Auto van de zaak? Verdeel de bijtelling

ter beschikking staat, is het vaak voordelig de bijtelling te verdelen.

Bijtelling privégebruik

De bijtelling voor de auto van de zaak hangt samen met het privégebruik dat van de auto gemaakt kan worden en is een percentage van de catalogusprijs. De bijtelling blijft achterwege als bewezen kan worden dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé in het jaar is gereden.

Progressie

Het voordeel van een verdeling van de bijtelling hangt samen met de progressie van het tarief in box 1. Als één van beide partners een lager tarief betaalt, is een verdeling van de bijtelling voordelig.

Voorbeeld:
Stel dat de auto van de zaak een cataloguswaarde van € 50.000 heeft en dat de bijtelling 22% is. Als de ene partner over de top van het inkomen bijvoorbeeld in 2019 een belastingtarief kent van 51,75% en de ander 38,1%, is het verschil in tarief 13,65%. Werken beiden in een man/vrouw-vof en wordt de bijtelling 50%/50% verdeeld, dan scheelt dit jaarlijks, rekening houdend met de mkb-winstvrijstelling van 14%:
€ 50.000 x 22% x 1/2 x (13,65% x 0,86) = € 646
Voor een dga en zijn/haar partner bedraagt het voordeel in dezelfde situatie:
€ 50.000 x 22% x 1/2 x 13,65% = € 751

Auto noodzakelijk

Voorwaarde is dat de partner de auto ook nodig heeft voor de werkzaamheden. Dit kan binnen de vof via een goede taakverdeling al snel aannemelijk worden gemaakt.

Let op! Bovenstaand voorbeeld is vereenvoudigd. Er zijn namelijk veel inkomensafhankelijke zaken, zoals de Zvw-premie en heffingskorting, die ook moeten worden meegerekend bij de verdeling van de bijtelling. Laat daarom uw persoonlijke situatie altijd door uw adviseur doorrekenen. Het is ook specifiek afhankelijk van de situatie en het soort bedrijf of het toegepast kan worden. Overleg daarom met een accountant als u dit wilt toepassen.

Heeft u vragen over een verdeling van de bijtelling van de auto van de zaak, neem dan contact met ons op.

Controleer de factuur van uw leverancier

Wanneer u als ondernemer btw in rekening brengt voor uw producten en of diensten, kunt u de btw op zakelijke facturen aftrekken als voorbelasting. Deze factuur moet volgens de wet echter wel aan verschillende eisen voldoen. Voldoet een inkoopfactuur niet aan deze eisen? Dan loopt u het risico dat de Belastingdienst uw aftrek weigert. Controleer daarom altijd of de facturen van uw leveranciers aan de eisen voldoen.

Factuureisen

Op een factuur zijn onder meer de volgende vermeldingen verplicht:

  • naw-gegevens van de leverancier/dienstverlener én afnemer (een postbusadres alleen is niet voldoende, het volledige vestigingsadres moet vermeld worden)
  • btw-identificatienummer van de leverancier
  • kvk-nummer van de leverancier
  • factuurdatum en prestatiedatum (als deze afwijkt van de factuurdatum)
  • opeenvolgende nummering
  • hoeveelheid en aard geleverde goederen of diensten
  • prijs exclusief btw per btw-tarief, het btw-tarief en het bedrag aan btw

Let op!
Voor een aantal bijzondere regelingen gelden aanvullende bepalingen. Bijvoorbeeld als er sprake is van een vrijstelling, intracommunautaire levering, export, een verleggingsregeling, een nieuw vervoermiddel, de reisbureauregeling, de margeregeling of selfbilling (de afnemer reikt dan de factuur uit). Neem voor meer informatie over deze regelingen contact met ons op.

