Pensioenuitkering gewoon belast bij gerechtigde

Met een recente uitspraak heeft Hof Arnhem-Leeuwarden duidelijk gemaakt dat een pensioen niet meer tussen echtgenoten is te verdelen als eenmaal de uitkeringen zijn ingegaan. De pensioengerechtigde geniet immers op dat moment het pensioen.

Een man had in de zaak voor het hof geprobeerd om de helft van zijn pensioenuitkering aan zijn echtgenote toe te rekenen. Hij stelde dat dit mogelijk was op basis van het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, LJN: AG4271, ook wel bekend als het Boon/Van Loon-arrest. Dit arrest zag echter op een ander geval, namelijk de civielrechtelijke verdeling van de pensioenaanspraken die gedurende een huwelijkse gemeenschap van goederen zijn opgebouwd. In het geval voor het hof ging het om de belastingheffing van een pensioenuitkering. De rechter oordeelde dat de man deze uitkering fiscaal gezien had genoten als niet-gemeenschappelijk inkomen. Dat de pensioenuitkering was gestort op een gezamenlijke rekening van de man en zijn echtgenote deed daar niets aan af. De Belastingdienst had terecht de pensioenuitkering voor het volle bedrag gerekend tot het belastbare inkomen van de man.

(Bron: Taxence)

15 manieren om tijdig betalen te stimuleren

Volgens nieuwe cijfers van Graydon betalen Nederlandse bedrijven hun factuur gemiddeld pas na 44,5 dagen. Dat is ruim later dan de wettelijke norm van een maand. Hoe kun je dat voorkomen?

1. Pas etiketten toe

Niet elke ondernemer denkt eraan om een klant te bedanken in zijn factuur. Uit onderzoek zou echter blijken dat je opdrachtgever eerder geneigd is te betalen als jij vriendelijk je dankbaarheid toont voor het mogen opleveren van een project of product. Je kunt volstaan met een korte zin of uitroep zoals ‘bedankt voor deze opdracht’. Ook wanneer je de vergoeding ter sprake brengt, zou een simpel vriendelijk woord als ‘alstublieft’ de kansen op betaling verhogen.

2. Op maat maken

Vraag de klant van tevoren op welke wijze hij graag een factuur ontvangt. Als je opdrachtgever namelijk niet tevreden is, loop je het risico dat je hem nog een keer moet uitschrijven. Vraag of een factuurnummer voldoende is, of dat je bijvoorbeeld ook een productnummer vermelden moet. Moet je alle diensten die je opgeleverd hebt, afzonderlijk beschrijven, of voldoet één algemene beschrijving? En naar welke persoon moet je je factuur sturen?

3. Maak de boeteregeling duidelijk

Dit jaar is de uiterste betalingstermijn voor bedrijven teruggeschroefd tot dertig dagen. Als een opdrachtgever een factuur niet binnen die termijn voldoet, mogen bedrijven een percentage van het uitstaande bedrag als vergoeding vragen voor incassokosten. Daarvoor geldt een minimum van veertig euro, ook als het gefactureerde bedrag lager ligt. Daarnaast mogen bedrijven de wettelijke handelsrente over het openstaande bedrag rekenen. Deze staat sinds 1 juli op 8,5 procent per jaar.

Dat zijn mooie regelingen, maar durf je ze ook in te zetten als de klant inderdaad te laat betaalt? Je riskeert het gevaar dat je een klant verliest. Wat wel effect kan hebben, is om in de factuur of in het contract te wijzen op deze nieuwe regeling. Puur ter informatie aan de klant.

. Beloon de klant voor tijdig betalen

Beloon een klant als ze op tijd betalen. Dat kan door middel van een geste, maar ook aan de hand van korting op je product/dienst. Laat in je factuur duidelijk naar voren komen wat de klant kan besparen als hij op tijd is.

5. Bied een digitale betaaloptie

Stuur jij nog altijd alleen papieren facturen? Zorg er dan eindelijk eens voor dat de klant een digitale factuur ontvangt. Niet alleen is het voor de klant dan gemakkelijker om een betaling te verwerken, ook bespaart het jou papier- en verzendkosten. En je reduceert het risico op fraude.

6. Kies je klanten zorgvuldig

Neem de tijd om een potentiële klant eerst te leren kennen. Bel hem op of maak een afspraak. Probeer in ieder geval langer dan een kwartier kennis met hem te maken. Komt hij betrouwbaar over? Je neemt simpelweg risico’s als je na een mailtje of kort telefoongesprek meteen met hem in zee gaat.

