Werkgevers let op: de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) is in aantocht

De Wet Arbeidsmarkt in Balans, de WAB, is in aantocht. Aangezien de wet in januari 2020 ingaat, kan dat dit jaar al gevolgen voor uw onderneming hebben. Er komen diverse veranderingen aan, onder andere in de ketenregeling, de transitievergoeding en de werkwijze met oproepkrachten. Belangrijk om nu al rekening mee te houden.

Welke veranderingen zijn voor u het meest van belang?

De belangrijkste veranderingen die het huidige wetsvoorstel met zich meebrengt zijn de volgende:

  • De ketenregeling gaat weer naar drie contracten in drie jaar. Nu is dat drie contracten in twee jaar.
  • De berekening van de transitievergoeding wijzigt. De opbouw wordt voortaan voor alle werknemers, ongeacht leeftijd of duur dienstverband, aangepast naar 1/6 bruto maandsalaris per half dienstjaar (oftewel 1/3 bruto maandsalaris per heel dienstjaar. Daar staat echter tegenover dat voortaan bij elk dienstverband, zowel tijdelijk als vast, vanaf de eerste dag recht op transitievergoeding wordt opgebouwd. Nu is dat bij tijdelijke dienstverbanden pas vanaf twee jaar het geval. De transitievergoeding ‘nieuwe stijl’ wordt bovendien naar rato afgerond per dag.
  • Oproepkrachten moeten voortaan minimaal vier dagen van tevoren worden opgeroepen. Doet u dat niet dan heeft de werknemer het recht het werk te weigeren. En zegt u een oproep tot werken korter dan vier dagen van tevoren af, dan moet u de oproepkracht deze uren alsnog uitbetalen. Ook moet u na twaalf maanden dienstverband de werknemer een contract bieden voor het gemiddelde aantal uren dat hij in dat jaar heeft gewerkt. Oproepcontracten worden dus sneller minder flexibel.
  • Payrollers moeten voortaan hetzelfde verdienen als uw eigen werknemers. Alleen voor het pensioen geldt nog de eigen regeling van het payrollbedrijf.
  • De WW-premie voor tijdelijke dienstverbanden wordt duurder dan de WW-premie voor vaste dienstverbanden. De WW-premie wordt dus voortaan gekoppeld aan de aard van het contract (tijdelijk of vast) en niet meer aan de sector waartoe uw bedrijf behoort.

De WAB is inmiddels door beide Kamers goedgekeurd/aangenomen, maar nog niet formeel ingevoerd. Moet u desondanks nu al in actie komen?

Ja, dat kan verstandig zijn.

  • Omdat de wet eerst per 1 januari 2020 ingaat en directe werking krijgt kan de referteperiode van twaalf maanden voor de oproepkrachten al in 2019 gaan lopen. Wilt u in 2020 een beperkte omvang van het dienstverband aanhouden, dan kan het verstandig zijn ‘zuinig’ te zijn met het doen van oproepen in 2019.
  • Ook met de ketenregeling kunt u anticiperen, door bijvoorbeeld binnen de oude wettelijke mogelijkheden een contract door te laten lopen na 1 januari 2020, zodat u daarna binnen de nieuwe, langere, ketenregeling nog een derde contract kunt aangaan.
  • Ook met de transitievergoeding kunt u inspelen op de nieuwe wet door af te wegen of u nog even wilt wachten op de gunstiger berekeningsmethode of niet. Deze afweging is met name van belang bij dienstverbanden van langer dan tien jaar en bij werknemers ouder dan 50 jaar. Let op: past u ontslag toe wegens langdurige arbeidsongeschiktheid dan dient u ook de Regeling Compensatie ontslagvergoeding in uw afwegingen mee te nemen.
  • Verder kan het nieuwe stelsel van WW-premiedifferentiatie met zich meebrengen dat in uw afweging de ‘balans’ doorslaat naar het aangaan van een vast dienstverband.

(Bron: Accon avm)

Genoeg wijzigingen dus om nu al rekening mee te houden

Salderingsregeling zonnepanelen verlengd

In juni 2018 meldde minister Wiebes te werken aan een nieuwe subsidieregeling, die de huidige salderingsregeling gaat vervangen. Deze nieuwe regeling voor terugleversubsidie zou in 2020 opengaan, maar gaat niet door.

