5 vragen en antwoorden over de telefoon van de zaak

Net als met zakelijk gebruik van uw auto kunt u als ondernemer (of uw werknemer) ook voor zakelijk gebruik van uw mobiele telefoon in aanmerking komen voor belastingvoordeel. Aan deze regeling kleven wel enkele belangrijke voorwaarden waaraan u zich moet houden. In onderstaand artikel leest u er alles over: 5 vragen en antwoorden over de telefoon van de zaak.

1. Wat is een telefoon van de zaak?

Als zelfstandig ondernemer kunt u uzelf of uw werknemer(s) onbelast een mobiele telefoon of smartphone ter beschikking bestellen. Daarnaast is het mogelijk om hiervoor een vrije vergoeding te geven. De kosten van uw mobiele telefoon zijn in principe aftrekbaar van de winst; dit geldt zowel voor de abonnementskosten als de gesprekskosten.

Dit is bijvoorbeeld handig als u (of uw medewerkers) regelmatig thuiswerkt en voor het werk regelmatig contact heeft met klanten, collega’s en andere zakelijke relaties. Als u de telefoon door een werknemer wilt laten gebruiken, blijft u de eigenaar van het toestel. Het gaat bij deze regeling overigens niet alleen om mobiele telefoons, maar om communicatiemiddelen in het algemeen. Ook het gebruik van internet, sms en e-mail kan hierop van toepassing zijn.

2. Welke voorwaarden zijn hierop van toepassing?

Het zal niet als een verrassing komen dat u niet onbeperkt van deze regeling gebruik kunt maken. De Belastingdienst hanteert hiervoor twee belangrijke voorwaarden:

  • De gebruiker maakt van deze communicatiemiddelen voor in ieder geval meer dan tien procent zakelijk gebruik.
  • De gebruiker gebruikt deze communicatiemiddelen (gedeeltelijk) op de werkplek.

Let op: wanneer het gaat om het gebruik van computers en bijbehorende apparatuur, stelt de Belastingdienst als regel dat u minimaal voor negentig procent zakelijk gebruik moet maken van het apparaat om in aanmerking voor fiscaal voordeel. Mocht u zich afvragen hoe de fiscus dit eigenlijk kan controleren: de Belastingdienst kan u bij een controle vragen om het zakelijke gebruik van al uw communicatiemiddelen aannemelijk te maken.

3. Wat als de gebruiker niet aan deze criteria voldoet?

Stel: u heeft een smartphone aan een van uw werknemers verstrekt, die hiervan doorgaans minder dan tien procent zakelijk gebruikmaakt. In dat geval is de factuurwaarde (inclusief btw) van het communicatiemiddel in principe loon van de werknemer. Maar het is in het kader van de werkkostenregeling ook mogelijk om dit loon ook als eindheffingsloon onder te brengen in uw vrije ruimte.

Een derde mogelijkheid is dat de werknemer ervoor kiest om zijn eigen mobiele telefoon zakelijk te gebruiken. Dan is het handig om te weten dat u als werkgever bijvoorbeeld het telefoonabonnement belastingvrij ter beschikking stellen, mits het zakelijk gebruik uitkomt boven de tien procent.

4. Hoe zit het dan met een tablet?

Sinds de komst van de smartphones en tablets is de grens tussen dergelijke communicatiemiddelen en de klassieke computers langzaam maar zeker steeds verder aan het vervagen. Een gemiddelde smartphone heeft tegenwoordig immers ook GPS en een fotografiefunctie; dan kan het toestel in de regel nog wel als een communicatiemiddel worden beschouwd – u kunt ermee contact leggen met anderen – maar neemt de kans op niet-zakelijk gebruik snel toe.

De overheid heeft dat ook door en is voornemens om de huidige criteria te moderniseren (zie ook punt 5), maar momenteel spreekt de Belastingdienst nog van een duidelijk verschil tussen communicatiemiddelen en computers. Daarbij gaat de fiscus hoofdzakelijk uit van het formaat van beeldschermen:

  • Apparaten met een beeldscherm (diagonaal) van maximaal zeven inch (17,78 cm) zijn communicatiemiddelen.
  • Apparaten met een beeldscherm (diagonaal) groter dan zeven inch (17,78 cm), waaronder tablets, zijn computers.

Het gaat hierbij dus niet zozeer om wat een apparaat allemaal kan, maar om het formaat van het scherm. Volgens de overheid zijn beeldschermen en de bijbehorende invoermogelijkheden van dergelijke apparaten namelijk te beperkt om langdurig te kunnen worden gebruikt als een vervangende computer.