7. Doe geen zaken met vrienden en familie

Ok, je kent je familie en vrienden door en door. Je vertrouwt ze. Maar de kans dat vrienden en familie denken dat jij het niet zo nauw neemt met de betalingstermijn, is ook groter. Durf jij dan op te treden? Dat is nogal een opgave.

8. Communiceer je verwachtingen

Wanneer je een opdracht of oplevering bespreekt met je klant, kun je al aangeven wat jouw vaste werkwijze is bij het versturen van facturen. Niet alleen kom je er zo achter of deze werkwijze anders is dan die van de klant, ook geef je een signaal dat je bepaalde verwachtingen hebt. De opdrachtgever is ‘gewaarschuwd’, of beter gezegd, op zijn minst voorbereid op de gang van zaken.

9. Begin pas na een bevestiging

Je loopt grote risico’s als je oplevert zonder formele bevestiging. Laat je klant in de mail of op papier akkoord gaan met de betalingsvoorwaarden. Mondelinge akkoorden zeggen helemaal niets.

10. Bel voordat de betalingstermijn verstrijkt

Een klant kan nu eenmaal veel andere dingen aan zijn hoofd hebben, net als jij. Neem daarom 10 dagen voor het verstrijken van de betalingstermijn contact met hem op. Een simpele reminder kan wonderen doen. Doe het niet te vroeg, want dat kan ongeduldig en opdringerig overkomen.

11. Vier de oplevering met je klant

Regel een lunch of diner om de oplevering van een project te vieren. Jij licht de totstandkoming nog even toe en voor de klant is het een duidelijk sein dat hij jou moet belonen. Bovendien laat je een vriendelijke en persoonlijke indruk bij hem achter.

12. Laat de klant deels vooraf betalen

Zorg ervoor dat een klant zich meer committed voelt door een voortijdige betaling te vragen. Vraag hem om 10 à 20 procent vooraf te betalen. Dat zijn percentages waar hij wel akkoord mee zou moeten kunnen gaan.

13. Communiceer over vertragingen

Informeer je klant tijdig over eventuele vertraging in de oplevering van je product. Heldere communicatie beperkt het gevaar dat de klant niet tevreden is over jouw prestaties. En dus is hij eerder geneigd netjes te betalen.

14. Doe een klein klanttevredenheidsonderzoek

Op het moment dat je een project gerealiseerd hebt, kun je de klant evaluatievragen mailen. Was alles wel naar wens? Wat kan er beter? Dit zorgt voor sympathie en bied je ruimte om nog eens extra te attenderen op de betaling. Daarbij kun je punten 2 en 5 weer naar voren brengen.

15. Blijf coöperatief

Als echt al het bovengenoemde niet helpt, bijvoorbeeld omdat de klant tegen een faillissement aan zit, kun je een verlaagde prijs voorleggen. Vaak is het duurder om een juridische procedure te starten, en bij een naderend faillissement loop je zelfs het risico dat je niets uitbetaald krijgt.

(Bron: Sprout)

Certificering van aandelen

Onder bepaalde omstandigheden kan het wenselijk zijn een scheiding aan te brengen tussen de bestuursbevoegdheid over een bv en de gerechtigdheid tot de voordelen uit die bv. Dit onderscheid is te realiseren door de aandelen te certificeren. Maar certificering is in beginsel een belaste vervreemding en kan bovendien leiden tot het einde van een fiscale eenheid.

Certificering

Certificering van aandelen is het splitsen van de zeggenschap en de financiële rechten van aandelen in een bv. Bij certificering dragen de aandeelhouders van een bv hun aandelen over aan een ander lichaam. Vaak gaat het om een zogeheten stichting administratiekantoor (STAK). In ruil voor hun aandelen krijgen de aandeelhouders certificaten van de STAK. De STAK verkrijgt met de aandelen ook de zeggenschap in de aandeelhoudersvergadering. Hierdoor komt het bestuur over de onderneming te liggen bij de STAK. De voormalige aandeelhouders hebben na de overdracht dus geen zeggenschap meer in de bv, maar wel recht op dividenduitkeringen van de STAK. Overigens ligt de beslissing over het uitkeren van dividend bij het bestuur van de STAK. Dat neemt echter niet weg dat de certificaathouders de economische eigendom van de bv behouden.

