WOZ-waarde bedrijfspand: hoeveel kunt u afschrijven?

Als eigenaar van een woning of een bedrijfspand heeft u onlangs uw WOZ-beschikking voor 2019 ontvangen. De WOZ-waarde van uw bedrijfspand is bepalend voor tal van heffingen. Met ingang van dit jaar is de WOZ-waarde voor bv’s echter nog belangrijker geworden als gevolg van een wijziging van de regels inzake afschrijving. Bezwaar maken kan lonen!

Regelgeving afschrijving gewijzigd

Op grond van de Wet WOZ (Waardering onroerende zaken) wordt een waarde toegekend aan onroerende zaken zoals woningen en bedrijfspanden. Daarbij kunnen sommige belanghebbenden, zoals een verhuurder of een verkoper van een pand, een belang hebben bij een hogere WOZ-waarde. Voor andere belanghebbenden, zoals een huurder of eigenaar is juist een lagere WOZ-waarde van belang. Hoe zit dat? 

De WOZ-waarde is namelijk bepalend voor de vraag of u nog op uw bedrijfspand kunt afschrijven. Voor bv’s is vanaf 2019 bepaald dat afgeschreven kan worden tot de WOZ-waarde van uw pand. Tot 2019 kon u afschrijven tot 50% van de WOZ-waarde. De nieuwe regeling is dus een forse beperking van uw afschrijvingsmogelijkheden.

Een voorbeeld

U bezit een bedrijfspand met een boekwaarde van € 2,4 miljoen. De WOZ-waarde wordt eveneens vastgesteld op € 2,4 miljoen. Dit betekent dat de bv niet meer op het pand mag afschrijven, de bodem is bereikt. Na een waardebepaling door een taxateur blijkt uw pand een waarde van € 2,2 miljoen te hebben. Indien na bezwaar de WOZ-waarde eveneens wordt vastgesteld op € 2,2 miljoen, kunt u nog maximaal € 200.000 op het pand afschrijven.

Wat scheelt dat nu?

Stel dat u het pand jaren geleden voor € 4,5 miljoen heeft gekocht en in 40 jaar afschrijft tot een veronderstelde restwaarde van € 500.000. U mag dan in 2019 1/40 x (€ 4.500.000 -/- € 500.000) = € 100.000 afschrijven. Bij ongewijzigde omstandigheden mag dat ook nog in 2020. Daarna bedraagt de boekwaarde net als de WOZ-waarde € 2,2 miljoen en is verder afschrijven niet meer mogelijk.

U kunt binnen zes weken een bezwaar tegen de WOZ-waarde op uw WOZ-beschikking indienen bij uw gemeente. In uw bezwaarschrift geeft u aan waarom u het niet eens bent met de WOZ-waarde. U kunt bij de gemeente een taxatieverslag opvragen. Daarin staat hoe de waarde tot stand is gekomen.
U kunt deze gegevens gebruiken voor uw bezwaarschrift. De gemeente doet een uitspraak op uw bezwaarschrift. Bent u het daarna niet eens met de uitspraak van de rechtbank? Dan kunt u in hoger beroep gaan. Dit doet u bij de belastingkamer van het Gerechtshof.

Tip! Vanaf dit jaar is het dus extra van belang dat u een te hoge WOZ-waarde aanvecht via bezwaar en eventueel beroep bij de rechter.

Wetswijziging in de maak

De huidige wet is niet voldoende ingericht op de tegengestelde belangen (verhuurder/verkoper vs. huurder/eigenaar), die zich zo nu en dan voordoen in de praktijk. Daarom is er een wetswijziging in de maak. Tot 1 maart jl. liep er een internetconsultatie en ook andere partijen zullen om hun mening worden gevraagd. In de wetswijziging wordt voorgesteld om slechts één WOZ-beschikking per pand te hebben die voor alle belanghebbenden geldt. Dat leidt tot de mogelijkheid van één juridische procedure voor alle betrokkenen. Een definitief vastgestelde WOZ-waarde is dan voor iedereen bindend. Ook zijn er minder tussentijdse wijzigingen van de jaarlijkse WOZ-waarde mogelijk.

Heeft u vragen over de WOZ-waarde van uw pand, over afschrijven of over bezwaar maken, neem dan contact met ons op.

(Bron: HLB van Daal)

Welke energiebesparende maatregelen neemt u vóór 1 juli 2019

We willen allemaal ons steentje bijdragen om het milieu zo min mogelijk te belasten. Als bedrijf is dat makkelijker gezegd dan gedaan. En toch moet u er mee aan de slag.

Rapporteer vóór 1 juli 2019

Wanneer u per jaar vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas of aardgas equivalent verbruikt, bent u verplicht om energiebesparende maatregelen te rapporteren vóór 1 juli 2019.

Voor welke bedrijven geldt deze maatregel?

