Oudedagsverplichting in de BV en overlijden

In de tijd dat uw BV een pensioenverplichting had (dus voor de omzetting naar de oudedagsverplichting) was duidelijk naar wie de uitkering ging indien u onverhoopt zou komen te overlijden. Er zou dan sprake zijn van een partner- en eventueel een wezenpensioen.

Uitkering

De oudedagsverplichting kent echter geen nabestaandendekking. Zodra de uitkeringsreeks eenmaal is aangevangen gaat deze gedurende 20 jaar onverminderd door. Zou u komen te overlijden dan behoren de uitkeringen tot de nalatenschap en volgen dan ook het erfrecht. Indien de uitkeringsreeks nog niet is ingegaan gaat het saldo van de oudedagsverplichting over op de erfgenamen en dienen zij binnen 12 maanden dit saldo aan te wenden voor de aanschaf van een uitkering.

Testament

Heeft u een testament opgesteld, dan volgen de uitkeringen hetgeen in het testament is bepaald. Het is dan ook van belang dat u aandacht besteedt aan wat u wilt dat er met de oudedagsverplichting gebeurt indien u komt te overlijden en nagaat of dat ook daadwerkelijk zo gaat.

Strafheffing

Bedeelt u onverhoopt de uitkering toe aan iemand die niet formeel  erfgenaam is, dan is dit in strijd met de regels en wordt het gehele saldo ineens progressief met inkomstenbelasting belast en beboet met de heffing van revisierente. Deze heffing kan oplopen tot 72%!

(Bron: Koen en Co)

Wet Arbeidsmarkt in Balans

Het Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in Balans (WAB) bevat met name aanpassingen van de Wet werk en zekerheid (De Wet
Werk en Zekerheid is in 2015 ingegaan). Opnieuw wordt geprobeerd de kloof tussen vast werk en flexibel werk kleiner te maken. De aanpassingen zullen waarschijnlijk in 2020 in werking treden. Dit zijn de belangrijkste voorstellen.

Cumulatiegrond ontslag

Ontslag wordt mogelijk als er sprake is van een optelsom van redenen en omstandigheden, de zogeheten cumulatiegrond. Deze nieuwe ‘negende grond’ geeft de rechter de mogelijkheid omstandigheden, zoals disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie (die afzonderlijk onvoldoende zijn om een overeenkomst te ontbinden), te combineren.

Oproepkrachten

  • Oproepkrachten moeten minstens 4 dagen van tevoren worden opgeroepen en houden het recht op loon als de werkgever na die 4 dagen de oproep toch afzegt. Heeft de werkgever deze termijn niet in acht is genomen dan is de werknemer niet meer verplicht om te komen werken.
  • Na een dienstverband van 12 maanden moet de werkgever aan werknemer een aanbod doen voor vaste uren, voor het  gemiddeld gewerkte aantal uren gedurende de afgelopen 12 maanden.
  • Tevens heeft werknemer na een dienstverband van 12 maanden het recht op loondoorbetaling over eveneens het  gemiddeld gewerkte aantal uren gedurende de afgelopen 12 maanden.

Transitievergoeding

Wanneer u een werknemer wilt ontslaan dan bent u meestal een transitievergoeding verschuldigd. De volgende aanpassingen zijn voorgesteld:

  • Werknemers krijgen al recht op transitievergoeding vanaf de eerste werkdag in plaats van na 24 maanden.
  • De transitievergoeding voor dienstververbanden langer dan 10 jaar, wordt verlaagd van 1/2 maandsalaris naar 1/3 maandsalaris per gewerkt dienstjaar.
  • Voor kleine ondernemers komt er een compensatieregeling als transitievergoeding verschuldigd is bij een bedrijfsbeëindiging wegens ziekte of pensioen, en wanneer transitievergoeding verschuldigd is aan zieke werknemers die na 24 maanden uit dienst gaan.
  • Wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt vanwege de cumulatiegrond (zie hierboven), dan heeft de werknemer recht op maximaal 1,5 x de berekende transitievergoeding.