 

Estate Planning

Er kunnen verschillende redenen zijn om de aandelen in een bv te laten certificeren. Een belangrijke reden kan liggen in de estate planning. Zo kan de dga van een bv vinden dat één of meer van zijn erfgenamen niet geschikt is of zijn om de onderneming in de bv voort te zetten. Wil hij deze erfgenaam of erfgenamen niet te kort doen, dan is het certificeren van aandelen een interessante mogelijkheid. De dga kan dan via zijn testament de certificaten nalaten aan deze erfgenamen. Deze ontvangen dan wel de dividenden zonder dat zij het beleid van de bv kunnen beïnvloeden.

 

Bestuur STAK

De directeur-grootaandeelhouder stelt zelf het stichtingsbestuur samen. Vaak bestaat het bestuur uit de directeur-grootaandeelhouder zelf en één of meer vertrouwenspersonen of een beoogde opvolger. Hierdoor behoudt de dga ook na de certificering de zeggenschap in de onderneming van de bv. Gesteld dat de dga behalve zichzelf ook andere bestuursleden aanwijst, zal bij zijn overlijden al een stichtingsbestuur actief zijn. Dit voorkomt dat de onderneming stuurloos wordt als de dga komt te overlijden. Het bestuur kan direct na het overlijden van de dga een andere directeur van de bv benoemen. Certificering kan dus ook plaatsvinden om de continuïteit van de onderneming veilig te stellen.

 

Flex-bv

Sinds de invoering van de flex-bv is het ook mogelijk om aandelen zonder stemrecht of aandelen zonder winstrecht uit te geven. Het belang van certificering is daarmee afgenomen. Maar stemrechtloze aandeelhouders kunnen nog altijd het woord voeren in de algemene vergadering van aandeelhouders. Als dit ongewenst is, zal certificering een betere optie zijn dan het uitgeven van stemrechtloze aandelen. Certificering is ook beter als een dga iemand wil aanwijzen die de zeggenschap over de onderneming verkrijgt, maar niet deelneemt in het kapitaal van de bv. De statuten van een STAK kunnen namelijk de directeur als bestuurder in staat stellen een opvolgende bestuurder aan te wijzen voor het geval dat hij zijn functie neerlegt. Dit is niet mogelijk bij stemrechtloze aandelen.

 

Fiscale gevolgen ab-houder

Voor zover de aandeelhouder van de bv een natuurlijk persoon is met een aanmerkelijk belang in de bv, leidt certificering tot een fiscale vervreemding van dit belang. Hierdoor moet men in beginsel het belaste resultaat berekenen. Het belastbare voordeel is te berekenen door de waarde van het ontvangen certificaat te verminderen met de verkrijgingsprijs van het ingeleverde aandeel. Dit resultaat is belast met 25% inkomstenbelasting. In zijn Besluit van 4 september 2012, nr. BLKB2012/101M (zie ook ‘Samenwerker mag ab-claim op verkregen aandelen doorschuiven’) keurt de staatssecretaris van Financiën goed dat deze heffing achterwege blijft als de uit te reiken certificaten zijn te vereenzelvigen met de aandelen. Dit is het geval als:

  • voor ieder ingeleverd aandeel telkens één of meer certificaten worden uitgereikt tot een gelijk totaal nominaal bedrag als het ingeleverde aandeel;
  • de STAK de overgenomen aandelen niet mag verpanden. De STAK mag de aandelen evenmin vervreemden zonder onmiddellijke uitkering van de opbrengst aan de certificaathouders tegen inlevering van de certificaten;
  • de STAK de dividenden en andere uitkeringen op de aandelen onmiddellijk betaalt aan de certificaathouders;
  • de STAK bij uitreiking van bonusaandelen of stockdividenden op de overgenomen aandelen dienovereenkomstig certificaten verstrekt.
  • de STAK de certificaathouders in de gelegenheid stelt een voorkeursrecht op certificaten uit te oefenen als bij de uitgifte van nieuwe aandelen voorkeursrechten aan de aandeelhouders worden toegekend. De STAK maakt in dezelfde omvang gebruik van de voorkeursrechten van aandeelhouders als de certificaathouders gebruik maken van de in dit verband toegekende rechten.
  • de STAK eventuele ontvangen liquidatie-uitkeringen op de aandelen onmiddellijk afdraagt aan de certificaathouders tegen inlevering van de certificaten;
  • de vervreemdingsbevoegdheid ten aanzien van de certificaten minstens gelijk is aan deze bevoegdheid ten aanzien van de aandelen; en
  • de certificaten alleen tegen afgifte van de aandelen zijn in te trekken of in te leveren.