Vereenvoudigde factuur

Bij kleine factuurbedragen van maximaal € 100 inclusief btw is het mogelijk een vereenvoudigde factuur uit te reiken of te ontvangen. Deze factuur hoeft aan minder eisen te voldoen om toch in de btw-administratie te worden opgenomen. Op deze factuur moeten in ieder geval de naw-gegevens van de leverancier/dienstverlener, een omschrijving van de geleverde goederen of diensten en het bedrag worden vermeld. Een vereenvoudigde factuur is niet toegestaan bij leveringen of diensten vanuit of naar het buitenland.

Factuur met bijlagen

Wellicht krijgt u weleens facturen met aanvullende bijlagen. Deze bijlagen horen bij de factuur en moeten worden meegenomen in de beoordeling of u recht hebt op de aftrek van btw. Op die bijlagen kan namelijk informatie staan die op de eigenlijke factuur ontbreekt, zoals een adres, periode, specificatie, etc. Zorg dus dat u ook de bijlagen (zoals pakbonnen, bestelbonnen, offertes) bij een factuur bewaart.

Geen aftrek btw

Bij een factuur met lichte gebreken kan de Belastingdienst niet zonder meer de aftrek btw weigeren. Bevat de factuur echter meerdere gebreken dan is de kans groter dat de Belastingdienst uw aftrek btw kan weigeren. Loop daarom geen risico en vraag uw leverancier om een factuur die voldoet aan de eisen, zodat uw btw-aftrek geen gevaar loopt.

Let op!
Ook voor de leverancier is het van belang dat aan de factuureisen wordt voldaan, omdat de leverancier een boete kan krijgen als een onjuiste factuur is uitgereikt.

Heeft u al vragen over de factuurvereisten?

(Bron: DRV)

Uitbetaling heffingskortingen verder afgebouwd

Op de te betalen belasting over uw inkomen, mag u de heffingskortingen in aftrek brengen. Als u zelf te weinig belasting betaalt om deze heffingskortingen te kunnen verrekenen, krijgt u de niet-gebruikte heffingskortingen uitbetaald door de Belastingdienst. Deze mogelijkheid wordt de komende jaren afgebouwd.

Waarom?
De reden van de overheid om het uitbetalen van heffingskortingen af te bouwen, is om het verdienen van eigen inkomen te stimuleren. Dan kan men namelijk zelf de heffingskortingen verzilveren.

Hoe werkt het?
Op de te betalen belasting over uw inkomen, mag u eerst de heffingskortingen in aftrek brengen. Als u zelf te weinig belasting betaalt om de heffingskortingen te kunnen verrekenen, krijgt u de niet-gebruikte heffingskortingen uitbetaald door de Belastingdienst. Dit kan onder de voorwaarde dat uw partner voldoende belasting betaalt. De uitbetaling vindt alleen plaats voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Deze uitbetaling wordt al sinds 2009 afgebouwd, maar de mogelijkheid wordt vanaf 2019 verder beperkt.

Geleidelijke afbouw
Van genoemde kortingen kan dit jaar nog 26,7% worden geïnd als uw partner voldoende belasting betaalt. In 2020 is dit nog maar 20%, in 2021 nog 13,3%, in 2022 nog 6,7% en vanaf 2023 niets meer.

Let op!
De afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting geldt niet als degene die de heffingskortingen wil verrekenen vóór 1 januari 1963 geboren is. Dan is er wel recht op de volledige heffingskorting als de partner voldoende belasting betaalt. Deze uitzondering geldt niet voor de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Afbouw omzeilen via box 3
Is het genereren van eigen inkomsten moeilijk of onmogelijk, dan kan de afbouw omzeild worden als er voldoende vermogen aanwezig is in box 3. Hierover moet namelijk inkomstenbelasting worden betaald, waarop de heffingskortingen dan in mindering kunnen worden gebracht.

Vrije verdeling
Het vermogen in box 3 mag tussen u en uw partner vrij verdeeld worden. Partners die getroffen dreigen te worden door de afbouw, kunnen er daarom het beste voor kiezen om degene die de heffingskortingen(en) niet volledig kan verrekenen, voldoende vermogen toe te kennen.

