Bouwterrein of niet?

Bij de levering van onroerende zaken is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Die bedraagt 2% voor woningen en 6% voor niet-woningen. Maar in bepaalde gevallen kan er gebruik gemaakt worden van de zogenaamde samenloopvrijstelling.

 

Samenloopvrijstelling

De samenloopvrijstelling brengt met zich mee dat bij de levering van een bouwterrein geen overdrachtsbelasting is verschuldigd. De samenloopvrijstelling kan ook worden toegepast bij nieuw vervaardigde onroerende zaken.

Het is daarom van belang vast te stellen wanneer sprake is van een bouwterrein (het nieuw vervaardigd onroerend goed laten we hier nu buiten beschouwing). De wet lijkt hierover duidelijk: het moet kortgezegd gaan om onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd.

De samenloopvrijstelling houdt in dat er een vrijstelling van overdrachtsbelasting geldt bij de aankoop van een bouwterrein. De levering van een bouwterrein is namelijk belast met btw.

Is grond met te slopen opstallen een bouwterrein?

Met andere woorden: kan bebouwde grond toch onbebouwd zijn voor de btw? Onlangs was voor de rechter in Breda de vraag aan de orde of een stuk grond met daarop te slopen opstallen is aan te merken als bouwterrein, dus als onbebouwde grond.

Afhankelijk van sloopverplichting

De rechter kwam tot de conclusie dat dit alleen het geval is als de verkopende partij een sloopverplichting heeft met betrekking tot de opstallen. In deze zaak was dat niet zo. Contractueel was namelijk vastgelegd dat de koper deze sloopverplichting had.

Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat ook een gedeeltelijke sloop er toe kan leiden dat er toch sprake is van een bouwterrein. Dit kan het geval zijn als de verkoper de verplichting heeft om het gebouw nagenoeg volledig te slopen en het resterende gedeelte niet meer de functie van gebouw kan vervullen. In deze zaak bleef met name de oude voorgevel overeind staan.

Let op! De intentie van partijen speelt dus een rol bij de beoordeling of sprake is van een bouwterrein en of de samenloopvrijstelling van toepassing is.

Tip: Wilt u bouwgrond met te slopen opstallen voor de btw aanmerken als bouwterrein, zorg er dan voor dat de sloopverplichting bij de verkopende partij ligt.

(Bron: HLB van Daal)

 

Fiscale winsten FE zelfs na liquidatie moeder verrekenbaar

Stel dat een fiscale eenheid met openstaande compensabele verliezen wordt gevoegd in een nieuwe en grotere fiscale eenheid. Korte tijd later wordt de moedermaatschappij van de oude fiscale eenheid ontbonden. Onder omstandigheden kunnen de voorvoegingsverliezen van de oude fiscale eenheid toch te verrekenen zijn met de winst van de nieuwe fiscale eenheid. Dit blijkt uit de volgende zaak voor Hof Den Haag.

Een holding bezat alle aandelen in een vennootschap (A B.V.) die aan het hoofd stond van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (FE) met haar dochtermaatschappijen B B.V. en C B.V. C B.V. dreef een onderneming. Op 1 oktober 2011 voegde de holding de bestaande FE in een nieuwe FE. De holding zelf, haar dochtervennootschap D B.V. en haar kleindochtervennootschap E B.V. behoorden ook tot deze nieuwe FE. Op dezelfde dag droeg C B.V. haar onderneming met stille reserves binnen de nieuwe FE over aan E B.V. De oude FE had vóór de invoeging in de nieuwe FE nog compensabele verliezen openstaan. Deze verliezen waren voornamelijk toe te rekenen aan C B.V. Eind 2011 werden A B.V., C B.V. en D B.V. ontbonden. De vraag is nu of door de liquidatie van A B.V. de voorvoegingsverliezen van de oude FE nog zijn te verrekenen. Hof Den Haag bevestigt dat dit het geval is. De voorvoegingsverliezen van de oude FE zijn namelijk te verrekenen met de winsten van de nieuwe FE, voor zover deze zijn toe te rekenen aan B B.V. Deze B.V. is immers de laatste vennootschap die is overgebleven van de oude FE. Helaas voor de holding is niets van de winst over 2012 toe te rekenen aan B. B.V. Over dat jaar is daarom geen verrekening van de voorvoegingsverliezen van de oude FE mogelijk.