Overigens mogen de statuten, administratievoorwaarden of andere overeenkomsten geen bepalingen bevatten, die een vereenzelviging van de certificaten met de aandelen zouden verhinderen.

 

Aandeelhouder in box 3

Voor zover de aandeelhouders natuurlijke personen zijn met een belang van minder dan 5% in de bv, heeft de certificering geen bijzondere fiscale gevolgen: de ene belegging in box 3 wordt immers vervangen door een andere belegging in box 3.

 

Fiscale gevolgen holding

Certificering is ook mogelijk als de aandeelhouder geen natuurlijk persoon is, maar een rechtspersoon. Heeft deze rechtspersoon een belang van minstens 5% (deelneming) in de andere bv, dan zal het resultaat van de certificering in beginsel vallen onder de deelnemingsvrijstelling. Als de rechtspersoon een belang van minder dan 5% aanhoudt, behoort een eventueel resultaat van certificering tot de belaste resultaten uit effecten.

 

Gevolgen voor de bv zelf

In beginsel maakt het voor de bv zelf niets uit of de aandelen gecertificeerd zijn of niet. Dit is anders als de bv behoort tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In dat geval leidt de certificering van de aandelen namelijk tot een ontvoeging met alle gevolgen van dien.

(Bron: Taxence)

Versoepeling aflossingseis hypotheek eigen woning

De staatssecretaris van Financiën keurt goed dat in bepaalde gevallen de aflossingseis wordt versoepeld als een eigenwoningschuld wordt overgesloten naar een nieuwe schuld.

Als een eigenwoningschuld na 1 januari 2013 ontstaat en niet valt onder het overgangsrecht, moet de eigenwoningbezitter deze schuld minstens annuïtair en in hoogstens 360 maanden volledig aflossen. Bij onder meer het oversluiten van een hypotheek kijkt de Belastingdienst naar de stand van de voorganger van de nieuwe schuld inclusief tussentijdse aflossingen. Dit kan betekenen dat de eigenwoningbezitter minder tijd krijgt om de nieuwe schuld af te lossen. Hierdoor kan hij ook gedurende een kortere periode de hypotheekrente aftrekken. Deze bepaling ziet ook op de verstreken looptijd van schulden die vanaf 1 januari 2001 tot 1 januari 2013 behoorden tot de eigenwoningschuld. Hetzelfde geldt voor de looptijd vanaf 1 januari 2013 van schulden die behoorden tot de bestaande eigenwoningschuld onder het overgangsrecht. Door dit alles gaat in de volgende situaties een aflossingseis gelden na een periode van renteaftrek:

  • de belastingplichtige heeft een oude eigenwoningschuld (dat is een schuld die dateert van vóór 2013) gehad, maar valt niet onder het overgangsrecht. Vervolgens krijgt hij weer een eigenwoningschuld onder het huidige recht;
  • de belastingplichtige heeft een bestaande eigenwoningschuld gehad die onder het overgangsrecht viel, maar verliest de toepassing van het overgangsrecht op enig moment. Vervolgens krijgt hij weer een eigenwoningschuld onder het huidige recht;
  • de belastingplichtige heeft zowel een oude eigenwoningschuld als een bestaande eigenwoningschuld gehad die onder het overgangsrecht viel. Op enig moment verliest hij echter de mogelijkheid om het overgangsrecht toe te passen. Vervolgens krijgt hij weer een eigenwoningschuld onder het huidige recht.

Een voorbeeld is de situatie waarin iemand zijn vorige eigen woning heeft verkocht vóór 1 januari 2013 en zijn hypotheek heeft afgelost, terwijl hij nog geen nieuwe eigen woning en dus evenmin een nieuwe hypotheek heeft.

 

Goedkeuring

In de drie genoemde situaties vindt de staatssecretaris van Financiën de inkorting van de aflossingsperiode onwenselijk. Vooruitlopend op een wetswijziging keurt hij daarom goed dat de aflossingstermijn niet wordt ingekort voor de desbetreffende schulden die:

  • behoorden tot een bestaande eigenwoningschuld op grond van het overgangsrecht; of
  • in de jaren 2001 tot en met 2012 behoorden tot de eigenwoningschuld.