Hoeveel vermogen toekennen?
Hoeveel belasting u over uw vermogen in box 3 betaalt, is afhankelijk van de omvang van uw vermogen. Hoe meer vermogen u bezit, hoe meer u betaalt. U en uw partner moeten daarom berekenen hoeveel vermogen ze ieder bij een bepaalde verdeling aan belasting betalen. Zorg dat degene die onvoldoende inkomsten heeft om de heffingskorting(en) te verrekenen, genoeg vermogen toebedeeld krijgt om deze toch te kunnen verrekenen.

U heeft een bv?
Bezitten u en uw partner minimaal 5% van de aandelen in een bv, dan wordt dit bezit aangemerkt als aanmerkelijk belang (box 2). De inkomsten hieruit zijn eveneens vrij te verdelen tussen partners. U kunt uw partner ook een deel van het inkomen uit aanmerkelijk belang toekennen, zoals dividend. Ook op deze manier kunnen de heffingskortingen toch worden verzilverd. Het kunnen benutten van heffingskortingen kan zelfs een reden zijn om alsnog dividend uit te keren. In feite is daarover dan geen belasting verschuldigd omdat heffingskortingen worden gebruikt die anders verloren waren gegaan.

Heeft u vragen over de afbouw van de heffingskortingen, neem dan contact met uw adviseur.

Overdracht (stakingswinst)lijfrente in eigen beheer

2Veel ondernemers die hun bedrijf nu via een bv uitoefenen zijn in het verleden gestart als ondernemer in de inkomstenbelasting, zoals een eenmanszaak, v.o.f. of maatschap. Bij de overgang naar een bv is daarbij vaak de wens geweest om de daarbij te betalen belastingen uit te stellen naar een later moment. Dit kan onder meer bereikt worden door gebruik te maken van een stakingswinstlijfrente bij de overnemer van de onderneming in de op te richten bv.

Overdracht (stakingswinst)lijfrente

Over het algemeen dient men rond de pensioendatum de uitkeringen van een (stakingswinst)lijfrente te starten. Echter, dat is ook vaak de leeftijd dat men de onderneming wenst te verkopen of over te dragen aan de volgende generatie. Hierbij kan er een wens ontstaan om de (stakingswinst)lijfrente over te dragen aan een andere bv.

Andere-verzekeraarsanctie

Een van de voorwaarden van een (stakingswinst)lijfrente is echter dat deze niet aan een andere (niet-professionele) verzekeraar kan worden overgedragen. Indien je dit toch doet, treedt de zogenaamde ‘andere-verzekeraarsanctie’ in werking, waarbij de lijfrente wordt geacht ineens tot uitkering te zijn gekomen, tegen de werkelijke waarde van de verplichting op dat moment.

Ontheffing van sanctie door inspecteur

Onder voorwaarden heeft de Staatssecretaris van Financiën echter gemeend om geen onnodige belemmeringen voor de overdracht van een onderneming op te moeten werpen en ontheffing van voornoemde sanctie te laten verlenen door de inspecteur. Van ontheffing kan ook sprake zijn indien er sprake is van een juridische splitsing of fusie. In dat geval kunnen er aanvullende voorwaarden of goedkeuringen gelden. Het voert te ver om deze ook in dit artikel te beschrijven.

Voorwaarden

De voorwaarden om een (stakingswinst)lijfrente zonder sanctie over te dragen aan een andere (niet-professionele) verzekeraar zijn als volgt.

  1. De overdracht vindt plaats op zakelijke basis, ter beoordeling van de inspecteur.
  2. Geen gelijktijdige wijziging van de lijfrente zelf, buiten wettelijk mogelijke wijzigingen.
  3. De overdracht kan enkel plaatsvinden samen met de overdracht van de onderneming.
  4. Binnen twee maanden verklaart de overnemer verzekeraar te zijn geworden.
  5. De overnemer voldoet aan de overige wettelijke eisen van een (niet-professionele) verzekeraar.