Indien u of uw personeel tijdens het werk veelvuldig gebruikmaakt van een tablet, bijvoorbeeld tijdens afspraken met nieuwe klanten, en u dit apparaat wilt opgeven als een communicatiemiddel (waardoor u in aanmerking komt voor fiscaal voordeel), zult u bij de Belastingdienst concreet moeten kunnen aantonen dat u het apparaat hoofdzakelijk zakelijk gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld bij het overleggen van gegevens over apparaten waarvan de gebruiksmogelijkheden software- of hardwarematig zijn beperkt tot (zakelijke) communicatie.

5. Wat gaat er in de toekomst veranderen?

Het Ministerie van Financiën beseft zelf ook dat alleen maar kijken naar het formaat van het scherm in het tijdperk van smartphones en tablets een beetje achterhaald is. Als het aan staatssecretaris Weekers van Financiën ligt, kijkt de overheid straks niet meer zozeer naar de grootte van een beeldscherm. Daarnaast zou in de toekomst ook de mate van privégebruik geen grote rol van betekenis meer moeten spelen.

Weekers wil in plaats daarvan via het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium specifiek gaan kijken naar de mate van relevantie van een tablet bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Op deze manier zouden organisaties die bijvoorbeeld willen overstappen naar een paperless bedrijfsmodel geen loonheffing over de verstrekte tablets moeten betalen. Het staat echter nog niet vast wanneer (en in welke mate) deze wijzigingen worden doorgevoerd.

Tot die tijd kunt u als ondernemer echter wel slim omspringen met de huidige regels. De schermen van een iPad of iPad mini zijn te groot om door de fiscus beschouwd te kunnen worden als communicatiemiddel, maar het is goed om te weten dat er concurrenten van Apple zijn die vergelijkbare apparaten aanbieden waarvan de schermgrootte wél aan de gestelde criteria voldoet, zoals tablets van Samsung of Dell.

(Bron: Ikgastarten)

Niet-afgesproken btw is opgenomen in verkoopprijs

Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijk gemaakt wanneer een verkoopsom moet worden geacht inclusief btw te zijn als de partijen daarover niets zijn overeengekomen.

Twee Roemeense ondernemers hadden verschillende verkoopovereenkomsten gesloten die zagen op onroerende zaken. Daarbij hadden zij niets afgesproken over de btw. De Roemeense belastingdienst kwam daar achter en legde naheffingsaanslagen btw op. Daarbij berekende de Roemeense fiscus de btw over de overeengekomen verkoopprijzen. De ondernemers stelden dat de verkoopprijzen moesten worden geacht inclusief btw te zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat de fiscus een overeengekomen verkoopprijs moet opvatten als een verkoopprijs inclusief btw als de partijen geen afspraken hebben gemaakt over de btw. Daarbij geldt als voorwaarde dat de leverancier de nageheven btw niet kan verhalen op de afnemer.

(Bron: Taxence)

Premiekorting jongere werknemer voor werkgever in 2014

Het kabinet heeft in de derde nota van wijziging op het Belastingplan 2014 de premiekorting voor jongere werknemers opgenomen. Werkgevers ontvangen vanaf 2014 onder voorwaarden deze korting als ze jongeren met een WW- of bijstandsuitkering aannemen in de leeftijd van 18 tot 27 jaar. Het kabinet kiest voor een regeling van tijdelijke aard en die gericht is op nieuwe banen in de periode 1 januari 2014 tot 1 januari 2016.

Twee jaar premiekorting
De werkgever ontvangt voor elke aanname en zolang als de betreffende jongere in dienst is twee jaar premiekorting (uiterlijk tot en met 31 december 2017).  Het moet gaan om banen van ten minste 32 uur per week en er moet ten minste sprake zijn van een halfjaarcontract. De werkgever zal alleen onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor de premiekorting.

Administratieve verplichtingen
Voor het toepassen van de premiekortingen gelden een aantal administratieve verplichtingen voor de werkgever.

  • De werkgever moet een doelgroepverklaring van het UWV of gemeenten bewaren in de administratie om bij controle door de Belastingdienst recht op premiekorting aan te kunnen tonen. Dit is vergelijkbaar met de premiekorting ouderen.
  • De werkgever zal een schriftelijke arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling in de loonadministratie moeten bewaren.
  • De werkgever of diens softwareleverancier moeten zorgen voor aanpassing van de software om de nieuwe premiekorting jongeren in de loonaangifte toe te kunnen passen.