Bij de bepaling van de maximale periode van renteaftrek moet men overigens wel rekening houden met de eerder genoten periode van renteaftrek.

 

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • de maximale periode van renteaftrek van 360 maanden waarin sprake is van een eigenwoningschuld wordt verkort met de verstreken looptijd van de voorgaande schulden die behoorden tot de oude of bestaande eigenwoningschuld;
  • de verstreken looptijd van de tot de oude of bestaande eigenwoningschuld wordt berekend volgens de systematiek die gold op het moment van de hypotheekrenteaftrek en wordt per schuld naar beneden afgerond op het aantal verstreken hele kalendermaanden.
  • als de eigenwoningschuld bestaat uit schulden met verschillende looptijden, geldt dat de schuld met de kortste resterende maximale looptijd als eerste het eind van de termijn van 360 maanden bereikt.

Na het verstrijken van de maximale periode van renteaftrek maken de schulden deel uit van de rendementsgrondslag in box 3.

(Bron: Taxence)

Combinatie van arbeidsovereenkomst en beëindigingsovereenkomst

Volgens het Burgerlijk Wetboek geldt een maximum van drie achtereenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Ook mogen opeenvolgende arbeidscontracten voor bepaalde tijd niet langer dan drie jaar duren. Een vierde contract of een totaal van meer dan drie jaar leidt tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Van deze bepaling kan bij CAO worden afgeweken.

Na drie achtereenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd sloten een werkgever en een werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Gelijk met de arbeidsovereenkomst sloten zij een beëindigingsovereenkomst. Daardoor was eigenlijk sprake van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, omdat vanaf het aangaan van deze overeenkomst duidelijk was wat de einddatum was.
De werknemer beriep zich op de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst. In een procedure vorderde hij de nietigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en doorbetaling van zijn salaris. De kantonrechter oordeelde dat het partijen niet vrij staat om bij overeenkomst af te wijken van een dwingende wetsbepaling. De enige reden voor de vaststellingsovereenkomst was het omzeilen van de bepaling dat niet meer dan drie opeenvolgende tijdelijke contracten kunnen worden afgesloten. Volgens de kantonrechter was de vaststellingsovereenkomst nietig wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden.
De werkgever ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter. Volgens de werkgever waren de afspraken gemaakt om de werknemer, toen bleek dat hij geen gebruik kon maken van de vroegpensioenregeling, tegemoet te komen.

Hof Den Bosch deelt de visie van de werknemer, dat door de combinatie van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een vaststellingsovereenkomst eigenlijk sprake was van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, niet. Het feit dat partijen tegelijkertijd met het sluiten van de arbeidsovereenkomst een andere overeenkomst hebben gesloten, waarbij is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou worden beëindigd op een later moment, maakt van deze arbeidsovereenkomst niet een overeenkomst voor bepaalde tijd.
Het oordeel van de kantonrechter dat een overeenkomst die is gericht op het buiten werking stellen van een dwingende wetsbepaling altijd nietig is wegens strijd met de openbare orde of goede zeden, is volgens Hof Den Bosch niet juist. Het oordeel van de kantonrechter zou inhouden dat geen beroep behoeft te worden gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst. Volgens het hof kan hooguit sprake zijn van vernietigbaarheid van de overeenkomst. Omdat de werknemer in de procedure niet om vernietiging van de vaststellingsovereenkomst heeft gevraagd, bleef deze in stand. Het gevolg daarvan was dat de arbeidsovereenkomst op de overeengekomen datum was geëindigd.

 