Proeftijd

Bent u voornemens om een nieuwe werknemer in vaste dienst te nemen en wilt u een proeftijd afspreken, dan zijn de volgende wijzigingen van belang:

  • In plaats van 2 maanden mag bij vaste contracten de proeftijd maximaal 5 maanden bedragen.
  • Dit is 3 maanden bij tijdelijke contracten van 2  jaar of langer.

Lagere WW-premie bij vaste contracten

De werkgeverspremie voor WW wordt lager bij vaste contracten en hoger voor tijdelijke contracten. Nu wordt de hoogte van de premie nog betaald afhankelijk van de sector waarin een bedrijf actief is.

Ketenbepaling

  • Het aantal opvolgende tijdelijke contracten wordt aangepast naar drie contracten binnen 36 maanden in plaats van 24 maanden nu.
  • De tussenpauze van 6 maanden mag verkort worden naar drie maanden wanneer dit per CAO wordt vastgelegd en het terugkerend tijdelijk werk betreft dat maximaal 9 maanden per jaar gedaan kan worden. (seizoensarbeid).
  • Er komt een uitzondering op de ketenregeling voor leerkrachten in het primair onderwijs die invallen wegens ziekte.

Gelijke arbeidsvoorwaarden payrollers

Payrollers krijgen recht op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden (zoals pensioen) als werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever.

(Bron: HLB van Daal)

Wijziging minimumloon en het minimumjeugdloonvoordeel 2019

et is weer zover! Vanaf 1 januari 2019 stijgen de brutobedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon. Tevens wordt het minimumjeugdloonvoordeel (jeugd-LIV) gewijzigd. Het jeugd-LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten voor werkgevers met werknemers die het minimumjeugdloon verdienen.

 

Wettelijk minimumloon

Het wettelijk minimumloon voor een 22-jarige en ouder bij een volledig dienstverband ziet er in 2019 als volgt uit:

 

Leeftijd Staffel Per maand Per week Per dag
22 jaar en ouder 100% € 1.615,80 € 372,90 € 74,58

Voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) geldt een afwijkende staffel.

 

Leeftijd Staffel Per maand Staffel BBL Per maand
21 jaar 85% € 1.373,45  85% € 1.373,45
20 jaar 70% € 1.131,05 61,50% € 993,70
19 jaar 55% € 888,70 52,50% € 848,30
18 jaar 47,50% € 767,50 45,50% € 735,20
17 jaar 39,50% € 638,25 39,50% € 638,25
16 jaar 34,50% € 557,45 34,50% € 557,45
15 jaar 30% € 484,75 30% € 484,75

 

Jeugd-LIV

In de leeftijdscategorie van 18 t/m 21-jarigen kunnen werkgevers in aanmerking komen voor het jeugd-LIV. Daarbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

–       de werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen; en

–       de werknemer ontvangt voor zijn/haar leeftijd een gemiddeld uurloon

dat hoort bij het wettelijk minimumjeugdloon dat hoort bij zijn/haar leeftijd;

–       de werknemer moet op 31 december 2018 18, 19, 20 of 21 jaar oud te zijn.

 

Als werkgever ontvangt u het jeugd-LIV automatisch van de Belastingdienst. U hoeft hier dus helemaal niets voor te doen. Medio 2020 ontvangt u als werkgever het jeugd-LIV. De bedragen zien er als volgt uit:

 

Leeftijd Compensatie per verloond uur Max. compensatie
18 jaar € 0,13 € 270,40
19 jaar € 0,16 € 332,80
20 jaar € 0,59 € 1.227,20
21 jaar € 0,91 € 1.892,80

(Bron: WVDB)

Overzicht box 3 belastingtarieven 2019

U spaart en/of belegt? Dan heeft u te maken met belastingheffing in box 3. Voor het jaar 2019 heeft de staatssecretaris de nieuwe forfaitaire rendementscijfers bekend gemaakt. Bekijk de nieuwe belastingtarieven en lees onze toelichting op de nieuwe tarieven.