Agrarische sector (m.u.v. glastuinbouw) – Autoschadeherstelbedrijven – Bedrijfshallen – Bedrijfstak zonder EML – 
Bouwmaterialen – Commerciële datacenters – Detailhandel – Drukkerijen papier en karton – Gezondheidszorg- en 
welzijnszorginstellingen – Hotels en restaurants – Kantoren – Levensmiddelenindustrie – Metalelektro en mkb-metaal – 
Meubels en hout – Mobiliteitsbranche – Onderwijsinstellingen – Rubber- en kunststofindustrie – Sport en recreatie –
Tankstations en autowasinrichtingen – Verf en Inkt

Financieel risico voor uw onderneming onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht?

Het zal u niet zijn ontgaan dat Nederland sinds 1 januari 2018 nieuwe regels heeft voor gehuwden en geregistreerde partners. Wat u mogelijk wel is ontgaan is de regeling die is gaan gelden voor alle ondernemers van wie de onderneming geen gemeenschappelijk vermogen met een partner is.

Het gaat om de volgende ondernemers:

Gehuwd en geregistreerd partner vóór 1 januari 2018?

  • U hebt een eenmanszaak, bent vennoot in een vof, cv of maatschap, of u bent directeur-grootaandeelhouder van een (of meerdere) BV’s (hierna: uw onderneming)
  • Daarnaast bent u gehuwd op huwelijkse voorwaarden (of u hebt partnerschapsvoorwaarden), waarin is vastgelegd dat uw onderneming tot uw privévermogen behoort en al het overige vermogen van u en uw partner (of een deel daarvan) in een huwelijksgemeenschap valt, 
    OF
  • Daarnaast bent u gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en u hebt uw onderneming geërfd of geschonken gekregen met toepassing van een uitsluitingsclausule.

Gehuwd en geregistreerd partner ná 1 januari 2018?

  • U hebt een eenmanszaak, bent vennoot in een vof, cv of maatschap, of u bent directeur-grootaandeelhouder van een (of meerdere) BV’s (hierna: uw onderneming)
  • Daarnaast bent u gehuwd op huwelijkse voorwaarden (of u hebt partnerschapsvoorwaarden), waarin is vastgelegd dat uw onderneming tot uw privévermogen behoort en al het overige vermogen van u en uw partner (of een deel daarvan) in een huwelijksgemeenschap valt, 
    OF
  • Daarnaast bent u gehuwd volgens de nieuwe wettelijke regels, zodat uw onderneming tot uw privévermogen behoort.

Ondernemer is vergoeding verschuldigd aan de huwelijksgemeenschap

In het nieuwe huwelijksvermogensregime gaat de wetgever ervan uit, dat alle inkomsten die u en uw partner gedurende het huwelijk verdienen in de huwelijksgemeenschap vallen. Voor u als ondernemer valt derhalve uw arbeidsbeloning (of de privé-onttrekkingen aan uw onderneming) in de huwelijksgemeenschap. Omdat u als ondernemer echter ook ‘verdiensten’ heeft uit uw onderneming in de vorm van waardegroei of dividend (al dan niet opgepot in uw onderneming), vindt de wetgever dat u deze ‘verdiensten’ aan de huwelijksgemeenschap moet vergoeden. Het gaat daarbij om een vergoeding die naar maatstaven van redelijkheid wordt bepaald: een redelijke vergoeding. 


Deze redelijke vergoeding heeft alleen betrekking op de waardegroei die is ontstaan door arbeidsinspanningen tijdens de huwelijkse periode. Het gaat niet om waardegroei die vóór uw huwelijk als bestond of welke is ontstaan door externe marktfactoren of autonome waardegroei (zoals bijvoorbeeld bij vastgoed). 


Hebt u een BV met winstreserves? Dan vertegenwoordigen die reserves de basis voor het bepalen van de redelijke vergoeding.

Kortom: volgens de wet deelt u als ondernemer niet alleen uw arbeidsbeloning met uw partner maar ook een redelijke vergoeding uit de meerwaarde of uit opgepotte winsten van uw onderneming. 

Let op! Gehuwd en geregistreerd partner vóór 1 januari 2018? 
Deze regeling geldt ook voor u, als u voldoet aan de voorwaarden zoals hierboven genoemd. Het gaat dan om de waardegroei van uw onderneming vanaf 1 januari 2018 tot aan het einde van uw huwelijk.

Kom in actie en voorkom financiële problemen voor uw onderneming

Het zal u direct duidelijk zijn, dat deze nieuwe wettelijke regel voer voor discussie is bij een onverhoopte echtscheiding. 
Want hoe hoog is die redelijke vergoeding in uw situatie? Wat betekent dit voor de continuïteit van en liquiditeit in uw onderneming? Hoe bepaalt u de meerwaarde in uw onderneming die louter door uw arbeid is ontstaan? De wetgever geeft geen antwoord op al deze vragen en laat de beantwoording ervan over aan de rechtspraak.