(Bron: Taxence)

 

Zeg WhatsApp adieu voor de zakelijke communicatie?

Messengerdienst WhatsApp verwerkt dagelijks miljoenen berichten, waaronder ook een hoop zakelijke communicatie. Een frisse invalshoek: moeten organisaties WhatsApp als zakelijk communicatiemiddel niet gewoon verbieden?

Er zijn verschillende argumenten te bedenken waarom WhatsApp niet geschikt is als zakelijk communicatiemiddel, zeker op apparaten die door de werkgever beschikbaar zijn gesteld. Om te beginnen is daar de privacy. Sinds de Algemene Verordening Gegevensbescherming (tools) in mei 2018 van toepassing is geworden, zijn de privacyproblemen die WhatsApp met zich meebrengt duidelijker geworden. Zo vraagt WhatsApp toestemming om het adresboek in te zien en te gebruiken. Daar staan ook de contactgegevens van andere medewerkers, klanten en zakelijke relaties in.

WhatsApp: geen inzicht en controle

Daarnaast heeft een organisatie weinig inzicht in wat er allemaal achter de schermen van WhatsApp gebeurt: (oud-)collega’s kunnen naar hartenlust chatgroepen aanmaken en over zakelijke onderwerpen communiceren. Dat wil niet zeggen dat alle medewerkers in Nederland massaal muiterij beramen, maar het geeft wel de controle uit handen. WhatsApp is van oorsprong een consumententool; zakelijk gebruik ervan vervaagt de grens tussen werk en privé des te meer.

(Bron: Rendement)

Eindelijk duidelijkheid over LKV voor stagiairs

Op de website van UWV staan nieuwe regels voor loonkostenvoordeel (LKV) voor stagiairs. Die moeten ervoor zorgen dat werkgevers geen LKV mislopen doordat ze de regels niet kennen.

Uw organisatie kan bij het aannemen van een stagiair al vanaf het begin van de stage recht hebben op een loonkostenvoordeel (LKV). Dat staat op de website van UWV. Er moet dan wel aan twee eisen worden voldaan:

  • Uw organisatie betaalt de stagiair een vergoeding waar loonheffingen op worden ingehouden. De stagiair is dus opgenomen in de loonaangifte.
  • De stagiair vraagt zelf binnen drie maanden na het begin van zijn stage een doelgroepverklaring LKV aan bij UWV (of machtigt iemand om dat voor hem te regelen).

Looptijd inclusief stageperiode

Komt de stagiair na zijn stage als werknemer bij uw organisatie in dienst, dan kan het LKV gewoon doorlopen. De totale looptijd is (momenteel) maximaal drie jaar, dat is dan inclusief de stageperiode. Als na de stage de doelgroepverklaring pas wordt aangevraagd, zal het meestal te laat zijn, omdat de werknemer tijdens zijn stage al in (fictieve) dienstbetrekking was.

Alsnog LKV na indiensttreding

Kreeg de stagiair geen stagevergoeding waarover uw organisatie loonheffingen moest berekenen? Bijvoorbeeld alleen een onbelaste reiskostenvergoeding? Dan moet hij – als hij aansluitend bij uw organisatie in dienst komt – de doelgroepverklaring LKV binnen drie maanden na indiensttreding regelen om ervoor te zorgen dat uw organisatie alsnog recht krijgt op loonkostenvoordeel. De stageperiode telt dan ook niet mee voor de looptijd van het LKV.

