Regels aanpassing pensioen DGA (BV) – Patatje snert

Hiep hiep hoera: de kabinetsvoorstellen, om de pensioenopbouw per 2015 drastisch te beperken, zijn afgewezen door de Eerste Kamer. Dus nog even de opbouwpercentages en pensioendatum voor 2014 aanpassen, en we kunnen weer verder. Of toch niet? U raadt waarschijnlijk al, dat ik de kwestie iets genuanceerder zie.

Wijzigingen per 1 januari 2014

Hoewel de wetsvoorstellen voor pensioenaanpassing per 2015 zijn afgewezen, gaan de wijzigingen per 2014 gewoon door. Voor een directeur-grootaandeelhouder (dga) houdt dit in, dat de pensioenleeftijd naar 67 jaar gaat, het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen (OP) met 0,1% per jaar daalt en daarmee ook de opbouw van partnerpensioen (PP) en wezenpensioen (Wzp). Voor de toekomst lijkt het allemaal wel duidelijk, maar wat te doen met oude pensioenrechten?
Voor tot 2014 opgebouwde pensioenaanspraken geldt dat deze kunnen blijven staan of worden uitgesteld. Waar het eerste kan leiden tot uitkering van het ouderdomspensioen op (minimaal) twee data, leidt het tweede tot één pensioen dat ingaat op 67-jarige leeftijd. Hierbij is niet per se één beste keuze aan te wijzen, maar speelt bijvoorbeeld de toekomstige pensioenopbouw van de dga een rol. Let er wel even op, dat alles uitstellen naar 67 jaar een gedeeltelijke vrijval van de pensioenvoorziening veroorzaakt. Dit is zo, omdat de omrekening tegen commerciële grondslagen gaat, die vervolgens fiscaal moeten worden gewaardeerd. De pensioenbrief van de Belastingdienst gaat er trouwens van uit, dat alles wordt uitgesteld.

 

Pensioenregeling ombouwen?

De standaard pensioenbrief van de Belastingdienst kent nogal wat toeters en bellen. Denk hierbij aan de royale toezeggingen bij arbeidsongeschiktheid en overlijden. Als dat niet verzekerd is, loopt de BV enorme risico’s. De vraag is, of je dat allemaal in eigen beheer moet willen. Dat geldt net zo zeer voor indexatie van pensioenen. Prima, maar het moet wel worden betaald.
Diverse adviseurs overwegen een omzetting naar beschikbare premieregelingen. Op zich een begrijpelijke keuze, maar ook daar speelt de vraag: wat te doen met opgebouwde rechten? Een bijkomende praktische complicatie is, dat de Belastingdienst geen akkoord geeft op beschikbare premieregelingen in eigen beheer.

 

Pensioenregeling stoppen?

Op termijn kan een pensioen in eigen beheer een blok aan het been worden. Dat blijkt al in 2014. Voor het komende jaar wordt het tarief voor aanmerkelijk-belangdividend verlaagd tot 22%. Dividend uitkeren is echter alleen maar toegestaan, als het pensioen in eigen beheer daardoor niet in gevaar komt. En daarbij telt de commerciële waarde van het pensioen. De wetgever lijkt, al naar het uitkomt, met het pensioen in eigen beheer de ene keer waarde te hechten aan de fiscale waardering (bijvoorbeeld bij afstempelen), en de andere keer aan de commerciële waarde (zoals bij dividenduitkeringen).
Al met al lijkt het een patatje snert: leuke ingrediënten, maar de combinatie valt zwaar op de maag. Tijd om eens na te denken over een andere snackbar?

(Bron: Taxence)

Versoepeling aflossingseis eigenwoningschuld

Er zijn al de nodige versoepelingen doorgevoerd sinds de nieuwe regels voor hypotheekrenteaftrek per 1 januari 2013 in werking zijn. De strenge regels blijken namelijk soms iets te nadelig uit te pakken voor woningeigenaren. Dat geldt ook voor de aflossingseis.