Inmiddels is bekend dat het kabinet de salderingsregeling voor zonnepanelen tot 1 januari 2023 handhaaft. Het blijft hierdoor financieel aantrekkelijk voor huishoudens en mkb-bedrijven om te investeren in zonnepanelen. De salderingsregeling houdt in dat de stroom die je met zonnepanelen opwekt en terug levert aan het net, wordt afgetrokken van je eigen energieverbruik.

Vanaf 1 januari 2023 zal deze regeling geleidelijk worden afgebouwd. Het voordeel dat huishoudens en bedrijven ontvangen op hun energiebelastingen zal elk jaar iets minder worden en teruggebracht worden tot 0 in het jaar 2031. Vanaf dat moment ontvang je alleen een vergoeding van de energieleverancier voor de terug geleverde zonnestroom.
Ieder huishouden en bedrijf met zonnepanelen zal vanaf 2023 automatisch meegaan met de afbouw van salderen, zonder daar iets voor te hoeven doen.

Geschikte elektriciteitsmeters

Voor het geleidelijk afbouwen van salderen tot 2031 is het noodzakelijk voor de Belastingdienst dat huishoudens en bedrijven beschikken over een meter die levering en teruglevering afzonderlijk kan meten, oftewel een meter met minimaal een dubbel telwerk. Dat kan bijvoorbeeld een slimme meter zijn, maar dat hoeft niet per se. Vanaf 1 januari 2023 is het verplicht om zo’n meter met een dubbel telwerk in huis te hebben. De meters zullen voor die datum worden aangeboden door de netbeheerders.

(Bron: Flynth)

Uitspraak Hoge Raad scherpt verdelingsregels rond schenking, erfenis en echtscheiding aan

Alleen aantoonbare afspraken over gezamenlijke besteding van privékapitaal van een van de huwelijkspartners kunnen voorkomen dat er bij echtscheiding moet worden terugbetaald. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad. Zonder zulke afspraken kan bijvoorbeeld een samen genoten buitenlandse vakantie een vervelend financieel staartje krijgen.

De zaak waarin de Hoge Raad (de hoogste gerechtelijke instantie van ons land) op 5 april 2019 uitspraak deed, draaide om de gezamenlijke uitgave van persoonlijke schenkingen. Een van beide huwelijkspartners had deze drie schenkingen van elk € 10.000 ontvangen onder uitsluitingsclausule. Dit is een bepaling in het testament of in de schenkingsakte die ervoor zorgt dat de erfenis of schenking niet in de huwelijksgemeenschap valt, maar in het privévermogen van de verkrijger.

Privégeld was gezamenlijk opgemaakt

Het geld was dus het persoonlijk eigendom van de vrouw in kwestie, maar zo ging zij er niet mee om. Ze boekte de schenkingen iedere keer over naar de gemeenschappelijke rekening. Hierdoor ging het geld op aan gezamenlijke uitgaven, schulden en vakanties. Toch was zij later, tijdens de bij echtscheiding gebruikelijke kapitaalverdeling, van mening dat zij recht had op terugbetaling. Ze verwees hierbij naar de uitsluitingsclausule: die had tot doel dat het geld van haar zou blijven.

Zonder afspraak is terugbetaling verplicht

In zijn uitspraak geeft de Hoge Raad de vrouw hierin gelijk. Zij heeft inderdaad recht op terugbetaling van het geld, ook al hadden de huwelijkspartners het inmiddels samen opgemaakt. De uitspraak geeft aan dat aan gemeenschappelijke uitgaven besteed privégeld alleen niet hoeft te worden terugbetaald als dit onderling zo is afgesproken. Dit is in de praktijk natuurlijk moeilijk aan te tonen als zo’n afspraak niet op papier is vastgelegd.

Eerst (schriftelijk) afspreken, dan pas uitgeven

Bent u getrouwd, ontvangt u of uw huwelijkspartner een schenking of erfenis met uitsluitingsclausule maar wilt u het geld samen opmaken? Maak hier dan heldere schriftelijke afspraken over vóór u aan de samengeplande vakantie, verbouwing of andere uitgaven begint. Dan komt u later niet voor nare verrassingen te staan.

(Bron: Flynth)

Concept pensioenakkoord: wat is al bekend?