LKV aanvragen via loonaangifte

Om na afloop van 2018 loonkostenvoordeel uitbetaald te krijgen, moet uw organisatie in het werknemersgedeelte van de loonaangiftes over 2018 aangeven voor welk LKV de werknemer in aanmerking komt. Dat mag alleen als er een doelgroepverklaring LKV in de administratie wordt bewaard.

(Bron: Rendement)

Afschaffing dividendbelasting definitief van tafel

Het kabinet heeft definitief besloten de dividendbelasting niet af te schaffen. Dat zei premier Mark Rutte maandag na coalitieoverleg. Tegen de maatregel was veel verzet. Het kabinet liet onlangs al weten de maatregel te heroverwegen.

,,We hebben gezocht naar een goed pakket voor bedrijfsleven dat meer draagkracht heeft”, zei de premier. Het bedrag van de dividendbelasting gaat volledig naar het bedrijfsleven, zowel grote als kleine bedrijven. De oppositie had aangedrongen op geld voor de publieke sector.

Het gaat volgend jaar om 1,9 miljard euro. Welke maatregelen het pakket precies behelst, wilde Rutte niet zeggen. Hij wil eerst de Kamer informeren.

Volgens Rutte was de afschaffing van de dividendbelasting nooit bedoeld voor een enkel bedrijf. Unilever, dat in die context vaak werd genoemd, besloot vorige week de voorgenomen verhuizing van het hoofdkantoor naar Nederland op de lange baan te schuiven. ,,Een belangrijke test case van het succes van zo’n maatregel ging vorige week niet goed”, was Ruttes omschrijving.

De premier verdedigde de maatregel het afgelopen jaar vurig. Hij voelde ,,tot in zijn diepste vezels” dat de afschaffing goed zou zijn voor het vestigingsklimaat. Maar op vragen of het zijn positie heeft beschadigd, reageerde hij laconiek. ,,Een kras? Mijn baan is een verzameling van krassen. Het draagvlak voor deze maatregel was beperkt en we menen nu een pakket te hebben dat qua draagvlak beter zal scoren.”

Bron: ANP

Fiscus beoordeelt massaal bezwaar box 3-heffing 2017

De Belastingdienst heeft een brief gestuurd aan bezwaarmakers tegen de box 3-heffing 2017 waarin de dienst uitlegt welk bezwaar als ‘massaal bezwaar’ wordt aangewezen en welk bezwaar niet (en de bezwaarmaker nader moet motiveren).

Alleen bezwaren die gaan over de vraag of de box 3-heffing een inbreuk is op het eigendomsrecht van de vermogende (‘strijdigheid met Europees recht’) kunnen meedoen met de massaalbezwaarprocedure. Zie hiervoor het besluit van staatssecretaris Snel van Financiën. De Belastingdienst informeert de bezwaarmaker in de brief of het bezwaar in aanmerking komt voor deze massaalbezwaarprocedure. Deze bezwaarschriften worden centraal aangehouden totdat de Hoge Raad uitspraak doet over de kwestie.

Bezwaren die zijn gericht tegen afwijking van de aangifte of het argument bevatten dat de box 3-heffing een individuele buitensporige last is, zijn geen bezwaren die meedoen met de massaalbezwaarprocedure. Hierop zal de Belastingdienst apart uitspraak doen. De bezwaarmakers krijgen zonodig de gelegenheid om hun bezwaar te onderbouwen.

Let op. Het is niet voldoende om uitsluitend het argument aan te dragen dat box 3-heffing als een buitensporige last wordt gezien omdat de heffing hoger is dan het daadwerkelijke rendement. De rechter heeft immers eerder geoordeeld dat dit niet voldoende is om te spreken van een ‘buitensporige last’. De Belastingdienst vraagt daarom inzage in de inkomens- en vermogenspositie waarbij ook andere feiten en omstandigheden van belang kunnen zijn. Een motivering is dus noodzakelijk.