Aflossingseis

Met ingang van dit jaar geldt er voor nieuwe (hypothecaire) leningen voor de eigen woning een aflossingseis. Deze houdt in dat de lening moet worden afgelost in maximaal 30 jaar (360 maanden) en ten minste annuïtair. Voor op 1 januari 2013 bestaande leningen geldt deze aflossingseis niet.

 

Alhoewel de aflossingseis duidelijk lijkt, werkt hij in bepaalde situaties toch te star uit. Met name in de situatie dat iemand zijn oude eigen woning vóór 1 januari 2013 heeft verkocht – op die datum dus geen eigenwoningschuld meer had – en na 1 januari 2013 een nieuwe woning koopt en deze financiert met een hogere eigenwoningschuld.

 

In dat geval verkort de verstreken looptijd (vanaf 1 januari 2001 tot 1 januari 2013) van de oude eigenwoningschuld, de maximale periode van 360 maanden waarin de nieuwe schuld moet worden afgelost. De nieuwe (hypothecaire) lening voor de eigen woning moet dan sneller worden afgelost dan bij een nieuw aflossingsschema het geval zou zijn. Het gevolg is dat de maandlasten aanzienlijk zouden stijgen. Gelukkig geldt er voor die situatie nu een versoepeling.

 

Deze versoepeling houdt in dat de verstreken looptijd van de oude eigenwoningschuld de aflossingstermijn van de nieuwe (hypothecaire) lening voor de eigen woning niet verkort.

 

Let op! Sinds 1 januari 2001 is de rente voor een hypotheek of lening voor de eigen woning nog maximaal dertig jaar aftrekbaar in box 1. Aan deze dertigjaarstermijn verandert niets!

 

Renteaftrek en versoepeling aflossingseis

Hoe de versoepeling van de aflossingseis en de dertigjaarstermijn van de renteaftrek nu precies uitwerken, kunnen we het best uitleggen aan de hand van het volgende voorbeeld:

 

Stel, u heeft op 1 januari 2001 een nieuwe eigen woning gekocht en hiervoor een aflossingsvrije hypotheek afgesloten van € 120.000. In 2011, na tien jaar dus, verkoopt u deze woning weer voor
€ 150.000. U behaalt dus een verkoopwinst (eigenwoningreserve) van € 30.000. In 2013 koopt u een nieuwe woning voor € 200.000. Uw nieuwe eigenwoningschuld bedraagt € 170.000 (€ 200.000 –
€ 30.000 eigenwoningreserve).

 

Voor € 120.000 van de totale eigenwoningschuld van € 170.000 heeft u nog twintig jaar recht op renteaftrek. Na deze periode verhuist dit gedeelte van de schuld naar box 3. Voor € 50.000 heeft u nog dertig jaar recht op hypotheekrenteaftrek. Voor de totale schuld van € 170.000 geldt wel dat deze volgens de aflossingseis in maximaal dertig jaar en ten minste annuïtair volledig moet worden afgelost.

Beroep op dwaling vereist vernietiging overeenkomst

Als twee partijen erachter komen dat een gesloten overeenkomst onbedoelde fiscale gevolgen heeft, kunnen zij deze overeenkomst met een beroep op dwaling vernietigen. Maar dit heeft alleen zin als de overeenkomst ook echt ongedaan wordt gemaakt.