Bent u voornemens uw (stakingswinst)lijfrente in eigen beheer over te dragen aan een andere (niet-professionele) verzekeraar en/of heeft u over dit artikel nog vragen, neem dan contact op

(Bron: Van Oers)

btw en electronische diensten

Btw-drempel voor kleine ondernemers die ‘TOE-diensten’ verrichten

Op grond van de huidige wetgeving zijn telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten (‘TOE-diensten’) die worden verricht voor eindconsumenten aan btw-heffing onderworpen in het land waar de eindconsument woonachtig is. Deze regel leidt tot veel administratieve complicaties voor kleine ondernemers, onder meer omdat zij moeten bijhouden waar hun afnemers woonachtig zijn. Met het oog hierop mogen kleine ondernemers die TOE-diensten verrichten voor eindconsumenten vanaf 1 januari 2019 het btw-tarief toepassen dat geldt in de Lidstaat waar ze zelf zijn gevestigd. Eén van de voorwaarden is dat hun jaarlijkse grensoverschrijdende omzet niet uitgaat boven de drempel van €10.000.

Vereenvoudiging voor bewijs van woonplaats

Ondernemers die B2C (Business-to-Consumer) TOE-diensten verrichten zijn momenteel verplicht om twee afzonderlijke, niet-tegenstrijdige bewijsstukken te vergaren om de woon- of vestigingsplaats van hun afnemers te onderbouwen. Ook deze regel leidt in de praktijk tot praktische complicaties. Om die reden mogen dergelijke ondernemers per 1 januari 2019 onder voorwaarden uitgaan van slechts één bewijsstuk verstrekt door een derde partij, aangenomen dat hun jaarlijkse omzet beneden de drempel van €100.000 blijft.

Uitbreiding van de MOSS-regeling

Met gebruikmaking van de Mini One-Stop-Shop (MOSS) regeling kunnen bepaalde categorieën ondernemers de btw over hun TOE-diensten aangeven en betalen in slechts één Lidstaat – ook wanneer een deel van deze diensten in andere Lidstaten plaatsvinden. Vanaf 1 januari 2019 kunnen ook ondernemers die buiten de EU zijn gevestigd en reeds een btw-registratie in één van de Lidstaten hebben gebruik maken van de regeling.

Vereenvoudiging factureringsregels

In het kader van B2C TOE-diensten dienen ondernemers facturen uit te reiken die voldoen aan de factureringsregels zoals die gelden in de Lidstaat waar de afnemer woonachtig is. Om deze administratieve complexiteit weg te nemen, mogen ondernemers die dergelijke diensten verrichten en gebruik maken van de MOSS-regeling vanaf 1 januari 2019 de factureringsregels hanteren zoals die toepasselijk zijn in de Lidstaat waarin ze zijn geregistreerd voor de MOSS-regeling.

De bovenstaande wijzigingen in de btw-wetgeving betreffen voornamelijk vereenvoudigingen die ten goede komen van e-commerce ondernemers. Wij juichen deze ontwikkelingen dan ook toe. Tot slot merken we op dat het bovenstaande gebaseerd is op de Nederlandse implementatie van het EU-recht; andere Lidstaten hebben mogelijk afwijkende regels vastgesteld.

Nieuwe spelregels voor de tijd-voor-tijd-regeling

Overwerk van de werknemer compenseert de werkgever vaak met betaalde vrije tijd: de zogenoemde tijd-voor-tijd-regeling. Op 1 januari 2018 wijzigde de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) al eens op dit vlak. Hierdoor werd de tijd-voor-tijd-regeling aanzienlijk ingeperkt. Op 1 januari 2019 komt daar nóg een spelregel bij.