Op 4 juni 2019 zijn de eerste contouren van het (concept) pensioenakkoord bekendgemaakt. De onderhandelingen in november 2018 liepen vast op de stijging van de AOW-leeftijd. De regering is met een handreiking gekomen door de stijging van de AOW voor twee jaar te bevriezen en de koppeling aan de levensverwachting te temperen. De vakbond FNV kan nog roet in het eten gooien. Er zit namelijk een groot gat tussen wat zij als AOW- eis op tafel hadden gelegd en wat in het huidige onderhandelaarsresultaat is opgenomen. Op 14 juni kunnen alle FNV leden hierover stemmen.

Pensioenopbouw via werkgever nog onduidelijk

De invulling van de plannen voor de tweede pijler, pensioenopbouw via de werkgever, blijven nog onduidelijk. Centrale vragen zijn:

  • Hoe wordt het persoonlijk pensioen in de toekomst opgebouwd?
  • Hoe pakt dit uit voor de verschillende generaties?
  • Wie wordt op welke wijze gecompenseerd vanwege een lagere pensioenopbouw?

Afspraken pensioenakkoord die al duidelijk zijn

  • De AOW-leeftijd wordt vanaf 2020 voor twee jaar bevroren. De leeftijd gaat daarna omhoog naar 67 in 2024, in plaats van in 2021 zoals nu het geval is. De eis van de bonden was vijf jaar bevriezing. Voor de jaren na 2024 is een gedempte koppeling met de levensverwachting afgesproken: voor elk extra jaar levensverwachting stijgt de AOW-leeftijd met acht maanden. Dit kost het kabinet structureel €4 miljard per jaar. De bonden hadden ingezet op zes maanden.
  • Mensen met een zwaar beroep kunnen drie jaar eerder stoppen met werken. Voor bruto inkomens tot €19.000 per jaar hoeven werkgevers niet langer de zogeheten rvu-boete te betalen.
  • Zzp’ers moeten verplicht een arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten, tenzij ze kunnen aantonen voldoende vermogen te hebben om ziekte en arbeidsongeschiktheid op te vangen. Een verplicht pensioen voor hen komt er niet.
  • Voor het nieuwe contract komen er twee varianten, waaruit pensioenfondsen kunnen kiezen:  de collectieve variant zonder buffers en de premieregeling. De doorsnee-systematiek wordt vervangen door degressieve opbouw.
  • Het wordt mogelijk om op de pensioeningangsdatum een bedrag van maximaal 10% van de opgebouwde waarde in een keer op te nemen (lumpsum) ter vrije besteding.

(Bron: ABAB)

Voor vaste kostenvergoeding is vooraf onderzoek nodig

Bevat een vaste kostenvergoeding bedragen die gericht zijn vrijgesteld of intermediaire kosten dan is de vergoeding alleen onbelast te verstrekken door de werkgever als er vooraf onderzoek is gedaan naar de werkelijk door de werknemer gemaakte kosten. Dit staat in een Handreiking van de Belastingdienst.

De Belastingdienst heeft in zijn Handreiking nog maar eens aangegeven dat een kostenonderzoek ook echt vooraf moet plaatsvinden. Zonder kostenonderzoek is de vaste kostenvergoeding gewoon loon voor de werknemer. Als deze dan wordt aangewezen als eindheffingsloon gaat dit ten koste van de vrije ruimte. 

Voorwaarden voor vaste kostenvergoeding

Om een vaste kostenvergoeding voor de intermediaire kosten of gerichte vrijstellingen onbelast te kunnen verstrekken aan werknemers moet een werkgever aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • De werkgever kan het bedrag van de intermediaire kosten en gerichte vrijstellingen aannemelijk maken.
  • De werkgever geeft een omschrijving van de intermediaire kosten en gerichte vrijstellingen per kostenpost, inclusief een schatting van het bijbehorende bedrag.
  • De werkgever geeft aan uit welk bedrag aan intermediaire kosten en gerichte vrijstellingen de vaste kostenvergoeding is opgebouwd.
  • De werkgever voert ter onderbouwing van de vaste kostenvergoeding vooraf een onderzoek naar de werkelijke kosten uit en herhaalt dit op verzoek van de Belastingdienst. Als het om vaste kostenvergoedingen gaat die al bestonden vóór de overgang naar de werkkostenregeling, is een nieuw onderzoek niet nodig op voorwaarde dat de omstandigheden onveranderd zijn gebleven.
  • De werkgever wijst de kostenvergoeding waar een gerichte vrijstelling voor geldt aan als eindheffingsloon. Door de vrijstelling die dan geldt, gaat dit echter niet ten laste van de vrije ruimte. 

