  • Een (sub)verwerker, zoals een leverancier of serviceprovider, moet u, omdat u verantwoordelijke bent, direct informeren zodra hij kennis heeft genomen van een datalek, zodat u nog de gelegenheid heeft tijdig de AP te informeren.
  • U moet alle datalekken – met inbegrip van de feiten over de inbreuk in verband met persoonsgegevens, de gevolgen daarvan en de genomen maatregelen – documenteren. Dit betreft zowel datalekken die u niet heeft gemeld aan de AP als datalekken die u wel heeft gemeld. Het vastleggen kan bijvoorbeeld in een incidentenregister.

(Bron: DRV)

Financieel risico voor uw onderneming onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht?

Het zal u niet zijn ontgaan dat Nederland sinds 1 januari 2018 nieuwe regels heeft voor gehuwden en geregistreerde partners. Wat u mogelijk wel is ontgaan is de regeling die is gaan gelden voor alle ondernemers van wie de onderneming geen gemeenschappelijk vermogen met een partner is.

Het gaat om de volgende ondernemers:

Gehuwd en geregistreerd partner vóór 1 januari 2018?

  • U hebt een eenmanszaak, bent vennoot in een vof, cv of maatschap, of u bent directeur-grootaandeelhouder van een (of meerdere) BV’s (hierna: uw onderneming)
  • Daarnaast bent u gehuwd op huwelijkse voorwaarden (of u hebt partnerschapsvoorwaarden), waarin is vastgelegd dat uw onderneming tot uw privévermogen behoort en al het overige vermogen van u en uw partner (of een deel daarvan) in een huwelijksgemeenschap valt, 
    OF
  • Daarnaast bent u gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en u hebt uw onderneming geërfd of geschonken gekregen met toepassing van een uitsluitingsclausule.

Gehuwd en geregistreerd partner ná 1 januari 2018?

  • U hebt een eenmanszaak, bent vennoot in een vof, cv of maatschap, of u bent directeur-grootaandeelhouder van een (of meerdere) BV’s (hierna: uw onderneming)
  • Daarnaast bent u gehuwd op huwelijkse voorwaarden (of u hebt partnerschapsvoorwaarden), waarin is vastgelegd dat uw onderneming tot uw privévermogen behoort en al het overige vermogen van u en uw partner (of een deel daarvan) in een huwelijksgemeenschap valt, 
    OF
  • Daarnaast bent u gehuwd volgens de nieuwe wettelijke regels, zodat uw onderneming tot uw privévermogen behoort.

Ondernemer is vergoeding verschuldigd aan de huwelijksgemeenschap

In het nieuwe huwelijksvermogensregime gaat de wetgever ervan uit, dat alle inkomsten die u en uw partner gedurende het huwelijk verdienen in de huwelijksgemeenschap vallen. Voor u als ondernemer valt derhalve uw arbeidsbeloning (of de privé-onttrekkingen aan uw onderneming) in de huwelijksgemeenschap. Omdat u als ondernemer echter ook ‘verdiensten’ heeft uit uw onderneming in de vorm van waardegroei of dividend (al dan niet opgepot in uw onderneming), vindt de wetgever dat u deze ‘verdiensten’ aan de huwelijksgemeenschap moet vergoeden. Het gaat daarbij om een vergoeding die naar maatstaven van redelijkheid wordt bepaald: een redelijke vergoeding. 


Deze redelijke vergoeding heeft alleen betrekking op de waardegroei die is ontstaan door arbeidsinspanningen tijdens de huwelijkse periode. Het gaat niet om waardegroei die vóór uw huwelijk als bestond of welke is ontstaan door externe marktfactoren of autonome waardegroei (zoals bijvoorbeeld bij vastgoed). 


Hebt u een BV met winstreserves? Dan vertegenwoordigen die reserves de basis voor het bepalen van de redelijke vergoeding.

Kortom: volgens de wet deelt u als ondernemer niet alleen uw arbeidsbeloning met uw partner maar ook een redelijke vergoeding uit de meerwaarde of uit opgepotte winsten van uw onderneming. 

Let op! Gehuwd en geregistreerd partner vóór 1 januari 2018? 
Deze regeling geldt ook voor u, als u voldoet aan de voorwaarden zoals hierboven genoemd. Het gaat dan om de waardegroei van uw onderneming vanaf 1 januari 2018 tot aan het einde van uw huwelijk.

Kom in actie en voorkom financiële problemen voor uw onderneming

Het zal u direct duidelijk zijn, dat deze nieuwe wettelijke regel voer voor discussie is bij een onverhoopte echtscheiding. 
Want hoe hoog is die redelijke vergoeding in uw situatie? Wat betekent dit voor de continuïteit van en liquiditeit in uw onderneming? Hoe bepaalt u de meerwaarde in uw onderneming die louter door uw arbeid is ontstaan? De wetgever geeft geen antwoord op al deze vragen en laat de beantwoording ervan over aan de rechtspraak.

Gelukkig kunt u met uw partner afspreken hoe u wilt omgaan met deze nieuwe wettelijke regel. Misschien wilt u ervan afwijken en samen een andere regeling treffen? Of wellicht bent u het er samen over eens dat de ontvangen arbeidsbeloning voor u samen al de ‘redelijke vergoeding’ vertegenwoordigt?

Hebt u huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden, dan legt u de onderling gemaakte afspraken daarin vast. Daarvoor is een bezoek aan de notaris noodzakelijk. 
Hebt u geen huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden? Dan is het zeker zaak om deze alsnog op te stellen, als is het alleen maar om de afspraken over de redelijke vergoeding daarin vast te leggen.

Wij kunnen u hierbij uiteraard helpen. Niet alleen met het cijfermatige deel van de afspraken, maar ook met de begeleiding richting uw notaris.

(Bron: HLB van Daal)