Inwerkingtreding per 1 juli 2014
De regeling kan niet eerder in werking treden dan per 1 juli 2014. Dit hangt samen met aanpassingen die in de loonaangifte moeten worden doorgevoerd door werkgevers en softwareleveranciers. Het kabinet vindt het van belang dat werkgevers niet wachten met het aannemen van jongeren tot dat moment. Daarom zullen indiensttredingen vanaf 1 januari 2014 in aanmerking komen voor de premiekorting vanaf 1 juli 2014.
Werkgevers kunnen de premiekorting toepassen twee jaar na ontstaan van het recht en zolang de dienstbetrekking duurt. Gezien de invoering halverwege het jaar, zullen werkgevers in 2014 de helft van het jaarbedrag aan korting kunnen toepassen.

Qua hoogte zijn de huidige premiekortingen gedifferentieerd in twee bedragen, te weten: 7.000 euro en 3.500 euro.

Korting op premies werknemersverzekeringen
Conform de andere premiekortingsregelingen wordt de premiekorting voor jongere uitkeringsgerechtigden vormgegeven als een korting op de totaal door de werkgever te betalen premies werknemersverzekeringen. De korting kan verzilverd worden voor zover er sprake is van te betalen premies.

Ook op sectorpremies van toepassing
Een deel van de werkgevers, met name de kleinere werkgevers, hoeft door de premiekorting geen premies af te dragen. Om verzilvering van de premiekortingen zo maximaal mogelijk te laten zijn is in een eerder stadium geregeld dat de premiekorting ook op de sectorpremies van toepassing is en dus een zo breed mogelijke basis heeft.

(Bron: Kluwer salarisadministratie)

Verzwaarde bewijslast gold ook voor aftrekposten

De verzwaarde bewijslast die op een belastingplichtige drukte nadat hij niet alle winst uit onderneming in zijn IB-aangifte had verantwoord, gold niet alleen voor de winst, maar ook voor de aftrekposten. Tot dit oordeel kwam Hof Arnhem/Leeuwarden.

In deze zaak had een inspecteur navorderingsaanslagen IB en WAZ opgelegd aan een belastingplichtige. Deze had niet alle winst uit onderneming aangegeven, en daarnaast had hij volgens de inspecteur privé-uitgaven ten onrechte ten laste van de winst gebracht. Hof Arnhem/Leeuwarden stelde vast dat de belastingplichtige de betreffende winst bewust niet had aangegeven, aangezien de betreffende bedragen wel in zijn administratie voorkwamen. Dit betekende volgens het Hof dat de belastingplichtige de vereiste aangifte niet had gedaan, wat leidde tot een verzwaring van de bewijslast. Dit gold volgens het Hof voor de gehele belastingaanslag, en dus niet alleen voor de winst uit onderneming, maar ook voor de aftrekposten. Omdat de belastingplichtige niet overtuigend had aangetoond dat de opgevoerde aftrekposten zakelijk waren, oordeelde het Hof dat de inspecteur de aftrekposten terecht als privé-uitgaven had aangemerkt, zodat de navorderingsaanslagen in stand bleven.

(Bron: Taxence)

Modelpensioenovereenkomst fiscus biedt DGA geen garanties

Het invoeren van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) heeft tot gevolg dat het fiscale kader voor pensioenregelingen per 1 januari 2014 moet worden aangepast. De Belastingdienst heeft de vanaf die datum geldende fiscale voorwaarden verwerkt in modelpensioenovereenkomsten. Aan het gebruik daarvan kleven voor DGA’s bepaalde risico’s. De Belastingdienst heeft ervoor gekozen om alleen volledige omzetting en herrekening van het pensioen op te nemen. Hiermee wordt de indruk gewekt dat een ongelimiteerde omzetting van het ouderdomspensioen (OP) en nabestaandenpensioen (NP) naar 67 jaar mogelijk is. De Belastingdienst gaat daar echter alleen mee akkoord als nominale pensioenaanspraken zijn toegezegd, dus zonder indexering. Is wel een indexering van de pensioenaanspraken toegezegd, dan kan door de toegezegde indexering van het NP een “onzuivere” pensioenregeling ontstaan. Hiervan wordt geen melding gemaakt in de modelpensioenbrief. Volgens de Belastingdienst wordt de modelpensioenbrief voor rekening en risico van de adviseur gebruikt zodat men achteraf kan worden geconfronteerd met de stelling van de inspecteur dat sprake is van een onzuivere regeling met alle fiscale gevolgen van dien.