Bron: Redactie TaxLive

Hoge Raad: recht op transitievergoeding bij urenvermindering

Moet een werknemer minder gaan werken na langdurige ziekte of gewijzigde bedrijfseconomische omstandigheden, dan heeft hij recht op een gedeeltelijke transitievergoeding. Dit geldt ook als de werkgever en werknemer de urenvermindering in overleg afspreken, zo blijkt uit een arrest van de Hoge Raad.

In de zaak ging het om een werkneemster van wie de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte werd beëindigd. Ze kreeg wel meteen een nieuw dienstverband, waarbij zij haar werkzaamheden voor 55% voortzette. Voor de vermindering van haar arbeidsuren wilde de werkneemster graag een transitievergoeding ontvangen. Toen de werkgever dit weigerde te betalen, stapte de werkneemster naar de kantonrechter. Deze wees de gedeeltelijke transitievergoeding aan de werkneemster toe, maar in hoger beroep oordeelde het gerechtshof anders. Volgens het hof was er door de urenvermindering slechts sprake van een aanpassing van de arbeidsovereenkomst (en niet van ontslag) en had de werkneemster volgens de wet in zo’n situatie geen recht op een transitievergoeding. Het hof nam daarbij in overweging dat de urenvermindering in overleg met de werkneemster tot stand was gekomen.

Recht op gedeeltelijke transitievergoeding

De Hoge Raad oordeelde echter dat een werknemer wél recht op een gedeeltelijke transitievergoeding heeft als zijn arbeidsplaats gedeeltelijk vervalt door bedrijfseconomische omstandigheden of blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Deze omstandigheden behoren volgens de Raad niet voor rekening van de werknemer te komen, omdat het onredelijk zou zijn als hij door de urenvermindering uiteindelijk bij een eventueel ontslag voor een lagere transitievergoeding in aanmerking zou komen.

Vermindering arbeidsduur moet substantieel en structureel zijn

De Raad stelde wel twee voorwaarden aan het toekennen van de gedeeltelijke transitievergoeding. De vermindering van de arbeidsduur moet:

  • substantieel zijn: het gaat dan om een vermindering van de arbeidsduur van minstens 20%.
  • structureel zijn: dat wil zeggen dat de vermindering naar redelijke verwachting blijvend moet zijn.

De werkgever moet bij de berekening van de transitievergoeding in zo’n geval uitgaan van het salaris dat de werknemer over het urenverlies werkte. Een voorbeeld: een werknemer werkte eerst 40 uur en na de urenvermindering 24 uur. De werkgever moet het salaris dat de werknemer op basis van 40 uur verdiende dan terugrekenen naar 16 uur (het urenverlies) en dit als uitgangspunt gebruiken voor de berekening van de transitievergoeding.

(Bron: Rendement)

Grote wijzigingen in de inkomstenbelasting

Er staan grote veranderingen op komst in de inkomstenbelasting. Allereerst worden de tarieven van de inkomstenbelasting in box 1 bij inkomens vanaf € 20.142 verlaagd per 1 januari 2019. Tevens verdwijnen er in 2021 twee belastingschijven, waardoor er nog slechts twee overblijven.

Op weg naar ‘vlaktaks’

Met de tariefsaanpassing gaat het kabinet op weg naar een vlaktaks, ofwel een belasting met een zelfde tarief voor iedereen. Zover is het echter nog niet. Wel zijn er vanaf 2021 nog slechts twee tarieven, 37,05% en 49,5%.

Tariefsaanpassing in 2019

De aanpassing van de tarieven start in 2019. Het tarief van de eerste schijf, tot een inkomen van € 20.142, gaat met 0,1%-punt omhoog van 36,55% naar 36,65%. Het tarief van de tweede en derde schijf, voor het deel van het inkomen tussen €20.142 en  € 68.507, dalen fors: van 40,85% naar 38,1%. Over het deel van het inkomen boven € 68.507 betaalt men nu 51,95%. Dit wordt volgend jaar 51,75%.