Gelukkig kunt u met uw partner afspreken hoe u wilt omgaan met deze nieuwe wettelijke regel. Misschien wilt u ervan afwijken en samen een andere regeling treffen? Of wellicht bent u het er samen over eens dat de ontvangen arbeidsbeloning voor u samen al de ‘redelijke vergoeding’ vertegenwoordigt?

Hebt u huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden, dan legt u de onderling gemaakte afspraken daarin vast. Daarvoor is een bezoek aan de notaris noodzakelijk. 
Hebt u geen huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden? Dan is het zeker zaak om deze alsnog op te stellen, als is het alleen maar om de afspraken over de redelijke vergoeding daarin vast te leggen.

Wij kunnen u hierbij uiteraard helpen. Niet alleen met het cijfermatige deel van de afspraken, maar ook met de begeleiding richting uw notaris.

(Bron: HLB van Daal)

29 januari 2019: De Europese Verordening Huwelijksvermogensrecht

Bent u gehuwd of als partner geregistreerd en…

  • hebben u en uw partner niet dezelfde nationaliteit of heeft u meerdere nationaliteiten?
  • bent u in het buitenland uw huwelijk of geregistreerd partnerschap aangegaan?
  • zijn u en uw partner na het voltrekken van uw huwelijk of geregistreerd partnerschap ieder in een ander land gaan wonen?
  • woont u al geruime tijd in het buitenland?
  • heeft u vermogen in het buitenland?

Dan geldt er voor uw huwelijk of geregistreerd partnerschap wellicht een ander recht dat andere gevolgen met zich meebrengt.

De vraag welk recht van toepassing is op een huwelijk of geregistreerd partnerschap met internationale elementen is vaak lastig te beantwoorden. Met name wanneer de echtgenoten/geregistreerde partners niet dezelfde nationaliteit hebben en zij na het aangaan van de verbintenis niet in hetzelfde land gaan of blijven wonen. Of in het geval de partners jaren in een ander land wonen dan waar zij de eerste tijd na het aangaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap hebben gewoond. Daarbij komt dat veel landen hun eigen regels hebben wat het nog complexer maakt om vast te stellen welk internationaal recht (of misschien zelfs wel rechten) op het huwelijk/geregistreerd partnerschap van toepassing zijn.

Europese Verordening Huwelijksvermogensrecht

Op 29 januari 2019 is de Europese Verordening Huwelijksvermogensrecht in werking getreden. Het doel van de verordening is het geven van duidelijkheid over onder meer het recht van welk land van toepassing is op het huwelijk/geregistreerd partnerschap. Daarnaast biedt het ook de mogelijkheid om zelf duidelijkheid te scheppen over het recht dat van toepassing is op het huwelijk of geregistreerd partnerschap door het maken van een rechtskeuze.

Bent u vóór 29 januari 2019 getrouwd of een geregistreerd partnerschap aangegaan en speelt een van bovenstaande situaties voor u? Laat u dan informeren over het recht van welk land of de rechten van welke landen die op uw huwelijk of geregistreerd partnerschap van toepassing zijn en de gevolgen daarvan. Ook voor deze huwelijken/geregistreerde partnerschappen kan de verordening meer duidelijkheid bieden. Zo kunt u bijvoorbeeld door het opstellen van huwelijkse voorwaarden een keuze maken voor het recht dat van toepassing zal zijn op uw huwelijk of geregistreerd partnerschap. Dat kan naar de toekomst toe en onder voorwaarden zelfs ook voor het verleden.  

Bent u na 29 januari 2019 getrouwd of gaat u nog trouwen en speelt één van bovenstaande situaties bij u, laat u dan adviseren over de gevolgen van de verordening en hetgeen u zelf zou kunnen regelen om ongewenste gevolgen te voorkomen.

(Bron: WVDB)

Een voordeel om bij echtscheiding aanmerkelijkbelanghouder te zijn?

Bij een echtscheiding spelen niet alleen de emotionele aspecten een grote rol. Ook de verdeling van het vermogen is vaak geen gemakkelijke klus. Uit een recente uitspraak van de rechtbank volgt dat er op fiscaal gebied mogelijk een voordeel behaald kan worden wanneer een aandelenpakket van meer dan 5% deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap.

In de betreffende zaak waren man en vrouw in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot de huwelijksgemeenschap behoorden onder andere de aandelen in twee vennootschappen, een eigen woning en schulden ten aanzien van de eigen woning. De man verkreeg de aandelen en een gedeelte van de eigenwoningschuld en de vrouw verkreeg de eigen woning en het resterende gedeelte van de eigenwoningschuld. De man wilde de eigenwoningschuld aan zijn aanmerkelijk belang (de aandelen in de vennootschappen) toerekenen, zodat hij de betaalde rente in mindering kan brengen op zijn inkomen uit aanmerkelijk belang (zoals dividenduitkeringen). De rechtbank is het hier gedeeltelijk mee eens.