(Bron: FUTD)

‘Reparatie vereenvoudigde vaststelling mogelijk te laat voor jaarrekening 2012’

De reparatie van de vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening wanneer alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn van de bv, komt waarschijnlijk te laat voor de jaarrekening van 2012. Jeroen Missaar, corporate lawyer en voorzitter van NEVOA (Beroepsorganisatie Bedrijfsjuridisch adviseurs) waarschuwt de praktijk om hier rekening mee te houden, zo valt te lezen op de website TaxLive.

Op 14 oktober is het wetsvoorstel ‘Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013’ bij de Tweede Kamer ingediend. Hierin is een reparatie aangebracht op de vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening als alle aandeelhouders tevens bestuurder van de bv zijn. Pas op 6 november zal de  vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer zich buigen over de verdere behandeling van het wetsvoorstel. Pas dan wordt duidelijk of er nog nadere vragen zullen komen of dat het wetsvoorstel op korte termijn als hamerstuk wordt afgedaan. Is dat laatste het geval dan moet de Eerste Kamer nog instemmen en moet de Wet daarna nog in het Staatsblad worden gepubliceerd. Er bestaat dus een zeer reële kans dat de ‘Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013′ niet vóór 8 december aanstaande in werking treedt.

Volgens Missaar is een waarschuwing op zijn plaats. ‘Nu de reparatie mogelijk te laat komt, doen bv’s waarvan alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn en die in hun statuten nog de oude regeling hebben opgenomen dat de vaststelling geschiedt door de algemene vergadering, er verstandig aan om de jaarrekening van 2012  binnen 8 dagen na ondertekening te deponeren en in ieder geval vóór 8 december 2013. De publicatietermijn luistert nauw. De bestuurder die te laat is met publiceren loopt immers het risico van ‘onbehoorlijk bestuur’ en daarmee mogelijke aansprakelijkstelling in met name situaties van faillissement. Wie de jaarrekening te laat deponeert  bij de Kamer van Koophandel riskeert bovendien een boete van enkele duizenden euro’s.’

(Bron: Taxlive)

Late verrekening privégebruik auto voorkwam bijtelling niet

Als een werknemer met zijn werkgever afspreekt dat hij een eventuele bijtelling vanwege het privégebruik van de bedrijfsauto zal betalen, moet deze betaling ook echt plaatsvinden in hetzelfde boekjaar. Zo niet, dan zal de Belastingdienst stellen dat toch een bijtelling moet plaatsvinden.

In de volgende zaak ging een werknemer de mist in toen hij probeerde onder de bijtelling privégebruik auto van de zaak uit te komen. Hij had bij de Belastingdienst een Verklaring geen privégebruik auto aangevraagd. Daarbij gold als voorwaarde dat de werknemer een rittenregistratie moest bijhouden. Toen hij dit naliet, kreeg hij van de fiscus een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd. De man stelde dat de bijtelling moest worden vernietigd, omdat hij met zijn werkgever was overeengekomen dat een eventuele bijtelling zou worden verrekend via de rekening courant aan het einde van het boekjaar. Hof Arnhem-Leeuwarden concludeerde dat zo’n vergoeding alleen aftrekbaar was van de bijtelling voor zover deze in hetzelfde loontijdvak en/of hetzelfde boekjaar plaatsvond. In werkelijkheid had de verrekening een paar jaar later plaatsgevonden. Het hof oordeelde daarom dat de inspecteur de werknemer terecht de naheffingsaanslag had opgelegd.

(Bron: Taxence)

Voorwaarden subsidieregeling praktijkleren per 1-1-2014

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft onlangs de voorwaarden van de subsidieregeling praktijkleren, die per 1 januari 2014 in werking treedt, opgenomen in een concept. Dit concept ligt nu bij de Tweede Kamer. De voorwaarden worden op 1 november 2013 officieel gepubliceerd in de Staatscourant.