Wetsvoorstel voor nieuw heffingssysteem IB en SW ingediend

De staatssecretaris heeft het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst, dat eerder ter consultatie was voorgelegd, bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel betreft: (1) het invoeren van een nieuw heffingssysteem voor de IB en de schenk- en erfbelasting in de SW en (2) het bieden van een grondslag voor elektronisch berichtenverkeer van en met de Belastingdienst. Het wetsvoorstel voorziet in een kortere termijn voor het opleggen van aanslagen (uiterlijk 15 maanden na de aangifte) en de mogelijkheid voor belastingplichtigen om de aanslag te laten herzien (tot 18 maanden na de aangifte). Verder wordt voorgesteld de navorderingstermijn bij een nieuw feit te beperken tot 3 jaar na de aangifte, maar deze termijn uit te breiden tot 12 jaar bij kwade trouw van een belastingplichtige. Heeft de inspecteur in het laatste geval echter voldoende aanwijzingen dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven, dan moet hij de navorderingsaanslag uiterlijk binnen twee jaar daarna vaststellen. De navorderingstermijn bij een kenbare fout wordt drie jaar na de aangifte. Tot slot wordt een nieuwe navorderingsmogelijkheid voorgesteld: als de onjuiste aanslag een gevolg is van een verstoring of fout in de systemen van gegevensverwerking van de Belastingdienst, heeft de inspecteur zes maanden de tijd om de aanslag te corrigeren. Het kabinet streeft ernaar om de wijzigingen in werking te laten treden voor (voorlopige) aanslagen met betrekking tot tijdvakken die zijn aangevangen respectievelijk tijdstippen die zijn gelegen op of na 1 januari 2016. Voor navorderingsaanslagen treedt het nieuwe heffingssysteem echter direct in werking. Het onderdeel over het elektronisch berichtenverkeer van en met de Belastingdienst heeft betrekking op het formele berichtenverkeer, dat bestaat uit berichten die in de wetgeving zijn benoemd, zoals aangiften, beschikkingen en verzoeken van de Belastingdienst om informatie over te leggen. Het kabinet kiest voor een ingroeimodel, waarin bij ministeriële regeling een lijst met uitzonderingen wordt geformuleerd, die elk jaar kleiner moet worden. De Belastingdienst gaat voor het berichtenverkeer de Berichtenbox gebruiken, een persoonlijke, beveiligde elektronische postbus voor iedere burger bij de overheid, als onderdeel van MijnOverheid.nl.

(Bron: FUTD)

Overige fiscale maatregelen 2014

In het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2014 is het volgende voorgesteld:

  • Het kabinet introduceert de onderhandse akte van schenking als alternatief voor de notariële akte.
  • Het APV-regime wordt aangescherpt. Het niet langer toerekenen van tot een APV behorende a.b.-aandelen of -winstbewijzen aan de belastingplichtige leidt tot een belaste (fictieve) vervreemding, ongeacht of de belastingplichtige (voormalige) a.b.-houder daarnaast nog een a.b. blijft behouden in de desbetreffende vennootschap of niet. Ook mag pas een vervreemdingsverlies in aanmerking worden genomen als het APV de desbetreffende aandelen of winstbewijzen heeft vervreemd aan een derde of bij overlijden van de voormalige a.b.-houder, echter uiterlijk na tien jaar na de vervreemding. In de Wet Vpb wordt een maatregel opgenomen om de doorwerking van de toerekeningsstop van artikel 2.14a, lid 7, Wet IB 2001 uit te sluiten voor de renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage. Deze wijziging werkt door naar andere wetsartikelen in de Wet Vpb waarbij verbondenheid een rol speelt.
  • Vanwege wijzigingen in de Wft met ingang van 22 juli 2013 zouden de mogelijkheden om gebruik te maken van het regime van de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) in de Vpb door DGA’s onbedoeld kunnen worden beperkt. Er is een bepaling opgenomen waarmee deze beperking wordt voorkomen.
  • Voorgesteld wordt om fiscale beleggingsinstellingen (FBI’s) toe te staan dat zij bijkomstige werkzaamheden onderbrengen in een belaste dochtervennootschap, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met het beleggen in vastgoed door de FBI.
  • Serviceflats mogen voor de erfbelasting worden gewaardeerd op de WEV op het moment van overlijden, als deze in belangrijke mate afwijkt van de WOZ-waarde.
  • Belangen tot een derde gedeelte in beleggingsfondsen of fondsen voor collectieve belegging in effecten (als bedoeld in de Wft) worden buiten het bereik van de overdrachtsbelasting gebracht, zonder onderscheid tussen open en besloten fondsen.
  • Partijen bij een notariële akte krijgen inzage in de gegevens die over hun akte zijn geregistreerd.
  • Voor de mogelijkheid tot teruggaaf van accijns voor minerale oliën die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, is het voortaan voldoende dat de desbetreffende installatie een elektrisch vermogen heeft van minimaal 60 kW in plaats van de nu geldende eis van minimaal 1 mW.
  • Er komt een vrijstelling van de frisdrankbelasting tot 12.000 liter vruchten- of groentesap.
  • De leidingwaterbelasting wordt niet langer geheven voor afzonderlijke watervoorzieningen, tenzij de betrokken leverancier in totaal via minimaal 1.000 aansluitingen leidingwater levert.
  • Er worden enkele technische verbeteringen aangebracht met betrekking tot het tijdstip van verschuldigdheid van energiebelasting bij het ontbreken van een factuur en bij leveringen op een directe lijn.
  • De kennisgeving-vooraf bij spontane gegevensuitwisseling wordt afgeschaft. Ook blijft bij automatische inlichtingenuitwisseling de verplichte publicatie in de Staatscourant van de aanwijzing van de gevallen waarin deze zal plaatsvinden en van de voorwaarden waaronder, voortaan achterwege.
  • Er komt een uitbreiding van de weigerings- of intrekkingsgronden van de ANBI-status naar misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht.
  • Het partnerbegrip wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012 zodanig aangepast dat voor de IB en de Awir alleen meerderjarigen partner kunnen worden. Verder wordt geregeld dat partners met uitgesloten familierelaties aanspraak op kinderopvangtoeslag hebben.
  • De verlenging van de termijn voor het aanvragen van een toeslag wegens een nog lopende aangiftetermijn van een medebewoner, wordt alleen gehanteerd wanneer de draagkracht van de medebewoner in aanmerking wordt genomen voor de hoogte van de toeslag van de aanvrager.
  • De horizonbepaling op de multiplier voor giften aan culturele instellingen in de Wet IB 2001 en de Wet Vpb wordt met een jaar verlengd.