Zo voldeed een naar Panamees recht opgerichte rechtspersoon niet aan de voorwaarden voor een succesvol beroep op dwaling. Dit bedrijf was actief in de toeristenbranche en had de opbrengst van de verkoop van zijn cruiseschip uitgeleend aan zijn aandeelhouder, een Nederlandse bv. Bij het opstellen van de leningsovereenkomst gingen beide partijen ervan uit dat zij samen een fiscale eenheid konden vormen voor de vennootschapsbelasting. Hierdoor zou de schuldeiser de rentevergoeding onbelast kunnen ontvangen. Toen een fiscale eenheid niet mogelijk bleek, deed de rechtspersoon een beroep op wederzijdse dwaling. Rechtbank Haarlem concludeerde dat de partijen op zich aannemelijk maakten dat zij hadden gedwaald. De overeenkomst was daardoor vernietigbaar. Het probleem voor het toeristenbedrijf was echter dat de overeenkomst niet daadwerkelijk ongedaan was gemaakt. De bv beschikte nog steeds over het geleende geld, zodat de situatie niet in de oude staat was hersteld. De fiscale gevolgen van de leningsovereenkomst bleven daardoor in stand.

 

Wijziging voorwaarden

De rechtspersoon wilde het beroep op dwaling vervolgens nog gebruiken om met terugwerkende kracht de leningsvoorwaarden zo te wijzigen, dat sprake was van een hybride lening. De ontvangen rente zou dan vallen onder de deelnemingsvrijstelling. De rechtbank oordeelde dat een beroep op wederzijdse dwaling niet de mogelijkheid biedt om leningsvoorwaarden met terugwerkende kracht te wijzigen. Het beroep op dwaling maakte alleen wijzigingen voor de toekomst mogelijk. Overigens had de lening ongeveer één jaar na het afsluiten van de overeenkomst dankzij een afspraak met de fiscus al de status van hybride lening verkregen. Het geschil zag alleen op de belastbaarheid van de rente over de tussenliggende periode.

(Bron: Taxence)

Fout geëtiketteerde woning na 16 jaar alsnog verplicht privévermogen

X en zijn broer dreven samen met hun vader in firmaverband een onderneming. De werkplaats van de onderneming bevond zich achter de woning (1) van Y en daarachter was nog een loods voor opslag. In augustus 1992 kochten vader en zoons een woning (2) naast de woning van Y, maar deze werd nooit gebruikt. Woning 2 werd steeds geëtiketteerd als ondernemingsvermogen. Per 1 januari 2002 trad Y uit de v.o.f. en werden beide woningen toegedeeld aan X en zijn broer. Het woongedeelte van woning 1 verhuurden zij aan Y. In oktober 2008 moesten zij woning 2 noodgedwongen verkopen. In zijn aangifte IB 2008 paste X de foutenleer toe en bracht hij woning 2 over naar zijn privévermogen. Bij de aanslagregeling corrigeerde de inspecteur de winst met het bedrag van de niet-aangegeven boekwinst. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland nam aan dat woning 2 alleen was bestemd voor bewoning, aangezien het een (bouwvallig) woonhuis betrof. De woning kon daarom niet worden gekwalificeerd als ondernemingsvermogen, tenzij sprake was van bijzondere omstandigheden. Volgens de Rechtbank had X aannemelijk gemaakt dat hiervan geen sprake was. De Rechtbank geloofde zijn verklaring dat hij ten tijde van de aankoop van woning 2 het voornemen had gehad om daar te gaan wonen uitsluitend om in zijn eigen woonbehoefte te voorzien. Dat dit voornemen om financiële redenen niet was gerealiseerd, liet onverlet dat sinds 1992 bij X de wil was blijven bestaan om zelf in woning 2 te gaan wonen. De Rechtbank vond ook dat X een plausibele verklaring had gegeven voor de bijdrage in de kosten van de aankoop van de woning door zijn broer en vader. X had aannemelijk gemaakt dat woning 2 sinds 1992 verplicht als privévermogen had moeten worden aangemerkt. Dit kon volgens de Rechtbank in het laatste openstaande jaar (2008) worden hersteld door overbrenging van woning 2 naar het privévermogen van X (en zijn broer) met ingang van 2008, waarbij de in voorgaande jaren in aanmerking genomen afschrijvingskosten tot de winst moesten worden gerekend. Het met de verkoop van de woning behaalde resultaat behoorde niet tot de winst uit onderneming. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en verminderde de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte.