Wel of geen kostenonderzoek

Een voorbeeld ter verduidelijking: Een werkgever geeft een vaste kostenvergoeding van € 120 per maand voor de kosten die zij tijdens hun werk onderweg maken. Deze vergoeding is voor maaltijden onderweg, parkeerkosten auto van de zaak, relatiegeschenken en de stomerij.
Doet de werkgever geen kostenonderzoek, dan is de vergoeding in principe belast. Wijst hij de vaste kostenvergoeding aan als eindheffingsloon, dan gaat de vaste kostenvergoeding ten laste van de vrije ruimte. Als de werkgever de vrije ruimte overschrijdt, is hij 80% eindheffing verschuldigd.
Maar als de werkgever besluit vooraf kostenonderzoek te doen, geldt er een gerichte vrijstelling voor de maaltijden en zijn de parkeerkosten en relatiegeschenken intermediaire kosten en wijst ze aan als eindheffingsloon. Deze kosten gaan dan niet ten koste van de vrije ruimte. De stomerijkosten moet de werkgever via de vrije ruimte laten lopen.

(Bron: rendement)

Hoe hoog is het loon tijdens ziekte?

Een werknemer die arbeidsongeschikt raakt door ziekte, heeft maximaal twee jaar lang het recht op loondoorbetaling. De vraag kan zijn of hij ook het recht behoudt op loonbestanddelen zoals een dertiende maand.

Wettelijk is bepaald dat een werknemer bij ziekte de eerste 104 weken recht heeft op minimaal 70% van het brutoloon, met het maximumdagloon als bovengrens en het wettelijk minimumloon tijdens de eerste 52 weken als ondergrens. Vaak is in de cao of arbeidsovereenkomst vastgelegd dat de werkgever een hoger loon moet betalen. Zo ontvangen veel werknemers in het eerste ziektejaar 100% van hun loon. Wie wil weten wat zijn rechten zijn tijdens ziekte, moet dan ook goed naar de cao en de arbeidsovereenkomst kijken.

Niet alleen recht op basisloon tijdens ziekte

Onder het loon tijdens ziekte valt niet alleen het begrensde basisloon. De werknemer heeft ook recht op 70% van de vakantiebijslag en mogelijk eventuele andere vaste loonbestanddelen (loon waar de werknemer met regelmaat recht op heeft), zoals een vaste dertiende maand. Ook variabele loonbestanddelen kunnen tot het loon bij ziekte behoren. Het gaat dan om het gemiddelde loon dat de werknemer zou hebben ontvangen als hij zou hebben gewerkt. Onkostenvergoedingen voor niet-gemaakte kosten tijdens ziekte vallen niet onder het loon. Maar de regels zijn niet altijd even duidelijk en dat zorgt regelmatig voor juridische conflicten, ook omdat werknemers een bepaald loon(bestanddeel) als arbeidsvoorwaarde zien waar zij tijdens arbeidsongeschiktheid recht op blijven houden.

Andere rechten bij bovenwettelijke regeling

Het kan voorkomen dat een werknemer goed verdient en er contractueel is afgesproken dat hij bij ziekte meer loon dan het wettelijk minimum van 70% ontvangt. Als dan in het contract duidelijk is bepaald dat de werknemer bij ziekte enkel het basisloon en de vakantiebijslag krijgt doorbetaald, heeft hij tijdens de arbeidsongeschiktheid geen recht op zijn dertiende maand. Althans, tot dat oordeel kwam het gerechtshof in Arnhem onlangs. Contractueel was voor ziekte onderscheid gemaakt tussen loonbestanddelen. De dertiende maand was ook geen ‘verworven recht’ geworden. De werknemer ontving pas sinds twee jaar de dertiende maand, waarbij hij alleen in het tweede jaar al voor een periode afwezig was vanwege de arbeidsongeschiktheid door ziekte.