Het is inmiddels algemeen bekend dat de nieuwe subsidieregeling praktijkleren per 1 januari 2014 in de plaats komt van de afdrachtvermindering onderwijs. Uit het onlangs verschenen concept blijkt dat de nieuwe subsidieregeling alleen gaat gelden voor de volgende groepen:

  • deelnemers aan een mbo-beroepsbegeleidende leerweg (bbl);
  • studenten die een hbo-opleiding volgen in de techniek (inclusief landbouw en natuurlijke omgeving), bestaande uit een combinatie van leren en werken;
  • promovendi die tijdelijk zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben bij een universiteit of een instituut van de KNAW of NWO;
  • werknemers van een privaatrechtelijke rechtspersoon of TNO die promotieonderzoek doen of een opleiding tot technologisch ontwerper volgen.

 

Subsidiebedrag

Werkgevers die een subsidie willen krijgen, kunnen hiervoor een aanvraag indienen tot en met 15 september na het studiejaar waarvoor zij subsidie aanvragen. Na 15 september telt Agentschap NL (die verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze subsidieregeling) alle gerealiseerde leerwerkplaatsen per sector op. Dit kunnen ook halve of kwart plaatsen zijn, afhankelijk van de begeleidingsduur in het afgelopen studiejaar. Vervolgens wordt het beschikbare bedrag per sector gedeeld door het aantal plaatsen. Het bedrag per plaats bedraagt maximaal 2700 euro. Voor 2014 is het totale subsidiebudget van circa 205 miljoen euro als volgt verdeeld. Mbo sector: ongeveer 190 miljoen euro, dat is circa 92% van het totale budget. Hbo sector: circa 8 miljoen euro, dat is ongeveer 4% van het totale budget. Promovendi/toio’s: circa 7 miljoen euro, dit komt neer op ongeveer 3% van het totale budget.

 

Subsidievoorwaarden

Om in aanmerking te komen voor de subsidie moeten werkgevers voldoen aan diverse voorwaarden. Een van de belangrijkste voorwaarden voor het mbo en hbo is dat het bedrijf een erkend leerbedrijf moet zijn. Het bedrijf dat de beroepspraktijkvorming voor een mbo-er verzorgt, moet bovendien een gunstige beoordeling hebben gekregen van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. In het hbo moet de onderwijsinstelling met erkende croho-opleidingen ervoor zorgen dat de student het praktijkdeel bij een bedrijf vervult dat goede begeleiding biedt.

 

Schriftelijke overeenkomsten

Voor het mbo geldt dat de beroepspraktijkvorming door een bedrijf moet plaatsvinden aan de hand van een overeenkomst tussen deelnemer, onderwijsinstelling, bedrijf en kenniscentrum. De overeenkomst moet in ieder geval afspraken bevatten over de begeleiding en het deel van de kwalificatie dat moet worden behaald en de beoordeling daarvan. Voor het hbo moet de begeleiding door een bedrijf plaatsvinden op grond van een overeenkomst tussen de student, het bedrijf en de onderwijsinstelling. In die overeenkomst moeten de begeleiding van de student en de kwaliteiten worden geregeld die de student moet realiseren op de praktijkplaats.

 

Onderwijsuren

Een ander belangrijk aandachtspunt is het aantal uren dat geldt voor het onderwijsprogramma van een mbo-bbl opleiding. Elk studiejaar moet namelijk worden voldaan aan minimaal 200 uur begeleide onderwijsuren en minstens 610 klokuren beroepspraktijkvorming. Deze eis geldt echter niet voor werkgevers die vóór 1 augustus een BBL-praktijkovereenkomst hebben gesloten. Tot slot geeft de minister aan dat een deelnemer of student een volledig onderwijsprogramma voor een erkend kwalificerend diploma moet volgen en de opleidingen geregistreerd moeten zijn in het centraal register beroepsopleidingen (Crebo) of in het centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho).

(Bron: Taxence)

Wel of geen ontslagvergunning vereist bij internationale arbeidsverhoudingen?

Stel, u detacheert een  Nederlandse werknemer aan een buitenlandse dochtervennootschap. Het loopt anders dan verwacht en u wenst de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Kunt u dan de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV opzeggen of toch niet.

Deze situatie deed zich voor in een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem d.d. 12 juli 2011 (LJN BR 3312). De Nederlandse werknemer in kwestie was sinds 1996 gedetacheerd naar Roemenië. De werkgever zegt vervolgens de arbeidsovereenkomst zonder toestemming op per januari 2009.

Het hof Arnhem overweegt dat voor de vraag of het BBA van toepassing is en derhalve een ontslagvergunning is vereist, bezien moet worden in hoeverre de sociaaleconomische verhoudingen in Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt betrokken zijn bij het ontslag van werknemer. Naar het oordeel van het hof is voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst in dit geval geen vergunning vereist als bedoeld in artikel 6 BBA: immers, de werknemer wenste niet naar Nederland te terug te keren. Hij had de hoop in Roemenië een nieuwe  baan te vinden en woont nog steeds in Roemenië.