(Bron: FUTD)

In het Belastingplan 2014 is het volgende voorgesteld:

  • Het tarief in de eerste schijf in de LB en IB wordt in een aantal stappen aangepast. Met ingang van 1 januari 2014 verandert het tarief van de eerste schijf per saldo niet. Met ingang van 1 januari 2015 wordt het tarief van de eerste schijf verlaagd met 0,29%-punt en met ingang van 1 januari 2016 verhoogd met 0,06%-punt.
  • Het maximum van de algemene heffingskorting wordt op 1 januari 2014 verhoogd naar € 2.100.
  • De algemene heffingskorting wordt tegelijkertijd voor inkomens vanaf het begin van de tweede tariefschijf in de LB en IB afgebouwd. In 2014 loopt deze afbouw tot een inkomen aan het einde van de derde tariefschijf. De algemene heffingskorting voor inkomens vanaf het begin van de vierde tariefschijf bedraagt hierdoor in 2014 € 1.363.
  • Het maximum van de arbeidskorting wordt met ingang van 1 januari 2014 verhoogd tot € 2.097.
  • De arbeidskorting voor hogere inkomens wordt in drie jaar afgebouwd, uiteindelijk tot nihil.
  • De afdrachtvermindering onderwijs wordt afgeschaft en vervangen door een subsidieregeling.
  • In de energiebelasting op elektriciteit wordt in de eerste schijf een verlaagd tarief ingevoerd voor kleinschalige, duurzame opwekking van (zonne-)energie waarvoor geen rijkssubsidie wordt ontvangen.
  • De accijns van diesel wordt verhoogd met 3 cent per liter.
  • De accijns van LPG wordt verhoogd met 7 cent per liter.
  • De accijns voor alcoholhoudende dranken wordt verhoogd met 5,75%.
  • Vanaf 1 januari 2014 geldt een vrijstelling van MRB voor alle motorrijtuigen van 40 jaar en ouder. Daarnaast wordt een overgangsregeling ingevoerd voor personen- en bestelauto’s die rijden op benzine, motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die op 1 januari 2014 26 jaar of ouder zijn maar nog geen 40 jaar. Deze voertuigen komen in aanmerking voor een kwarttarief in de MRB over het gehele kalenderjaar met een maximum van € 120 onder de voorwaarde dat er in de maanden januari, februari en december geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg .
  • De eerste schijf van de S&O-afdrachtvermindering wordt verlengd naar € 250.000 en het tarief in de eerste schijf wordt verlaagd van 38% naar 35%.
  • Het drempelbedrag voor de MIA en Vamil wordt verhoogd naar € 2.500.
  • De eis dat alle op 1 januari 2014 bestaande, onder de stamrechtvrijstelling vallende, stamrechten in periodieke termijnen moeten worden uitgekeerd, vervalt. Bestaande stamrechten kunnen daardoor, zonder heffing van revisierente, ineens worden uitgekeerd. Als de aanspraak in 2014 ineens wordt uitgekeerd, wordt slechts 80% van de uitkering in de heffing betrokken. De stamrechtvrijstelling wordt voor nieuwe stamrechten afgeschaft.
  • De integratieheffing in de BTW wordt afgeschaft.
  • De eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen de 18 en 40 jaar voor schenkingen die verband houden met de eigen woning wordt tijdelijk en wel met ingang van 1 oktober 2013 verruimd tot € 100.000. Ook vervalt de beperking dat de schenking moet zijn gedaan van een ouder aan een kind tussen 18 en 40 jaar.
  • De keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen wordt – met ingang van 1 januari 2015 – vervangen door een nieuwe regeling.
  • In de MRB worden maatregelen opgenomen om MRB te heffen van ingezetenen met een auto met een buitenlands kenteken.
  • De regels voor het herleiden van het toetsingsinkomen na het overlijden van een toeslaggerechtigde worden aangevuld.