Cijfers rendementsklassen 2019

Rendementsklasse Normrendement
I (sparen) 0,13%
II (beleggen) 5,60%

Forfaitaire normrendementen per vermogensschijf 2019

Op basis van deze cijfers per rendementsklasse zijn de volgende forfaitaire normrendementen per vermogensschijf te berekenen voor 2019. Over het normrendement betaalt u in box 3 een belasting van 30 procent. Het belastingdrukpercentage op het box 3 vermogen ziet u in onderstaande tabel.

Uw vermogen Normrendement Belastingdruk (tarief 30%)
€ 30.360* Vrijstelling Vrijstelling
Van € 0** tot en met € 71.650 1,94% 0,58%
Van € 71.651 tot en met € 989.736 4,45% 1,34%
Vanaf € 989.737 5,60% 1,68%

* Het heffingsvrije vermogen bedraagt: € 30.360 (voor fiscale partners wordt dit bedrag verdubbeld).

** Vanaf het heffingsvrije vermogen.

Ook in 2019 betaalt u meer dan 100 procent belasting over uw rente

Omdat het cijfer inzake de rendementsklasse I (sparen) tegenwoordig is gekoppeld aan de maandcijfers over een 12-maandsperiode die eindigt op 30 juni jongstleden, is deze informatie pas recent beschikbaar.

In de eerste vermogensschijf weegt ‘beleggen’ (rendementsklasse II) ook mee. En wel voor circa tweederde deel. Daarom bedraagt het normrendement zelfs al in de eerste vermogensschijf 1,94 procent. Dat is natuurlijk nog altijd veel te hoog ten opzichte van hetgeen een risicomijdende spaarder momenteel daadwerkelijk aan rente ontvangt.

Zelfs met de aanpassingen die sinds 1 januari 2017 bij box 3 zijn doorgevoerd, doet zich nog steeds de situatie voor dat belastingplichtigen meer dan 100 procent belasting betalen over de gerealiseerde rentebate. En dat is in 2019 dus opnieuw het geval.

Verkorten van de referentieperiode

De verkorting van de referentieperiode, in 2017 nog vijf jaar en sinds 2018 nog maar 12 maanden, voor het bepalen van de spaarrente is eigenlijk een listig verhaal. De wijziging is doorgevoerd per 1 januari 2018. Uiteraard sluit het normpercentage op deze manier beter en sneller aan bij het werkelijke rendement. Als de rente stijgt, werkt dat vanwege die kortere referentieperiode beduidend sneller door naar het normrendement van box 3.

Het verkorten van de referentieperiode kan daarom in het voordeel van de belastingdienst uitwerken. Zolang in de eerste vermogensschijf de rendementsklasse II (beleggen) zwaar meetelt, blijft u sowieso last houden van een te hoog normrendement. En zolang de rentevoet laag blijft, blijft box 3 een onrechtvaardig systeem.

(Bron: GT)

Wetsvoorstel geboorteverlof goedgekeurd door Eerste Kamer

De Eerste Kamer is akkoord met het wetsvoorstel Invoering extra geboorteverlof (WIEG). Daarmee wordt het kraamverlof per 1 januari 2019 vervangen door het geboorteverlof.

Wat houdt de WIEG in?

Door de WIEG kunnen partners na de bevalling van hun partner straks eenmaal de wekelijkse arbeidsduur opnemen als verlof. In deze periode moet de werkgever het volledige loon van de werknemer doorbetalen. Iedere werknemer die meer dan twee dagen per week werkt, gaat er dus per 2019 op vooruit.