3 nieuwe aandachtspunten btw en vastgoed

De staatssecretaris van Financiën heeft op 19 september 2013 een besluit geactualiseerd waarin hij de btw-gevolgen toelicht bij diverse vormen van levering en verhuur van vastgoed. Ook bevat dit besluit enkele verduidelijkingen naar aanleiding van rechtspraak. In deze verdieping komen enkele punten van het besluit aan de orde.

Gefaseerde ingebruikneming

Normaal gesproken is de levering en verhuur van onroerende zaken vrijgesteld van btw. Maar de levering van een gebouw vóór, op het moment van of binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming is belast met btw. Als een gebouw bestaat uit een aantal zelfstandige delen, vindt de ingebruikneming gefaseerd plaats, namelijk per zelfstandig onderdeel. Volgens de staatssecretaris doet het feit dat alleen sprake kan zijn van één eerste ingebruikneming daaraan niets af. Hij ontleent dit standpunt uit een arrest van de Hoge Raad. Als sprake is van een ondeelbare onroerende zaak, vindt de eerste ingebruikneming plaats zodra het eerste deel van deze zaak conform de objectieve bestemming duurzaam in gebruik wordt genomen.

 

Goedkeuring optie belaste levering

Onder voorwaarden is het ook mogelijk te opteren voor een btw-belaste levering. Eén van de voorwaarden is dat de afnemer de onroerende zaak moet gebruiken binnen de zogeheten wettelijke referentieperiode. Dat betekent dat de ingebruikneming uiterlijk plaatsvindt in het boekjaar dat volgt op het boekjaar van levering. De afnemer kan soms niet aan deze voorwaarde voldoen als er nog werkzaamheden aan de onroerende zaak plaatsvinden. De staatssecretaris keurt goed dat in deze situatie toch een btw-belaste levering mogelijk is als:

  • de afnemer de onroerende zaak zowel in het jaar van feitelijke ingebruikneming en het daaropvolgende boekjaar voor minstens 90% gebruikt voor belaste prestaties;
  • de leverancier en de afnemer akkoord gaan dat wordt gehandeld alsof zij rechtsgeldig hebben gekozen voor een belaste levering. Daarbij aanvaarden zij de gevolgen die de wet- en regelgeving hieraan verbinden. Bijvoorbeeld het opnieuw gaan lopen van de herzieningstermijn bij de afnemer;
  • de afnemer zijn instemming laat blijken door middel van een gedateerde en door hem ondertekende verklaring. De afnemer moet deze verklaring binnen vier weken na overschrijding van de wettelijke referentieperiode hebben opgenomen in zijn boekhouding;
  • de leverancier ermee instemt dat de naheffingstermijn (waaronder de naheffing wegens niet voldoen aan de 90%-eis) en de termijn waarin de btw-aftrek in verband met de geleverde onroerende zaak wordt herzien pas ingaan in het boekjaar waarin de afnemer de onroerende zaak feitelijk gaat gebruiken om uitgaande prestaties te verrichten. Deze instemming moet blijken uit een gedateerde en door de leverancier ondertekende verklaring die hij binnen vier weken na overschrijding van de wettelijke referentieperiode heeft opgenomen in zijn boekhouding.

 

Verhuur van congresruimte

Bij de verhuur van onroerende zaken die dienen als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimten is meestal sprake van kortdurende verhuur. Bovendien gaat het vaak ook om veel en telkens wisselende huurders die in verschillende mate recht hebben op btw-aftrek. Voor de verhuurder kan het in deze situatie lastig zijn om te controleren of hij voldoet aan de voorwaarden voor belaste verhuur. Hij mag van de staatsecretaris echter belast verhuren zonder dat hij daarvoor samen met de huurder opteert. De verhuurder hoeft evenmin na te gaan in welke mate de huurders recht hebben op btw-aftrek. Aan deze goedkeuring zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • de huurder huurt de congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte voor maximaal één maand. Deze voorwaarde geldt per afzonderlijke locatie.
  • de huurder gebruikt de gehuurde ruimte uitsluitend als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte.
  • de verhuurder laat de huurder duidelijk weten dat de verhuur van de ruimte belast plaatsvindt. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door een duidelijke vermelding op de prijslijst of met een duidelijke bepaling in de huurovereenkomst.