(Bron: FUTD)

Subsidie beschermd rijksmonument (Brim)

Bent u eigenaar van een rijksmonument? Dan kunt u in aanmerking komen voor een lening of subsidie voor instandhouding (onderhoud), herbestemming of restauratie van uw monument. De hoogte van de bijdrage hangt onder andere af van het type monument.

Instandhouding

De regeling voor instandhouding is in 2013 vernieuwd. De belangrijkste veranderingen zijn:

  • De subsidie is alleen nog voor onderhoud en niet meer voor restauratie.
  • U betaalt de helft van de onderhoudskosten zelf.
  • Er zijn regels over welke momumenten voorrang hebben.

Herbestemming

Voor herbestemming van monumenten als kerken, industriegebouwen, scholen, boerenschuren, kloosters en kastelen kunt u subsidie aanvragen met de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten.

Restauratie

Voor restauratie van niet-woonhuismonumenten, zoals fabrieken en kerken, kunt u een lening tegen lage rente aanvragen bij het Nationaal Restauratiefonds. Met de RestauratieWijzer krijgt u een overzicht van alle stappen voor een geslaagde restauratie.

Wanneer komt u in aanmerking?

De voorwaarden verschillen per monument en regeling.

Hoe kunt u aanvragen?

Voor instandhouding kunt u in 2013 niet meer aanvragen. Dat kan weer van 1 februari tot en met 31 maart 2014.

Voor herbestemming kunt u aanvragen van 1 oktober tot en met 30 november 2013. U vraagt aan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Links

Zorg voor een (gedocumenteerde) tegenprestatie

Als tegenover een factuur geen tegenprestatie staat, kan de vennootschap deze uitgave niet ten laste van de winst brengen. Het is aan de vennootschap om de tegenprestatie aannemelijk te maken. Dat hierbij een administratie goed van pas kan komen, werd pijnlijk duidelijk bij Hof Den Haag.

Een bv die zich bezighield met tunnelbouw ontving van een kostenmaatschap een factuur van € 80.000, vermeerderd met € 15.200 btw. De factuur vermeldde niet welke werkzaamheden waren verricht en wanneer. Verder was er geen offerte, opdracht of overeenkomst opgesteld en de prestatie bleek ook nergens anders uit, zoals urenstaten. De bv stelde dat sprake was van een mondelinge overeenkomst en omschreef de werkzaamheden, maar kon deze niet aannemelijk maken. Hof Den Haag kwam uiteindelijk tot de conclusie dat er geen sprake was van een tegenprestatie en dat de bv dit vanaf het begin wist. In dat geval kon de bv de uitgave van € 80.000 alleen in aftrek brengen als zij aannemelijk maakte dat de uitgave ten behoeve van de onderneming was gedaan. Dit lukt niet. Daarbij kwam dat uit de gegevens was af te leiden dat de bv zich ook hiervan bewust was geweest. De uitgaven kwamen dus niet in mindering op de winst. En aangezien tegenover de factuur geen tegenprestatie stond, kwam ook de daarop vermelde btw niet voor aftrek in aanmerking. Het hof handhaafde ten slotte ook nog eens de boete van 50% die de inspecteur had opgelegd.

(Bron: Taxence)