Huidige stand van zaken

Sinds 1 januari 2018 verplicht de WML dat elke werknemer per betalingsperiode ten minste het minimumloon in geld moet ontvangen. Aangezien de tijd-voor-tijd-regeling de overuren in vrije tijd compenseert, in plaats van geld, geldt dit ook voor de uren die de werknemer overwerkt. De werknemers zouden anders onder het minimumloon uitkomen en dat is op de grond van de WML vanaf 1 januari 2018 niet toegestaan.

Voorbeeld:
Een werknemer werkt 40 uur per week tegen een salaris van € 2.100 per maand. Het minimumloon voor deze werknemer is € 2.000 per maand. Als de werknemer in een bepaalde maand 45 uur per week werkt, dan is het minimumloon naar rato € 2.250 per maand. Op grond van de WML heeft de werknemer in die situatie recht op een aanvullende vergoeding van € 150. Over dit bedrag mag de werkgever dus -in beginsel- geen tijd-voor-tijd afspreken met de werknemer.

Het bovenstaande doet zich met name voor in het geval van werknemers die precies het minimumloon verdienen of een bedrag dat er net boven ligt.

Tóch maakt de WML het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om een tijd-voor-tijd-regeling af te spreken, ook als de werknemer door de overwerkuren niet het minimumloon zou ontvangen:

  • als de werkgever schriftelijk met de werknemer een compensatie is overeengekomen, vóórdat de langere arbeidsduur aanvangt; en
  • als de werkgever uiterlijk 1 juli van het opvolgende jaar of uiterlijk in de eerste betalingstermijn na 1 juli van dat jaar de te compenseren uren -alsnog- aan de werknemer uitbetaalt in geld.

Wetswijziging per 1 januari 2019

Per 1 januari 2019 komt hier nóg een voorwaarde bij, namelijk:

  • dat de tijd-voor-tijd-regeling in een toepasselijke CAO opgenomen.

Vanaf 1 januari 2019 moet de werkgever aan de drie bovenstaande vereisten voldoen. Mocht de werknemer minder dan het voor hem geldende minimumloon verdienen, dan geldt het uitgangspunt dat de werkgever het overwerk altijd in geld moet uitbetalen.

Conclusie

De wetswijziging beperkt de tijd-voor-tijd-regeling behoorlijk. De wijziging is voornamelijk een belangrijk aandachtspunt voor werkgevers die een salaris betalen dat gelijk is aan of net boven het minimumloon ligt. Voor de werknemers die een salaris ver boven het minimumloon verdienen, heeft de wetswijziging geen gevolgen.

(Baker Tilly)

WIEG: kraamverlof maakt plaats voor geboorteverlof

1 januari a.s. maakt het kraamverlof plaats voor het geboorteverlof. Tegelijk wordt het adoptie- en pleegzorgverlof verlengd naar zes weken (was vier). Als werkgever is het raadzaam om uw personeelsreglement hierop in te richten. Ontdek wat u kunt doen.

Met de ‘Wet invoering extra geboorteverlof’ (WIEG) gaan uw medewerkers die meer dan twee dagen werken er volgend jaar op vooruit. In plaats van twee dagen kraamverlof, krijgen zij een geboorteverlof met een duur van één werkweek.

Recht op volledig loon
Een werknemer die 36 uur per week werkt, heeft straks dus recht op 36 uur verlof na de bevalling van zijn partner. Tijdens dit verlof houdt de werknemer recht op het volledige loon. Er kan een uitzondering zijn. Staan er in de cao of een regeling met de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PVT) afwijkende afspraken over het kraamverlof? Dan blijven deze afspraken gelden totdat de cao of regeling is verlopen. Dit geldt uiterlijk tot 1 juli 2019.

Vanaf 1 juli 2020 krijgen werknemers naast het geboorteverlof ook recht op aanvullend geboorteverlof. Dit aanvullende verlof bedraagt vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur. Een fulltime werknemer kan dan dus in totaal zes weken verlof opnemen.