Wat scheelt dat nu netto?

Iemand met een inkomen van bijvoorbeeld € 35.000 gaat door de tariefwijziging volgend jaar € 380 minder belasting betalen. Hogere inkomens profiteren nog meer. Bij een inkomen van bijvoorbeeld  € 65.000 hoort een voordeel van € 1.215. Inkomens tot zo’n € 20.000 betalen echter maximaal twee tientjes meer belasting.

Twee schijven vanaf 2021

Vanaf 2021 hebben we in box 1 nog maar twee belastingschijven. Tot een inkomen van zo’n € 68.500 geldt dan een tarief van 37,05%. Over het meerder geldt een tarief van 49,5%.

Belasting % in box 1
Inkomen max € 20.142
Inkomen max € 34.404 Inkomen max € 68.507 Inkomen > € 68.507
2018 36,55 40,85 40,85 51,95
2019 36,65 38,10 38,10 51,75
2021 37,05 49,50

Let op! De omzetting naar 2 belastingschijven in box 1 geldt voor degenen die nog geen recht hebben op AOW. Voor AOW-gerechtigden gelden andere tarieven. Voor hen zullen drie schijven blijven bestaan.

Toptarief eerder bereikt

De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd, onder andere vanwege de inflatie. Dit geldt echter tot 2024 niet voor het beginpunt van het toptarief. Dit wordt bevroren op het huidige niveau van € 68.507. Belastingplichtigen bereiken daardoor sneller het toptarief. De verwachting is dat zo’n 7% van alle belastingplichtigen daardoor nog het toptarief betaalt. Zonder de bevriezing zou dit slechts 5,5% zijn geweest.

(Bron: HLB)

Kleineondernemersregeling herzien

De kleineondernemersregeling in de btw wordt in 2020 herzien. De huidige regeling gaat uit van een per saldo af te dragen bedrag aan btw, de nieuwe regeling hanteert een omzetgrens.

Let op! De plannen moeten nog door het parlement worden goedgekeurd.

Kleine ondernemersregeling

De huidige kleineondernemersregeling (KOR) in de btw betekent dat ondernemers die per saldo € 1.883 of minder btw per jaar hoeven af te dragen, een korting krijgen op het af te dragen bedrag. Wie in een jaar niet meer dan € 1.345 aan btw hoeft af te dragen, hoeft zelfs niets te betalen.

Ontheffing administratieve verplichtingen

De ondernemers die per saldo geen belasting hoeven te betalen, kunnen op verzoek ook ontheven worden van de administratieve verplichtingen voor de btw. Ze mogen in dat geval ook geen btw op de facturen vermelden en kunnen door hen betaalde btw niet in aftrek brengen.

Omzetgrens

De nieuwe regeling gaat uit van een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die minder omzet hebben dan € 20.000, kunnen ervoor kiezen geen btw in rekening te brengen. De regeling is dus niet verplicht.

Ook voor bv’s

De nieuwe KOR gaat ook gelden voor rechtspersonen, zoals bv’s. Die kunnen momenteel niet van de regeling gebruik maken.

Overschrijding grens in het jaar

Ondernemers die in de loop van het jaar de omzetgrens van € 20.000 overschrijden, zijn vanaf dat moment gewoon btw-plichtig, inclusief alle bijbehorende fiscale en administratieve verplichtingen.

Keuze melden

Ondernemers die in 2020 de nieuwe KOR willen toepassen, dienen dit te melden bij de belastinginspecteur. Dit kan vanaf 1 juni 2019. De melding moet uiterlijk 20 november 2019 binnen zijn, anders gaat de nieuwe KOR pas in op 1 april 2020.

Let op! Een eenmaal gemaakte keuze voor de KOR kan slechts éénmaal per drie jaren worden herzien.