Op het moment van echtscheiding c.q. verdeling vindt er een zogenoemd herbeoordelingsmoment plaats. Op dat moment wordt er opnieuw beoordeeld of er een verband bestaat tussen eventuele schulden en het aanmerkelijk belang. In deze zaak moest de man (een gedeelte van) de eigenwoningschuld overnemen om de aandelen in de vennootschappen te kunnen verkrijgen c.q. behouden.

De rente die de man betaalde kon hij echter niet volledig als kosten in aftrek brengen, omdat hij een groter gedeelte van de schuld op zich heeft genomen dan nodig was geweest als zij de gemeenschap 50/50 hadden verdeeld. Alleen de rente die ziet op de verkrijging van het aandelenpakket mag als kosten in aanmerking worden genomen.

Voor ondernemers die gaan scheiden is deze uitspraak relevant. De feiten en omstandigheden van het concrete geval bepalen of deze uitspraak voor u voordelig is.

Heeft u vragen over dit bericht of over (fiscale aspecten van) echtscheiding in het algemeen? Dan kunt u contact opnemen met Mathieu Neve. Hij helpt u graag verder.  

(Bron: WVDB)

Belastingdienst stuurt brief na echtscheiding

Mensen die in 2018 zijn gescheiden, krijgen een brief van de Belastingdienst. Hierin staan tips voor de aangifte inkomstenbelasting over 2018 en wordt onder andere aangeraden om samen aangifte te doen. 

Als een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst beëindigd wordt gedurende het jaar, dan kunnen de (ex-)partners ervoor kiezen toch het hele jaar als fiscale partner te worden beschouwd. De inkomsten en aftrekposten mogen dan nog verdeeld worden.
Blijft één van de partners in de koopwoning wonen? Dan heeft dat gevolgen voor de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait. 

Laat u informeren

Gezamenlijk aangifte doen voorkomt vaak fouten en maakt het gemakkelijker de inkomsten en aftrekposten optimaal te verdelen. Laat u hierbij altijd goed informeren zodat de aangifte juist wordt ingediend.

Subsidie voor duurzame inzetbaarheid personeel

Het Europees Sociaal Fonds (ESF) richt zich op de bevordering van duurzame inzetbaarheid. Duurzaam inzetbaar zijn werknemers die gezond, gemotiveerd, competent en productief aan het werk kunnen zijn én blijven. Gaat u investeren in de duurzame inzetbaarheid van uw personeel? Dan kunt u in aanmerking komen voor een subsidie van het ESF. U kunt deze subsidie aanvragen van 8 tot en met 12 april 2019.

Subsidie voor duurzame inzetbaarheid personeel

Het Europees Sociaal Fonds (ESF) richt zich op de bevordering van duurzame inzetbaarheid van personeel. Duurzaam inzetbaar zijn werknemers die gezond, gemotiveerd, competent en productief aan het werk kunnen zijn én blijven. Gaat u investeren in de duurzame inzetbaarheid van uw personeel? Dan kunt u in aanmerking komen voor een subsidie van het ESF. U kunt deze subsidie aanvragen van 8 tot en met 12 april 2019.

Wie kan subsidie aanvragen?

Bedrijven en instellingen met een of meer vraagstukken op het gebied van interne mobiliteit, vitaliteit, flexibiliteit of persoonlijke ontwikkeling van de medewerkers, kunnen een beroep doen op de subsidieregeling. De kosten die in aanmerking komen voor subsidie, zijn de kosten voor het laten opstellen van een advies met implementatieplan of voor het begeleiden van de implementatie van het advies in combinatie met de inzet van een externe P&O-adviseur.

Hoe ziet de subsidieregeling eruit?

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor een externe P&O-adviseur die aan de slag gaat met uw vraagstuk. Om in aanmerking te komen voor de subsidieregeling moet een organisatie minimaal € 12.000 investeren (waarvan na afloop € 6.000 vergoed kan worden). Het maximale bedrag wat u vergoedt kunt krijgen is € 12.500. Hierbij geldt een vastgesteld uurtarief van € 100 per uur voor de werkzaamheden van de externe P&O-adviseur. 

De P&O-adviseurs van ABAB zijn specialist op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Zij stellen samen met u een plan op om de duurzame inzetbaarheid binnen uw organisatie te vergroten en begeleiden de implementatie daarvan.

Subsidieaanvraag en afronding

Om ervoor te zorgen dat het plan in aanmerking komt voor de ESF-subsidie, werkt de P&O-adviseur samen met de consultants van Subsidiefocus. Subsidiefocus verzorgt de administratieve afhandeling van de subsidie en dient de subsidieaanvraag in. Voor deze werkzaamheden wordt een vergoeding gevraagd.