Deze goedkeuring geldt ook voor andere onroerende zaken, zoals ruimten in een hotel-, café- en restaurantbedrijf, voor zover die in het kader van de betreffende verhuur uitsluitend worden gebruikt als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte.

(Bron: Taxence)

Naderend ontslag. Kijk of u nog voor 15 november de afkoopsom kan ontvangen.

In 2013 of 2014 ontslag? Probeer dit plannen ivm een wetsvoorstel over het afschaffen van de fiscale faciliteiten hieromtrent en het eenmalig in 2014 met een belastingkorting kunnen opnemen van pensioen in eigen beheer bijvoorbeeld. Dat komt vooral door het voorstel om per 1 januari 2014 de zogenoemde stamrechtvrijstelling af te schaffen. Werknemers die een goudenhanddrukstamrecht willen regelen moeten snel zijn. Zeker als ze die willen storten in een eigen BV. Wat kunt u nog plannen voor het einde van het jaar?
Stamrechten
Als u als werknemer bij de beëindiging van uw dienstverband een ontslagvergoeding (‘gouden handdruk’) krijgt, dan wordt die vergoeding in beginsel direct belast met loon- en inkomstenbelasting. Fiscaal bezien is dat logisch maar voor u als ex-werknemer is het juist heel onhandig. Door de ontslagvergoeding wordt u al snel tegen een hoger belastingtarief belast dan wanneer u de vergoeding verspreid over de jaren zou ontvangen.De stamrechtvrijstelling biedt daar een oplossing voor. U zet de ontslagvergoeding om in een recht op periodieke uitkeringen (het ‘stamrecht’). Vervolgens wordt belasting geheven over de ontvangen uitkeringen in plaats van over de ontslaguitkering ineens. Zowel de uitkeringen als de belastingheffing worden dus naar de toekomst verschoven. Stamrechten kunt u regelen bij een bank, een beleggingsinstelling, een verzekeraar of in een eigen bv.Afschaffen en uitkeren
Om extra belastingopbrengsten te realiseren wil het kabinet de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 afschaffen. Er kunnen dan geen nieuwe ontslagvergoedingen meer in een stamrecht worden ondergebracht, zodat een ontslagvergoeding voortaan direct wordt belast. Dat kan voor de ex-werknemer dus tot een tariefnadeel leiden.

Voor bestaande stamrechten blijft de vrijstelling gewoon gelden. Om toch ook over dàt vermogen belasting te kunnen heffen wordt de mogelijkheid geboden stamrechten in 2014 in één keer op te nemen met een korting van 20%. U betaalt dan over slechts 80% van de uitkering inkomstenbelasting in plaats van over 100%. Bovendien is geen revisierente – een strafrente van 20% – verschuldigd.

Ook ná 2014 mogen stamrechten in één keer worden uitgekeerd. Dan geldt niet meer de korting van 20%, maar geldt wel dat er geen revisierente verschuldigd is.

Fiscale ontslagplanning
Voor wie nog in 2013 ontslag verwacht is planning zinvol. We noemen een paar mogelijkheden. Voor advies op maat kunt u bij ons terecht.