Vergunning vereist?
Toepasselijkheid van Nederlands recht houdt bij een arbeidsverhouding met internationale aspecten echter geen automatische toepasselijkheid in van artikel 6 BBA (Hoge Raad 8 januari 1971, NJ 1971, 129). Doorslaggevend is of de sociaaleconomische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de internationale arbeidsverhouding zijn betrokken. Het hof verwijst ook naar het arrest van de HR van 23 oktober 1987 (NJ 1988, 842) en naar het arrest van het hof Amsterdam 27 april 2010 (JAR 2010/160).

Het hof ziet er niet aan voorbij dat bij de toepassing van artikel 6 BBA het belang van de arbeidsmarkt gerelativeerd dient te worden en dat het doel om werknemers te beschermen tegen ongerechtvaardigd ontslag een aanmerkelijk sterkere functie van het artikel is. Gelet op zijn voornemen om in Roemenië te blijven wonen en werken, aan welk voornemen hij in ieder geval wat betreft zijn woonplaats uitvoering heeft gegeven, onderscheidt de situatie van werknemer zich echter van die van werknemers die werkzaam zijn in Nederland en is niet in te zien dat de sociaal-economische verhoudingen in Nederland met zich brengen dat hij dezelfde bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag op grond van het BBA zou kunnen inroepen als deze in Nederland werkzame werknemers. Aldus is naar het oordeel van het hof voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst geen vergunning als bedoeld in artikel 6 BBA vereist.

Kennelijk onredelijk ontslag

Het debat van partijen  richtte zich met name op de vraag of het BBA, in deze van toepassing is. Ten aanzien van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is en het door werknemer gevorderde herstel van de dienstbetrekking (artikel 7:682 BW) (primair) en de schadevergoeding (subsidiair) is verder geprocedeerd. Uiteraard is op dat punt wel de Nederlandse rechter bevoegd. Daarmee wordt het ontslag van deze werknemer alsnog door de rechter getoetst (repressief). Het is dus maar de vraag of de preventieve ontslagtoets voor expats geen ‘wassen neus’ is geworden, nu een beroep van een expat op de vernietigbaarheid van de opzegging (wegens het ontbreken van een ontslagvergunning) in veel gevallen louter strategisch wordt ingezet.

Doe uw voordeel met deze uitspraak van het Hof Arnhem

(Bron: Pellicaan Advocaten)

Bij waardering grond rekening houden met mogelijke bestemmingswijziging

De vader van X en haar zus Y verkocht in de tweede helft van 2005, onder voorbehoud van het recht van gebruik, voor € 21.400 (40% van de waarde in het vrije verkeer van € 53.500, ofwel € 3,25 per m2) een perceel grond aan zijn dochters, ieder voor de onverdeelde helft. Het perceel had in 2005 een agrarische bestemming, maar de provincie en gemeente waren in 2004 gestart met een onderzoek naar mogelijke nieuwbouw. De inspecteur legde naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting op aan beide zussen, omdat taxateurs van de Belastingdienst de waarde van het perceel hadden getaxeerd op (40% van) € 500.000 (€ 30,40 per m2). De zussen gingen in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat bij de waardering van grond die werd verkocht, rekening moest worden gehouden met een mogelijke bestemmingswijziging als deze op dat moment bekend was. Uit berekeningen van de inspecteur op basis van reguliere transacties en transacties waarbij een nabetaling was overeengekomen als een bestemmingswijziging onherroepelijk was geworden, volgden waarden van € 32,99 en € 29,59 per m2. Volgens de Rechtbank had de inspecteur hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van het perceel niet lager was dan € 30,40 per m2. De zussen hadden de door hen bepleite waarde van € 10 per m2 echter ook niet aannemelijk gemaakt, omdat rekening moest worden gehouden met een verwachtingswaarde. Gelet op de verhouding van 1:5 tussen de initiële betaling en de bijbetaling voor de transacties met bijbetaling in 2004, stelde de Rechtbank de waarde van het perceel in goede justitie vast op € 23 per m2, ofwel (40% van) € 378.304. De Rechtbank verklaarde het beroep van X en Y gegrond en verlaagde de naheffingsaanslagen.

(Bron: FUTD)