U betaalt vooraf voor de werkzaamheden. Na oplevering en afronding van het traject en goedkeuring van de subsidieverstrekker, ontvangt u 50% van hetgeïnvesteerde bedrag middels een subsidie van het ESF terug.

(Bron: ABAB)

Wet bescherming bedrijfsgeheimen in werking

Op 23 oktober 2018 is in werking getreden de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (‘Wbb’) (Stb. 2018, 369, i.w.tr. Stb. 2018, 370).

De Wbb vormt een implementatie van Europese Richtlijn 2016/943/EU die op zijn beurt de implementatie vormt van art. 39 van het WTO-TRIPs-verdrag dat bescherming van bedrijfsgeheimen voorschrijft.

De bescherming van bedrijfsgeheimen verliep in Nederland tot de invoering van de Wbb 99 jaar lang (sinds het arrest Lindenbaum/Cohen, HR 31 januari 1919, NJ 1919/161) via de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), via het contractenrecht en via het strafrecht.

Ieder verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen zonder toestemming is onrechtmatig. Dat klinkt begrijpelijk en eenvoudig. Maar de uitwerking roept tal van interessante vragen op.

Wanneer is iets (een bedrijfs)geheim?

In art. 1 Wbb is de volgende definitie opgenomen:

bedrijfsgeheim: informatie die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  1. zij is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie;
  2. zij bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en
  3. zij is door degene die daar rechtmatig over beschikt, onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden.

‘Geheim’ betekent dat de informatie niet gemakkelijk toegankelijk is, ook niet voor deskundigen. ‘Handelswaarde’ betekent dat ‘onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken daarvan schadelijk zou kunnen zijn voor de belangen van de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, aangezien daardoor afbreuk wordt gedaan aan het wetenschappelijk en technisch potentieel, de zakelijke of financiële belangen, de strategische posities of het concurrentievermogen van die persoon’ (ov. 14 bij de Richtlijn).

Dit klinkt erg ruim en dat is het ook. Vaak zal het gaan om informatie waarmee geld verdiend kan worden door deze toe te passen. Denk aan geheime recepten en productieprocessen. Maar strategische plannen van een onderneming kunnen er ook onder vallen. En televisieformats, of marketingplannen die nog niet zijn openbaar gemaakt. En wat te denken van examenopgaven die nog geheim zijn?

Het is niet eenvoudig om voorbeelden te bedenken van geheimen van of over bedrijven die geen handelswaarde hebben. Mogelijk valt bedrijfsgevoelige of koersgevoelige informatie over fraude, misstanden, aanstaande bestuurswisselingen, overnames of reorganisaties niet onder het begrip ‘bedrijfsgeheim’ in de zin van de Wbb. Maar dat betekent uiteraard niet dat het openbaar maken daarvan niet tóch onrechtmatig kan zijn. Voor het ‘klokkenluiden’ kent de Wbb in art. 4 overigens een expliciete uitzondering.

Redelijke maatregelen

Bij ‘redelijke maatregelen’ moet gedacht worden aan “het opnemen van geheimhoudingsclausules in handelscontracten, het opnemen van geheimhoudingsbepalingen in arbeidsovereenkomsten en arbeidsreglementen, het expliciet benoemen of registreren van bedrijfsgeheimen (dat wil zeggen een organisatorische maatregel ter beveiliging, zoals een bepaling dat alleen sleutelfiguren in een bedrijf toegang hebben tot de geheimen of het verrichten van een i-depot) en het bewaken van het bedrijfsterrein of de betrokken installatie. Voorts is te denken aan digitale beschermingsmaatregelen zoals encryptie, bijvoorbeeld ter voorkoming van het inbreken in computerbestanden of e-mail.” (W.v. 34 821, nr. 3, p.17).

Het lijkt een open deur om te stellen dat informatie die bekend wordt of uitlekt omdat er onvoldoende ‘redelijke maatregelen’ zijn genomen, daardoor niet meer geheim is en dus geen bescherming als bedrijfsgeheim meer geniet. Maar dit is vermoedelijk wel de belangrijkste praktische boodschap voor bedrijven: die ‘redelijke maatregelen’ móeten genomen worden. Die noodzaak is enigszins vergelijkbaar met de verplichtingen onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het regelmatig verzenden van bedrijfsgeheimen via onbeveiligde e-mail of via WeTransfer betekent mogelijk al dat er dus geen redelijke maatregelen worden genomen. Het feit dat een werknemer per ongeluk een bedrijfsgeheim naar de verkeerde persoon stuurt, hoeft niet, maar kan wel betekenen dat er geen ‘redelijke maatregelen’ waren genomen om dit te voorkomen. De enkele stelling dat die werknemer in strijd handelde met zijn arbeidsovereenkomst, lijkt niet voldoende.