U zou nog dit jaar de stamrechtvrijstelling kunnen gebruiken en vervolgens in 2014 het stamrecht ineens laten uitkeren. U bespaart daarmee belastingheffing over 20% van de uitkering. Let op dat u in dat geval niet voor de lijfrente als stamrecht kiest, omdat de Belastingdienst dan zou kunnen stellen dat u feitelijk geen aanspraak op periodieke uitkeringen heeft bedongen. Het beste kunt u in dat geval de ontslagvergoeding in een bankspaarproduct storten. Laat u hierbij begeleiden door een adviseur. U moet daarmee overigens wel snel zijn omdat onlangs is bepaald dat de kortingsregeling alléén geldt als de ontslagvergoeding vóór 15 november 2013 is overgemaakt naar de bank of verzekeraar. (Nb. deze wetsvoorstellen dienen ook nog definitief goedgekeurd te worden door beiden kamers, maar dit gaat hoogstwaarschijnlijk nu wel gebeuren.)

Verwacht u in 2014 ontslag? Het kan lonen om daarop te anticiperen. Werkgevers blijken bereid te zijn om nog in 2013 de ontslagvergoeding te betalen, zelfs als het ontslag pas in 2014 plaatsvindt. Als de ontslagvergoeding vóór 15 november 2013 wordt overgemaakt naar de bank of verzekeraar en vaststaat dat de vergoeding dient ter compensatie van te derven loon, is de kans groot dat u de stamrechtvrijstelling kunt toepassen.

Eigen stamrecht-BV
Bent u van plan na uw ontslag voor uzelf te beginnen? Dan kan een eigen BV interessant zijn. Door het stamrecht in een eigen BV onder te brengen kan het dienen als startkapitaal voor uw onderneming. U moet dan wel snel zijn. De stamrechtvrijstelling vervalt naar verwachting op 1 januari 2014.

 

Naheffing herzienings-BTW bij afnemer in strijd met Zesde BTW-Richtlijn

Pactor Vastgoed BV kreeg in januari 2000 een pand geleverd met toepassing van de optie voor BTW-belaste levering. De leverancier (A) had het pand zelf ook verkregen met de optie voor BTW-belaste levering. Vanaf 5 april 2000 ging Pactor het pand BTW-vrijgesteld verhuren en op 4 juli 2000 leverde zij het pand vrijgesteld van BTW aan een derde. Hierdoor verviel de optie voor BTW-heffing ter zake van de levering van A aan Pactor. A had de BTW op de aankoop van het pand ten onrechte in aftrek gebracht en deze BTW moest op grond van de herzieningsregeling worden gecorrigeerd. Op grond van artikel 12a Wet OB werd Pactor als de afnemer van A aangewezen als degene die de herzienings-BTW moest voldoen. Hof Den Haag was het met Pactor eens dat de herzienings-BTW van de leverancier niet op grond van artikel 12a Wet OB kon worden nageheven van de koper. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besloot een prejudiciële vraag aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen. Het EU-Hof besliste dat de Zesde BTW-Richtlijn geen uitdrukkelijke aanwijzing bevatte ten aanzien van welke belastingplichtige belastingschulden als gevolg van de herziening van een BTW-aftrek moest voldoen, maar daaruit kon niet worden afgeleid dat lidstaten vrij konden bepalen welke belastingplichtige de BTW in een dergelijke context moest voldoen. De aanvankelijke BTW-aftrek werd op grond van artikel 20, lid 1, onderdeel a, van de Zesde BTW-Richtlijn herzien wanneer deze hoger of lager was dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen. Deze bepaling moest volgens het EU-Hof zo worden uitgelegd dat wanneer de door een belastingplichtige in aftrek gebrachte BTW werd herzien, de als gevolg daarvan verschuldigde bedragen door die belastingplichtige moesten worden voldaan. Het was in strijd met de Zesde BTW-Richtlijn om de bedragen verschuldigd na een herziening van een BTW-aftrek in te vorderen bij een andere belastingplichtige dan degene die de aftrek had toegepast.

(Bron: FUTD)

Handel lopende bedrijfsoverdrachten snel af!