(Bron: HLB)

Maatregelen voor de dga in het Belastingplan 2019

De aangekondigde verhoging van het Box 2 tarief voor dga’s blijft beperkter dan in het Regeerakkoord werd aangekondigd. Het Box 2 tarief gaat in twee stappen omhoog naar 26,25% (ipv 27,3%) in 2020 en 26,9% (ipv 28,5%) in 2021. Dat is natuurlijk positief nieuws.

Gekoppeld aan de voorgenomen verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven in de komende jaren daalt de gemiddelde belastingdruk op winsten < € 200.000 via een B.V. van 40% nu tot 38,6% in 2021.  Voor het deel van de winsten > € 200.000 daalt de gemiddelde belastingdruk van 43,8% nu tot 43,3% in 2021.

2018

2019

2020

2021

Box 2-tarief

25%

25%

26,25%

26,9%

VPB-tarief, winst < 200.000

20%

19%

17,50%

16%

Totaal

40,0%

39,3%

39,2%

38,6%

VPB-tarief, winst > 200.000

25%

24,3%

23,9%

22,5%

Totaal

43,8%

43,2%

43,9%

43,3%

Helaas komt er geen overgangsrecht voor de bestaande opgebouwde winstreserves.
Indien deze na 1 januari 2020 worden uitgekeerd, gaat de gemiddelde belastingdruk op deze reserves iets omhoog door het feit, dat deze winsten nog belast zijn geweest tegen de oude hogere vennootschapsbelastingtarieven.

In Box 3 blijft alles ongewijzigd. Er zijn nog geen maatregelen opgenomen tegen het verschuiven van vermogen (bijvoorbeeld spaargeld) van Box 3 naar Box 2. Door de gematigde verhoging van het Box 2 tarief blijft het dus gunstig om vermogen in de B.V. te beleggen in plaats van dividend uit te keren en in privé via Box 3 te gaan te beleggen. Ook levert het overbrengen  van privé-spaartegoeden en laagrentende beleggingen (tot ca 4%)  naar een B.V. direct voordeel op door de besparing van de relatief hoge forfaitaire Box 3 heffing.

Het is even afwachten of de aangekondigde verlaging van het vennootschapsbelastingtarief ongewijzigd wordt doorgevoerd. Deze maatregel staat nl. in hetzelfde wetsvoorstel opgenomen als de omstreden afschaffing van de dividendbelasting. Er bestaat nog altijd de mogelijkheid dat dit voorstel niet ongewijzigd de eindstreep haalt of wordt uitgesteld.

Verder is er een belangrijke maatregel aangekondigd over de dga met schulden aan zijn B.V. Na 1 januari 2022 mag een dga nog maar € 500.000 onbelast lenen van zijn bv. Alle schuldvorderingen boven dit bedrag  worden vanaf die datum belast in box 2, dus als inkomen uit aanmerkelijk belang. Voor bestaande eigenwoningschulden zal een overgangsmaatregel worden getroffen, voor andere schulden (bijvoorbeeld leningen ivm ander vastgoed) niet. Het is nog niet duidelijk hoe het wetsvoorstel er precies uitziet, hier wordt pas in de loop van 2019 meer over bekend. Hopelijk worden hier nog uitzonderingen mogelijk gemaakt voor andere leningen, zodat de dga niet verplicht wordt om alles bij een bank te gaan financieren.

Heeft u als dga schulden aan de B.V. van meer dan € 500.000 dan kan het gunstig zijn om in 2019 het meerdere af te lossen uit dividend. In 2019 geldt nl. nog het Box 2 tarief van 25%.

Andere opties zijn het aflossen van de schulden uit eigen gelden, dan wel het onderbrengen van de lening bij een externe financier. Bij ongewijzigd doorgaan van de nieuwe regeling dient er in elk geval in 2022 voldoende liquiditeit beschikbaar te zijn om in de voorkomende gevallen de nieuwe heffing te kunnen betalen.  Het is van belang hier tijdig op voor te gaan sorteren.

(Bron: HLB)