Wie is rechthebbende?

Rechthebbende op een bedrijfsgeheim is de houder van het bedrijfsgeheim: ‘iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt’. Ook deze definitie roept vragen op.

Betekent dit dat íedere licentienemer die rechtmatig kennis heeft van het bedrijfsgeheim en die kennis ook toepast, ook gerechtigd is om de rechten verbonden aan het zijn van houder van een bedrijfsgeheim op zijn eigen houtje uit te oefenen jegens derden? Denk aan het instellen van verbodsvorderingen, beslagleggen en schadevergoedingsvorderingen. Dat zal toch meestal niet de bedoeling zijn van de licentiegever van wie het bedrijfsgeheim afkomstig is. Maar dat zal hij dan vermoedelijk wel contractueel moeten vastleggen.

Betekent dit ook dat een ieder die door reverse engineering een geheim ontdekt heeft, zelf ook weer rechthebbende op dat geheim wordt en dat recht kan uitoefenen? ‘Observatie, onderzoek, demontage of testen van een product of voorwerp dat ter beschikking van het publiek is gesteld of dat op een rechtmatige manier in het bezit is van degene die de informatie verwerft en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting het verkrijgen van het bedrijfsgeheim te beperken’ is namelijk toegestaan en levert rechtmatig gebruik op. Of is het bedrijfsgeheim niet meer geheim zodra iemand door reverse engineering heeft ontdekt wat het is?

Wie maakt inbreuk?

Verkrijgen

Verkrijging van een bedrijfsgeheim is onrechtmatig wanneer iemand zich schuldig maakt aan ‘onbevoegde toegang tot of het zich onbevoegd toe-eigenen of kopiëren van documenten, voorwerpen, substanties, materialen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid’.

Gebruiken of openbaar maken

Gebruiken of openbaar maken is onrechtmatig als het bedrijfsgeheim onrechtmatig is verkregen of wanneer een contractuele verplichting tot geheimhouding wordt geschonden. Dit ligt voor de hand.

Had moeten weten

Maar, ‘het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim is ook onrechtmatig wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon op het moment van het verkrijgen, gebruiken, of openbaar maken, wist, of gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte’ (art. 2 lid 3).

Hier komen we in de sfeer van het profiteren van andermans wanprestatie. In geval van opzet of kwader trouw is dit duidelijk. Maar derden kunnen lang niet altijd weten dat iets een bedrijfsgeheim is (geweest).

Verkoop van ‘inbreukmakende goederen’

Nog verder gaat het dat iemand die ‘inbreukmakende goederen’ invoert, aanbiedt of opslaat ook onrechtmatig kan handelen. (inbreukmakende goederen: ‘goederen waarvan het ontwerp, de kenmerken, de werking, het productieproces of het in de handel brengen aanzienlijk voordeel heeft of hebben bij bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt’).

Als een handelaar ‘wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim onrechtmatig werd gebruikt’ bij het in het verkeer brengen, kan er ook bij hem op dergelijke goederen beslag worden gelegd of een verkoopverbod worden gevorderd. Maar wat nu als de handelaar op het moment van inkoop van niets wist, maar vervolgens op de hoogte wordt gesteld? Mag hij dan nog iets verkopen?

Wat te denken van goederen waar op zichzelf niets mis mee is, maar waarbij bij de eerste verkoop gebruik is gemaakt van een klantenlijst die door een ex-werknemer aan een concurrent is doorgespeeld? Zijn die goederen dan ‘besmet’ en mag de verdere (door)verkoop ervan worden verboden vanwege die schending van een bedrijfsgeheim bij de eerste verkoop?

Het heeft er alle schijn van dat onvoldoende is nagedacht over dit vergaande ‘zaaksgevolg’ van schending van bedrijfsgeheimen.

Beperkingen

De Wbb kent beperkingen ten gunste van de pers- en informatievrijheid en van het ‘klokkenluiden’(het onthullen van wangedrag, fouten of illegale activiteiten) (art. 4).

Procesrechtelijke bepalingen

Een apart sub-specialisme is de geheimhouding tijdens een procedure over de beweerdelijke schending van bedrijfsgeheimen. Regels daarover zijn onder andere opgenomen in een nieuwe titel 15a Rv, art. 1019ia t/m 1019ie. Om te bewijzen dat iemand anders gebruik maakt van jouw bedrijfsgeheim is het nodig om in ieder geval aan de rechter, maar ook aan de wederpartij, duidelijk te maken wat het bedrijfsgeheim is en waaruit blijkt dat de wederpartij het gebruikt. Maar daarbij wil je het geheim zèlf tegelijkertijd ook geheimhouden, in ieder geval voor derden. En om dat inbreukmakend gebruik aan te tonen, wil je mogelijk bewijsbeslag leggen bij de wederpartij. Maar dat mag weer niet uitmonden in een fishing expedition waarbij juist bedrijfsgeheimen van die wederpartij worden onthuld. Zie bijvoorbeeld het recente arrest van de Hoge Raad waarin al wordt geanticipeerd op de Wbb. (HR  28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, Organik / Dow).