Vorig jaar zomer besliste de rechtbank in Breda dat de fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Inmiddels buigt de Hoge Raad zich over die uitspraak. De beslissing van de Hoge Raad kan grote gevolgen hebben voor bedrijfsopvolgingen. Ondernemers met lopende bedrijfsoverdrachten doen er daarom verstandig aan deze zo spoedig mogelijk af te wikkelen. Dat zegt Alfa Accountants en Adviseurs.

In de Successiewet, die de belastingheffing over schenkingen en erfenissen regelt, is de zogenoemde bedrijfsopvolgingsregeling opgenomen. Een groot deel van een door schenking of vererving verkregen onderneming is daardoor vrijgesteld van belastingheffing. Tot ongeveer één miljoen euro is het ondernemingsvermogen volledig vrijgesteld. Daarboven is 83% van het vermogen vrijgesteld.

In de zomer van 2012 besliste de rechtbank in Breda dat deze regeling discriminerend is. De voorwaarden zouden namelijk niet streng genoeg zijn. Daardoor hebben veel ondernemers recht op de vrijstelling, terwijl zij die helemaal niet nodig hebben. De rechter besliste daarom dat óók particulieren de vrijstelling mogen gebruiken.

Andere oplossing

De belastinginspecteur liet het daar niet bij zitten en is naar de Hoge Raad gestapt. Eind september concludeert de Advocaat-Generaal (een adviseur van de Hoge Raad) dat de regeling inderdaad discriminerend is. Hij stelt echter een andere oplossing voor dan de rechtbank.

Volgens de Advocaat-Generaal is een vrijstelling van 75% namelijk wél toegestaan. Particulieren hebben daarom volgens hem alleen recht op de vrijstelling voor zover de bedrijfsopvolgingsregeling ruimer is. Dat komt erop neer dat voor particuliere schenkingen en erfenissen een vrijstelling van 25% geldt tot ongeveer één miljoen euro, en daarboven een vrijstelling van 8%.

Forse tegenvaller schatkist

Het wachten is nu op een beslissing van de Hoge Raad. Als de Raad zich aansluit bij het standpunt van de rechtbank of het standpunt van de Advocaat-Generaal, leidt dat tot een forse tegenvaller voor de Nederlandse schatkist. In dat geval zal de wetgever naar verwachting ingrijpen om de bedrijfsopvolgingsregeling zo snel mogelijk in te perken.

Of het inderdaad zover komt is zeer de vraag. De kans bestaat immers ook dat de Hoge Raad beide standpunten verwerpt, zodat de vrijstelling ongewijzigd blijft bestaan.

Daarom adviseert Alfa ondernemers die voor een bedrijfsoverdracht een beroep willen doen op de regeling, hun bedrijfsopvolging op korte termijn af te ronden. Op die manier kan de ondernemer een eventuele wijziging van de vrijstelling nog vóór zijn. Overigens blijft een zorgvuldige uitvoering van de overdracht uiteraard belangrijk.

(Bron: Pleinplus)

Pas op, de regels rond Duitse btw-vrijstelling veranderen!

Hoe zit het nou met de verplichte Gelangenbestätigung?
Importeer jij goederen uit Duitsland? Let op, per 1 oktober veranderen de regels rond de btw-vrijstelling. Om voor het 0 procent-tarief in aanmerking te komen, moet de leverancier aantonen dat de goederen naar jou zijn verzonden. Dat kan op verschillende manieren.
Leveringen binnen de Europese Unie zijn vrijgesteld van btw, maar omdat dit systeem fraudegevoelig is, voert de Duitse regering een extra bewijsplicht in. Mogelijk volgen binnenkort andere EU-landen. Naar schatting kost btw-fraude de Europese regeringen in totaal 250 miljard euro.

Plicht

In Duitsland wordt hier al jaren over gesproken. Exporteurs zouden bij elke zending een ‘Gelangenbestatigüng’, een ontvangstbevestiging, moeten meesturen die jij als importeur binnen drie weken terug zou moeten sturen. Als je dat niet zou doen, zou je een nieuwe factuur krijgen waarbij het Duitse btw-tarief van 19 procent wordt gerekend.