Ingangsdatum

De wet gaat in principe per 1 januari 2019 in. Werknemers van wie hun partner op 1 januari 2019 of daarna bevalt, hebben dus recht op het geboorteverlof. Werknemers met partners die op 31 december 2018 of daarvoor bevallen, hebben nog recht op kraamverlof; dit zijn twee vrije dagen na de bevalling van de partner.

Let op: als er in de cao of een regeling met de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging afwijkende afspraken zijn gemaakt, dan blijven die afspraken gelden totdat de cao of regeling is verlopen, maar uiterlijk tot 1 juli 2019.

Aanvullend geboorteverlof

Per 1 juli 2020 hebben werknemers ook recht op aanvullend geboorteverlof na de bevalling van hun partner. De duur van dit aanvullende verlof is vijf keer de wekelijkse arbeidsduur. In totaal, met geboorteverlof en aanvullend verlof, kan een fulltime werknemer dus zes weken verlof krijgen. Tijdens het aanvullende verlof krijgt de werknemer een uitkering van UWV, wat 70% van zijn dagloon bedraagt (tot 70% van het maximumdagloon).

Adoptie- en pleegzorgverlof

De WIEG bevat ook een uitbreiding van het adoptie- en pleegzorgverlof per 1 januari 2019. Werknemers die een kind adopteren of een pleegkind in huis nemen, hebben vanaf dan recht op zes weken verlof in plaats van vier weken.

(Bron: ABAB)

Drie veelgestelde vragen over fiscale wijzigingen voor de dga

Voor u als directeur-grootaandeelhouder (dga) verandert er komend jaar het een en ander op fiscaal vlak. We zetten drie veelgestelde vragen over deze wijzigingen voor u op een rij.

Als ik van plan ben om mijn bv te verkopen, kan ik dat dan het beste doen in 2019 vanwege het tarief?

Dat hangt ervan af. Heeft u maar één bv? Dan betekent verkoop na 2019 dat u tegen een hoger belastingtarief aanloopt. Maar als u een holding-bv heeft die de aandelen in een werkmaatschappij houdt, dan kan uw holding de werkmaatschappij meestal belastingvrij verkopen (vanwege de zogenaamde deelnemingsvrijstelling). Dit verandert niet na 2019.

Als het mij niet meer lukt om vóór eind 2018 een elektrische auto op naam van mijn bv te zetten, zijn er dan nog mogelijkheden om de lage bijtelling toe te passen?

Ja, die zijn er. Van belang is de datum van eerste tenaamstelling van de auto: die moet vóór 1 januari 2019 liggen. Als een dealer een aantal auto’s vóór deze datum op kenteken heeft gezet, en u kunt zo’n auto kopen, dan geldt nog zestig maanden het bijtellingspercentage van 2018 (4%). Als de auto al een tijdje op naam van de dealer heeft gestaan, dan wordt de periode van zestig maanden met die tijd ingekort.

Ik betaal jaarlijks in privé lijfrentepremies, die ik aftrek in mijn aangifte inkomstenbelasting. Gaat deze aftrek straks ook naar 37%?

Nee. De zogenaamde uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals lijfrentepremies (als oudedagsvoorziening) en premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, vallen niet onder deze beperking van het aftrekpercentage. Dit is ook niet onlogisch, omdat de latere uitkeringen die daaruit komen (lijfrentes of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen) ook ‘gewoon’ progressief belast zijn.

(Bron: ABAB)

Artikel: Hypotheekrente eigen woning vooruit betalen

Vanuit fiscaal oogpunt bestaat de mogelijkheid om hypotheekrente voor uw eigen woning vooruit te betalen. Regelmatig komt dit terug in de lijstjes met fiscale eindejaarstips. Bij vooruitbetaling is de in 2018 vooruitbetaalde rente die betrekking heeft op een tijdvak dat uiterlijk op 30 juni 2019 eindigt, nog in 2018 aftrekbaar. Vanuit fiscaal oogpunt kan dit interessant zijn gelet op de reeds ingezette afbouw van de hypotheekrenteaftrek en de aangekondigde versnelling van deze afbouw uit het Belastingplan 2019.