Daarom is nu in art. 1019ib expliciet bepaald dat het aan deelnemers aan ‘gerechtelijke procedures tot bescherming van bedrijfsgeheimen ingevolge de Wet bescherming bedrijfsgeheimen’ verboden is ‘bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen te gebruiken of openbaar te maken die de rechter op verzoek van een partij als vertrouwelijk heeft aangemerkt en die hun ter kennis zijn gekomen als gevolg van een dergelijke deelname of toegang’. De rechter kan ook bepalen wie er kennis mogen nemen van die geheimen.

Maar die mogelijkheid bestaat ook voor procedures die zelf niet over bedrijfsgeheimen gaan. Aan art. 22 wordt een nieuwe derde lid toegevoegd:

“De rechter kan, indien kennisneming van stukken door een partij de bescherming van een bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. […]”

Dit roept ook weer belangrijke vragen op. Wat moet een advocaat met informatie die hij niet met zijn cliënt mag delen? Is dit niet een inbreuk op de bijzondere vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt? De advocaat kan vaak niet oordelen over de (technische) geheime informatie waar hij wèl kennis van mag nemen, maar die hij níet met zijn client mag delen. Hoe kan hij daar dan iets zinnigs mee doen?

Volledige proceskosten

Voor het overige bevat de nieuwe titel 15a Rv bepalingen die grote gelijkenis vertonen met het IE-procesrecht opgenomen in titel 15 Rv. Bij amendement is daar ook de mogelijkheid van een volledige proceskostenveroordeling bij opgenomen. Die volledige proceskostenveroordeling stuitte bij een deel van de Eerste Kamer op grote bezwaren, hetgeen ook de reden is dat de Wbb niet tijdig is geïmplementeerd. De Richtlijn had al op 8 juni 2018 moeten zijn geïmplementeerd. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, is een wijziging aangekondigd waardoor het mogelijk wordt om bij AMvB ten aanzien van zaken over bedrijfsgeheimen regels te stellen ‘in welke gevallen de rechter de in het ongelijk gestelde partij kan veroordelen in de kosten’. (w.v. 34 821, H).

Veel ervaring in common law landen

Tot slot is het nuttig om te melden dat er in de Angelsaksische wereld heel veel ervaring bestaat met trade secret protection als onderdeel van confidential information. Er is daar veel rechtspraak en allerlei leerstukken, zoals relative secrecy en de springboard doctrine, zijn daar al decennia in ontwikkeling. Bescherming van bedrijfsgeheimen en het bijbehorende procesrecht is daar al heel lang een belangrijke en afzonderlijke tak van sport. En dat gaat het in Nederland en de rest van de EU de komende jaren zeker ook worden. Met veel vragen van uitleg aan het HvJ EU over de verschillende geharmoniseerde begrippen en regels.

(Bron: mr-online)

Vóór 1 mei checken: voorlopige berekening tegemoetkomingen Wtl

Werknemers met een kwetsbare positie kunnen u veel financieel voordeel opleveren. Of u hier recht op heeft, hoort u jaarlijks uiterlijk 15 maart van UWV. Zorg dat u geen voordeel misloopt: controleer vóór 1 mei of deze instantie in haar voorlopige berekening de juiste werknemers en bedragen in het vizier heeft.

De Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) voorziet in financieel voordeel bij ouderen, arbeidsgehandicapten en -beperkten, jongeren en werknemers met een laag inkomen. U moet hiervoor bij elk van deze doelgroepen aan specifieke voorwaarden voldoen. In zijn voorlopige berekening geeft UWV aan voor welke werknemer(s) u volgens deze instantie recht heeft op een tegemoetkoming. En welk voordeelbedrag hierbij hoort.

Goed en snel controleren

Het is belangrijk om deze informatie en berekeningen goed, maar vooral ook snel te controleren. Klopt er iets niet, dan ontvangt u mogelijk een te lage of zelfs helemaal geen tegemoetkoming. Tegelijkertijd krijgt u maar weinig tijd om correcties door te geven. Dit kan tot uiterlijk 1 mei aanstaande, daarna neemt UWV ze niet meer in behandeling. Vroeger kon u nog tot ruim een jaar na dato met terugwerkende kracht corrigeren, maar in 2017 is deze termijn fors ingeperkt.