(Bron: Rendement)

Vast bedrag KIA voor alle vennoten samen

Als een vof zoveel investeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek volgens de bijbehorende tabel in de wet tot een vast bedrag leidt, moeten de vennoten dit bedrag onderling verdelen.

Een ondernemer probeerde in een zaak voor Hof Den Haag de berekening van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wel erg in zijn voordeel uit te leggen. Samen met zijn broer dreef hij een vof die in 2016 bijna € 120.000 had geïnvesteerd. Volgens de tabel in de wet was de KIA in zo’n geval gelijk aan een vast bedrag minus 7,56% van het bedrag waarmee de investering een bepaalde grens (€ 103.748 in 2016) overschreed. De ondernemer stelt dat men het laatstgenoemde begrip investering moet opvatten als de investering van de ondernemer zelf. Doordat maar de helft van de totale investering aan hem is toe te rekenen, overtreft zijn investering de grens niet en kan hij de maximale KIA claimen. Maar zelfs als dit te ver zou gaan, meent de man dat hij recht heeft op het vaste bedrag minus de helft van de vermindering. Hij motiveert zijn standpunt door te verwijzen naar een andere zaak voor Hof Den Bosch. Zie ook: ‘Fiscus hanteert verkeerde berekening KIA bij maatschap’.

Uitleg hof

Maar Hof Den Haag ziet geen reden om de ondernemer in het gelijk te stellen. De zaak waarnaar hij verwijst, gaat ook over buitenvennootschappelijk vermogen, dat hier niet aan de orde is. Bovendien constateert het hof dat de uitleg van de ondernemer in strijd is met het doel van de wet: voorkomen dat een andere samenwerkingsvorm leidt tot een hogere KIA. Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht is uitgegaan van de KIA over het totale investeringsbedrag. Pas na deze berekening vindt de verdeling onder de vennoten plaats.    

(Bron: Taxence)       

Legateer de oudedagsverplichting

Hoe kijkt de Belastingdienst aan tegen de afwikkeling van een ODV bij overlijden. Het aanwijzen van de langstlevende echtgenoot als begunstigde van de aanspraak op de oudedagsverplichting kan onder voorwaarden uitkomst bieden, aldus mr. drs. Eva Smits in het Vakblad Estate Planning.

Sommige dga’s hebben hun pensioen in eigen beheer omgezet in een zogeheten oudedagsverplichting (ODV). Bij het overlijden van die dga zal de langstlevende partner de ODV-aanspraak erven als de wettelijke verdeling van toepassing is. De kinderen van de dga verkrijgen dan een onderbedelingsvordering op de langstlevende partner. De vraag komt dan op hoe de waardering van de ODV-aanspraak in zo’n geval moet plaatsvinden. Smits denkt dat het meest juist is om daarbij de waarderingsregels voor periodieke uitkeringen te volgen. Maar er zijn ook andere zienswijzen. Deze discussie is echter te omzeilen door een (keuze)legaat in het testament op te nemen. Volgens handreikingen van de Belastingdienst blijft de ODV zuiver als zij krachtens legaat toekomt aan een van de erfgenamen. Smits merkt op dat bij een keuzelegaat de Belastingdienst spreekt van de langstlevende die tevens erfgenaam is. Zij gaat ervan uit dat dit verschil in formulering onbedoeld is en dat andere erfgenamen dan de langstlevende ook kwalificeren. Smits wijst erop dat het ook mogelijk is om de ODV te legateren aan de tweede echtgenoot met een tweetrapsmaking. Door de tweetrapsmaking zijn de kinderen van de dga na het overlijden van zijn tweede echtgenoot gerechtigd tot de ODV-uitkeringen in plaats van de kinderen van de tweede echtgenoot.

Legateren van specifieke bezittingen

Als de langstlevende echtgenoot ook erfgenaam is, krijgt hij een recht op een deel van alle goederen en schulden van de nalatenschap. Daarnaast mag hij zich bezighouden met de verdeling. Mocht dit onwenselijk zijn, dan kan de dga bepaalde bezittingen, bijvoorbeeld de aanmerkelijkbelangaandelen in zijn B.V., legateren aan zijn kinderen. Of hij wijst hen aan als afwikkelingsbewindvoerders.