Hypotheekrente eigen woning aftrekbaar

In 2019 is de hypotheekrente voor de eigen woning aftrekbaar tegen een tarief van maximaal 49%. In 2018 is dit nog 49,5%. Vanaf 2020 zal de afbouw versneld worden met 3% per jaar, totdat in 2023 het niveau van het belastingtarief van de eerste schijf is bereikt (37,05%).

Door vooruit te betalen kunt u de betaalde hypotheekrente voor de eigen woning nog aftrekken tegen het nog hogere geldende tarief van het jaar ervoor. Voor 2018-2019 zal het tariefvoordeel slechts 0,5% bedragen. Voor 2019-2020 zal dit tarief voordeel oplopen tot 3%. Bij een hogere rente zal het voordeel logischerwijs ook hoger uitvallen. Tevens zal bij een eventueel box 3 vermogen de vooruitbetaalde rente geen onderdeel meer uitmaken van uw vermogen op 1 januari.

Aandachtspunten vooruit betalen hypotheekrente

Tegenover de voordelen staan ook een aantal aandachtspunten. Zo dient tijdig afgestemd te worden met de geldverstrekker (Bank of eigen B.V.) of vooruitbetaling (praktisch) mogelijk is. Tevens dient rekening gehouden te worden met eventuele administratiekosten c.q. verwerkingskosten die het voordeel laten verminderen of zelfs laten verdwijnen.

(Bro: BDO)

Oude lening gebruiken voor nieuwe woning?

Als u een eigen woning bezit, kunt u in beginsel de hypotheekrente aftrekken. Verkoopt u de woning en koopt u een andere woning terug, dan geldt het uitgangspunt dat u de ‘oude’ lening kunt toerekenen aan de nieuw gekochte woning. Dit kan ook als de oude woning op het moment van aankoop van de nieuwe, nog niet is verkocht. Dit heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden eerder beslist.

Oude woning nog niet verkocht

Zoals vaker voorkomt, had in deze zaak een belastingplichtige een woning gekocht, terwijl zijn oude woning nog niet verkocht was. Hij had de nieuwe woning gefinancierd met een tweetal leningen en met een deel eigen geld. Nadat de oude woning verkocht was, wilde hij een deel van de oude lening weer toerekenen aan de aanschaf- en verbouwingskosten van de nieuwe woning en de rente op deze oude lening aftrekken.

Besluit

In een Besluit van het ministerie van Financiën uit 2010 wordt deze ‘herbesteding’ van financiële middelen toegestaan en goedgekeurd dat de rente op een dergelijke lening aftrekbaar is. In het betreffende geval was de oude woning na drie jaar echter nog niet verkocht. In dat geval gaat de fiscus ervan uit dat deze ‘fictief is vervreemd’. De woning en corresponderende lening worden dan gezien als vermogen en verhuizen naar box 3. Naar het oordeel van de Belastingdienst was de goedkeuring in deze situatie niet van toepassing.

Wat zegt de rechter?

De rechter was van mening dat het besluit aldus moest worden uitgelegd, dat ook bij een fictieve vervreemding de lening mee kan verhuizen naar de nieuwe woning.

Bijleenregeling

Het enige waarmee hierbij rekening moet worden gehouden, is de bijleenregeling. In het kort komt deze erop neer dat wanneer uw oude woning meer opbrengt dan het bedrag van de erop rustende financiering, het meerdere op de lening voor uw nieuwe woning in mindering moet worden gebracht.

Heeft u vragen over de toerekening van een lening na verhuizing naar een andere woning, neem dan contact met ons op.

(Bron: SRA)

Overdrachtsbelasting naar 10% m.i.v. 1-1-2019?

In aanvulling op de reeds bekende belastingplannen is onlangs een amendement voorgesteld dat een beetje onder de radar is gebleven maar ook voor u de nodige gevolgen kan hebben.