 Wtl-check: zo pakt u dat aan Check met behulp van de voorwaarden op uwv.nl of u werknemers in dienst heeft die tot de doelgroep behoren. Benut de voorbeeldspecificatie met toelichting om te zien hoe u de informatie en berekeningen van UWV moet interpreteren. Doe uw voordeel met aandachtspunten en tips van UWV over veelvoorkomende fouten én uw mogelijkheden om ze te corrigeren.

Uiterlijk deze zomer zekerheid

Uiterlijk 31 juli 2019 ontvangt u van de Belastingdienst de definitieve berekening van de tegemoetkoming(en). Uitbetaling volgt binnen 6 weken na de beslissing.

Is payrolling nog interessant na de invoering Wet arbeidsmarkt in balans?

Het werkgeverschap brengt veel verplichtingen en risico’s met zich mee. Daarvoor werd een oplossing gevonden in payrolling, wat inhoudt dat het werkgeverschap wordt overgenomen door een payroller die vervolgens de risico’s en administratieve lasten draagt. Met de Wet arbeidsrecht in balans (hierna: WAB) wil de regering voorkomen dat payrolling wordt gebruikt om te concurreren op arbeidsvoorwaarden.

Daarom staan in het wetsvoorstel WAB maatregelen om ervoor te zorgen dat werknemers die op payrollbasis werken dezelfde arbeidsvoorwaarden hebben als de werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies die direct in dienst zijn bij de inlener. Payrollwerkgevers kunnen onder de WAB straks geen uitzendbeding en ruimere ketenbepaling meer hanteren voor payrollwerknemers. Daarnaast zullen payrollwerkgevers ook moeten zorgen voor een pensioenregeling die aansluit bij de pensioenpremies in de betreffende sector of bij minstens de gemiddelde werkgeverspremie voor een pensioen in Nederland.

Kosten pensioenregeling

Neemt de payrollwerknemer niet deel aan deze pensioenregeling van de inlener, dan zullen er vaste voorwaarden gelden voor de pensioenregeling van de payrollwerkgever zelf. Die worden opgenomen in het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Minimumvoorwaarden voor de pensioenregeling zijn:

  • er mag geen sprake zijn van een wachttijd of drempelperiode voordat de opbouw van het ouderdomspensioen begint;
  • de pensioenregeling moet – naast een ouderdomspensioen – ook een voorziening bevatten voor een nabestaandenpensioen;
  • de premie die ten laste van de werkgever komt, is ten minste gelijk aan de gemiddelde werkgeverspremie bij Nederlandse pensioenfondsen.

De kosten van de pensioenregeling komen voor rekening van de payrollbureaus, maar zij kunnen er natuurlijk voor kiezen om de kosten door te rekenen aan de inleners.

Dit kan voor u als ondernemer dus het moment zijn om opnieuw de overweging te maken of  payrolling nog wel passend is bij uw onderneming! Bij payrolling geeft u de loonlijst uit handen aan een externe partij, oftewel een payrollbedrijf. Deze organisatie is daarmee in juridisch opzicht de werkgever en dus ook risicodrager in geval van bijvoorbeeld ziekte. Een ‘payrollbureau’ draagt ook zorg voor de arbeidscontracten, de toepassing van de arbeidsvoorwaarden conform cao bepalingen, doorbetaling bij ziekte, verzuimbegeleiding, de procedures bij arbeidsongeschiktheid en voor de afdrachten van premies en pensioenen. Voor u is het vooral handig om de personeelsadministratie uit handen te geven, waardoor u zich met het ondernemen bezig kan houden.

Wat zijn risico’s om rekening mee te houden

Het risico bestaat echter dat als een werknemer via een payrollconstructie wordt ingehuurd, hij of zij veel minder binding heeft met het bedrijf. Het uit elkaar trekken van het formele en materiële werkgeverschap (in de payrollconstructie) kan ook leiden tot onduidelijkheden en onwenselijkheden voor de werkgever. Stelt u de situatie voor waarin iemand ziek wordt en re-integratie nodig heeft. Inlener en payrollbedrijf wijzen naar elkaar terwijl de re-integratie uw verantwoordelijkheid blijft. Ook zijn de kosten voor een payrollconstructie aanzienlijk hoger dan het zelf in dienst nemen van een werknemer, helemaal nu de kosten voor een pensioenregeling onder de WAB aan u doorberekend kan gaan worden.

Zelf de regie voeren? Laat u informeren

Wanneer u overweegt om in plaats van payrolling weer zelf de regie te gaan voeren dan hebben wij diverse mogelijkheden om u te ontzorgen, zodat u zich met het ondernemen kan blijven bezighouden. U kan onder andere bij ons terecht voor de salarisadministratie, personeelsadvies, duurzame inzetbaarheid, arbeidszorg en juridisch advies. Onze gehele dienstverlening kan op maat voor u worden ingericht. Bent u nieuwsgierig geworden in wat wij voor u kunnen betekenen, neem dan contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek!

(Bron: Flynth)