Langstlevende partner als begunstigde

Nog een andere mogelijkheid is dat de dga in de ODV-overeenkomst de langstlevende echtgenoot aanwijst als begunstigde. Dit geeft de langstlevende echtgenoot meer zekerheid, omdat een ODV-overeenkomst niet eenzijdig is aan te passen en een testament wel. Om de ODV zuiver te houden moet de begunstigde ook erfgenaam zijn en op basis van het testament de ODV-aanspraken verkrijgen. Als de ODV-aanspraak kwalificeert als een derdenbeding, valt deze aanspraak niet in de nalatenschap.

(Bron: Taxence)

Zes bv’s, dus zes keer gebruikelijk loon dga

Als u een aanmerkelijk belang in meerdere bv’s bezit, dient u er in beginsel van uit te gaan dat u als dga uit iedere bv een gebruikelijk loon moet onttrekken. Dit heeft de rechtbank Noord-Holland onlangs beslist.

Gebruikelijk loon

Als dga bent u verplicht ieder jaar een gebruikelijk loon uit uw bv op te nemen. Dit wordt voor het jaar 2019 bepaald op het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of
  • het loon van de best betaalde werknemer van de bv of
  • € 45.000.

Zes bv’s

Onlangs kwam een zaak voor de rechter waarbij een belastingplichtige dga een aanmerkelijk belang had in zes bv’s. Voor deze bv’s verrichtte hij ook werkzaamheden. Hij moest daarom zes keer een gebruikelijk loon van € 45.000 als salaris opnemen.

Tegenbewijs mogelijk

Als u kunt aantonen dat een lager gebruikelijk loon in de rede ligt, mag u van dit lagere loon uitgaan. In deze zaak voerde de dga aan dat een lager gebruikelijk loon te rechtvaardigen was, omdat hij wegens ziekte nauwelijks werkzaamheden voor de bv’s had verricht. Het gebruikelijk loon was naar zijn mening ook te hoog gezien zijn opleiding en de omzet van de bv’s.

Gebruikelijk loon ook geen vergoeding voor werk in andere bv’s

De rechter deelde deze mening niet en de navordering bleef dan ook in stand. Daarbij overwoog de rechter ook nog dat het gebruikelijk loon uit een van de bv’s ook niet bedoeld was als vergoeding van werkzaamheden voor een of meerdere van de andere bv’s.

Let op! Zou dit wel zo geweest zijn, dan moet hiermee volgens een eerdere uitspraak van de Hoge Raad rekening worden gehouden en kan het gebruikelijk loon dus lager worden vastgesteld.

(Bron: Van Oers)

Dga’s en ondernemers komen meer onder de loep van de fiscus

De dga en de ondernemer kunnen weer rekenen op de warme belangstelling van de fiscus. Mr.dr. Chris Dijkstra ging in het onlineprogramma Tax Talks in op de overwegingen van de staatssecretaris in zijn kamerbrief over een beter belastingstelsel. Dijkstra wijst op de hints van de staatssecretaris dat hij niet-uitgekeerd inkomen in box 2 wil gaan belasten.

Dijkstra merkt op dat de ‘Kamerbrief Tweede Kamer bouwstenen voor een beter belastingstelsel’ een heel beschouwend stuk is. Zie ook: ‘Nieuwe onderzoeken naar een beter belastingstelsel’.De staatssecretaris maakt een duidelijk onderscheid tussen belasting op arbeid, kapitaal en consumptie. De belasting op kapitaal is als gevolg van de eigenwoningregeling lager dan in het buitenland. Dijkstra leest uit deze stelling dat de staatssecretaris de belasting op kapitaal wil verhogen. Daarnaast gaat de staatssecretaris in op de vlucht van box 3 naar box 2 en de onwenselijkheid daarvan. Bovendien hint de staatssecretaris op het gaan belasten van vermogen in box 2 dat niet wordt uitgekeerd. Hoe dat concreet gaat uitpakken, is nog onduidelijk.

Versobering faciliteiten voor ondernemers

Ook kijkt de staatssecretaris naar de instrumentele functie van het belastingrecht. De staatssecretaris plaatst hier vraagtekens bij. Dijkstra kan zich goed voorstellen dat bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek de komende jaren verdwijnt terwijl de MKB-winstvrijstelling overblijft. Gebruik de bestaande faciliteiten dus zo lang het nog kan, raadt hij aan.

(Bron: Taxence)