Voorgesteld wordt om het tarief van de overdrachtsbelasting voor woningen te verlagen van 2% naar nihil voor natuurlijke personen die nooit eerder een woning in eigendom hebben verkregen. Goed nieuws dus voor starters op de woningmarkt. Verkrijgt u echter een woning terwijl u al twee of meer woningen bezit, dan stijgt het tarief van 2% naar 10%!

Ook voor de verkrijging van aandelen in zogenaamde onroerendgoedlichamen gaat het 10% tarief gelden, voor zover deze aandelen en rechten middellijk of onmiddellijk woningen vertegenwoordigen.

De voorgestelde maatregel is bedoeld voor beleggers in woningen. Maar ook niet beleggers kunnen te maken krijgen met deze maatregel. Heeft u b.v. naast uw woning nog een (vakantie)woning en overweegt u om een studentenwoning voor uw kind kopen, dan moet u rekening houden met een aanzienlijk hoger bedrag aan overdrachtsbelasting. Heeft u zelf maar één woning en koopt u samen met uw partner die twee woningen bezit, een woning aan, dan geldt ook voor u het 10% tarief.

Of het amendement voldoende steun krijgt moet nog blijken. De stemming staat gepland voor deze week.

(Bron: Flynth)

Verruiming termijn voor indienen informatieformulier PEB

De Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen maakt het mogelijk dat een pensioen in eigen beheer fiscaal gefaciliteerd wordt beëindigd. Voor deze fiscaal gefaciliteerde beëindiging is onder meer vereist dat tijdig een juist en ingevuld informatieformulier naar de Belastingdienst wordt gestuurd. In de praktijk is de tijd om het informatieformulier in te dienen vaak te kort.

Tot 1 januari 2020 kunnen dga’s hun in eigen beheer opgebouwd (premievrij) pensioen fiscaal gefaciliteerd afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting. Bij een dergelijke afkoop of omzetting kan het pensioen in eigen beheer (PEB) fiscaal geruisloos worden prijsgegeven als de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het moment van prijsgeven hoger is dan de fiscale balanswaarde van die pensioenverplichting bij het eigenbeheerlichaam. Daarbij moet de dga het PEB volledig afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting en is geen revisierente verschuldigd. Bij afkoop geldt bovendien nog een korting van 25% (2018) op het bedrag dat tot het loon uit vroegere dienstbetrekking behoort.

 

Wettelijke termijn van één maand is te kort

In de praktijk is de termijn van één maand voor het inleveren van het informatieformulier na afkoop of omzetting van het PEB tekort gebleken. Daarom komt de staatssecretaris nu met een aantal goedkeuringen.

 

Goedkeuring: uitstel termijn indienen informatieformulier

Een informatieformulier dat binnen een jaar na afkoop of omzetting van het PEB wordt ingediend, geldt als tijdig ingediend. Heeft de afkoop of omzetting meer dan 46 weken geleden plaatsgevonden, dan krijgt de dga zes weken na 31 oktober 2018 de tijd om het formulier in te dienen. Om van deze goedkeuring gebruik te kunnen maken, moet aan alle overige voorwaarden voor afkoop of omzetting van het PEB zijn voldaan. Bij afkoop van het PEB moet daarbij ook zijn voldaan aan de aangifteverplichtingen en afdracht voor de vanwege de afkoop verschuldigde loonheffingen.

 

Goedkeuring: extra uitstel om medeondertekening (gewezen) partner te krijgen

Als de inspecteur constateert dat een medeondertekening ontbreekt op het informatieformulier door een (gewezen) partner, krijgt de dga nog een periode van zes weken om dit te herstellen en de handtekening te krijgen van zijn (gewezen) partner. Deze herstelmogelijkheid gaat ook gelden voor informatieformulieren die binnen de hierboven verlengde termijn zijn of worden aangeleverd.

(Bron: Taxence)