Afgezwakte regelgeving

Na veel protest is dit voorstel licht afgezwakt. Een Duitse exporteur moet vanaf 1 oktober 2013 nog steeds voor extra bewijs zorgen om te kunnen aantonen dat de producten echt het land hebben verlaten, maar als hij een transportbedrijf inschakelt kan hij ook andere documenten als bewijs aanvoeren. Naast een factuur is een van de volgende documenten dan nodig:
  • Een bewijs van verzending, dus bijvoorbeeld een vrachtbrief met getekende ontvangstbevestiging, een ladingsbrief of de duplicaten hiervan;
  • Een schriftelijke bevestiging van het transportbedrijf;
  • Een schriftelijke of elektronische plaatsing van de order inclusief de notulen over het transport (track and trace);
  • Bij verzending per post een bon van de posterijdienst waarop de inontvangstname en het bewijs van betaling van de levering staan;
  • In geval van verzending van de goederen door de klant een bewijs van betaling via een bankrekening plus een schriftelijke bevestiging van het transportbedrijf.
Brengt de leverancier de goederen zelf de grens over of haal je ze op? Dan is de Gelangenbestätigung wel verplicht om btw-heffing te voorkomen.

Wat staat erop?

Op een Gelangenbestätigung moeten gegevens van de leverancier staan, een beschrijving van de goederen, de plaats en maand van aankomst van het transport en een handtekening en datum. Hiermee geef je aan de goederen in je eigen btw-administratie op te nemen. Om de bon van een vervoerbedrijf te kunnen gebruiken als bewijs, moet deze ook informatie bevatten over de goederen en data van het transport.
Krijg je na 1 oktober bij je zending een Gelangenbestätigung? Voorkom problemen voor je leverancier en stuur dit document binnen drie weken terug. De regels gelden voor alle ondernemers die goederen vanuit Duitsland versturen, ook voor niet-Duitse ondernemers.
(Bron: MKBServicedesk)

Mogelijk fiscaal voordeel voor nabestaanden

Nabestaanden maken kans op een fiscaal voordeel, als de Hoge Raad een advies over erfbelasting overneemt.

Dat schrijft Het Financieele Dagblad vrijdag.

Advocaat-generaal Robert IJzerman van de Hoge Raad oordeelt dat de huidige regels voor erfbelasting discriminerend zijn. Sinds een wetswijziging in 2010 zou het verschil tussen erfgenamen van particulier vermogen en mensen die ondernemingsvermogen erven te groot zijn geworden.

Vanaf dat jaar kregen erfgenamen van ondernemingsvermogen een vrijstelling van 83 procent voor alle bedragen boven de 1 miljoen euro. Voorheen gold een vrijstelling van 75 procent. En voor alles daaronder hoefden ze sinds 2010 zelfs helemaal geen erfbelasting meer te betalen.

De overheid hoopte hiermee te voorkomen dat bedrijven na het overlijden van de eigenaar failliet gaan, omdat de nabestaanden erfbelasting moeten betalen. Maar deze gunstige voorwaarden gelden niet voor mensen die particulier vermogen erven.

Terugdraaien

IJzerman wil daarom de wetswijziging van 2010 terugdraaien. Wat ook zou kunnen, is een verhoging van de vrijstelling voor particulier vermogen. Dan zou het verschil tussen beide groepen kleiner worden.

Als de Hoge Raad het advies van IJzerman overneemt, hebben erfgenamen van particulier vermogen daar in de toekomst voordeel aan. Ook zou de overheid mogelijk  1,5 miljard euro aan onterecht betaalde erfbelasting aan nabestaanden moeten terugbetalen.

Het is de verwachting dat de Hoge Raad nog dit jaar uitspraak doet.

(Bron: Nu.nl)