Start geboorteverlof
Het geboorteverlof gaat direct in na de dag van de bevalling. Op de dag van de bevalling zelf heeft uw werknemer zogenaamd calamiteitenverlof. Het geboorteverlof moet binnen vier weken na de bevalling worden opgenomen. Tegelijk vervalt het recht op een voorschot van drie dagen ouderschapsverlof dat medewerkers (nu nog) aansluitend op het kraamverlof kunnen nemen.

Adoptie- en pleegzorgverlof

Het adoptie- of pleegzorgverlof wordt verlengd naar zes weken (nu nog vier). Uw werknemers hebben dan recht op een uitkering van 100 procent van het dagloon (tot max. het  maximumdagloon). Werknemers kunnen het adoptie- en pleegzorgverlof opnemen vanaf vier weken voor de eerste dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen tot 22 weken daarna. Uw werknemer hoeft dit verlof niet in één keer op te nemen. Spreiden over 26 weken is ook mogelijk.

(Bron: Flynth)

Controleer de Whk-beschikking 2019

Begin december is de premie Werkhervattingskas (Whk) naar alle werkgevers gestuurd. De Belastingdienst stuurt de beschikking Whk vóór het einde van het jaar naar alle middelgrote en grote organisaties. Hierin staat wat de werkgever het volgende kalenderjaar moet betalen aan premie voor de Whk.

De premie bestaat uit 2 delen:

  • de gedifferentieerde premie voor de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA);
  • de gedifferentieerde premie voor de Ziektewet (ZW).

Werkgevers kunnen tot 50% van alléén de premie WGA verhalen op de werknemers door het in te houden op hun nettoloon.

Bij het vaststellen van de premie gaat nog wel eens wat mis. Binnen 6 weken na dagtekening moet eventueel bezwaar worden ingediend.Voor kleine werkgevers geldt een vaste sectorale premie waartegen geen bezwaar kan worden ingediend.

(Bron: Flynth)

Voorlopige aanslag IB 2019 in sommige situaties verkeerd berekend

Het is mogelijk dat de Belastingdienst de loonheffing in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting voor 2019 verkeerd heeft berekend waardoor de de teruggave groter is dan verwacht of het te betalen bedrag lager.

De Belastingdienst stuurt een excuusbrief en een nieuwe aanslag waarin de loonheffing juist is berekend. De aanslag is mogelijk verkeerd berekend wanneer alle, onderstaande situaties van toepassing zijn:

  • De belastingplichtige is in 2019 jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.
  • De belastingplichtige heeft zowel inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.
  • Er is sprake van dubbele dienstbetrekking.
  • Het hoogste inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking is lager dan € 6.758.
  • Het hoogste inkomen uit vroegere dienstbetrekking is hoger dan het hoogste inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking.

Bron: Belastingdienst

Alsnog teruggaaf over 2016 voor 175.000 belastingplichtigen

In de aanloop van elk nieuw kalenderjaar worden de heffingskortingen opnieuw vastgesteld. Zo ook voor het jaar 2016. Normaal gebeurt dat tijdig, zodat de Belastingdienst hiermee nog rekening kan houden met de uitbetaling van voorlopige teruggaven. Maar dat was niet het geval met de met €12 verhoogde algemene heffingskorting voor 2016. Die verhoging werd pas bekend in december 2015, waardoor de Belastingdienst daar geen rekening meer mee kon houden bij de uitbetaling van de voorlopige teruggaven. Nu wil het geval dat voor een teruggaaf bij de definitieve aanslagregeling in 2016, net als in 2018 overigens, een minimaal teruggavebedrag gold van € 14. Daarom konden veel belastingplichtigen die genoemde € 12 niet alsnog ontvangen bij de definitieve aanslagregeling. Toch is nu besloten om het bedrag alsnog uit te betalen aan, naar wij hebben begrepen, zo’n 175.000 belastingplichtigen. Behoort u tot die groep? Dan zult u hierover binnenkort een brief ontvangen van de Belastingdienst.

(Bron: RB)