Vervang afspraak verbod privégebruik bestelbus

Als werknemers in uw onderneming in een bestelauto van de zaak rijden die ze niet privé mogen gebruiken, moet u daar schriftelijke afspraken over maken. De voorbeeldafspraak die de Belastingdienst hiervoor aanbiedt is kortgeleden vernieuwd. Het is daarom slim om uw afspraken ook te vernieuwen!

U hoeft geen bijtelling voor privégebruik van de bestelauto bij het loon van de werknemer te tellen als u hem verbiedt om de bestelbus privé te gebruiken. U moet dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • U legt het verbod schriftelijk vast en bewaart het in uw administratie.
  • U ziet toe op de naleving van het verbod en kunt dat ook aannemelijk maken. Het is dus verstandig om uw waarnemingen – bijvoorbeeld de vergelijking van kilometerstanden en gebruikte brandstof – vast te leggen en te bewaren in de administratie.
  • U legt een sanctie op als de werknemer het verbod overtreedt. Een sanctie kan bijvoorbeeld bestaan uit een boete die gelijk is aan de loonheffingen over het privégebruik, het verhalen van de nageheven belasting of zelfs ontslag.

Nieuwe afspraak voldoet aan alle eisen

De Belastingdienst heeft kortgeleden in overleg met werkgeversorganisaties VNO-NCW en EVO een nieuwe voorbeeldafspraak (pdf) gemaakt voor het verbod op privégebruik van de bestelauto van de zaak. De fiscus adviseert om de oude afspraak te vervangen door de nieuwe afspraak. Dan weet u namelijk zeker dat de afspraak aan alle eisen voldoet.

Belastingdienst kan uw eigen afspraak goedkeuren

Wilt u weten of uw eigen afspraak ook voldoet, dan kunt u deze voor goedkeuring voorleggen aan de Belastingdienst Doetinchem/Landelijk Coördinatiecentrum Auto, Antwoordnummer 367, 7600 VB Almelo. Ook als u wijzigingen aanbrengt in de voorbeeldafspraak kan het slim zijn om de gewijzigde afspraak door de fiscus te laten accorderen.

(Bron: Salarisrendement)

Terugvragen buitenlandse btw

Nederlandse btw-ondernemers die in andere EU-landen activiteiten verrichten, krijgen vaak buitenlandse btw in rekening gebracht door ondernemers uit die andere landen. De Nederlandse ondernemer kan de buitenlandse btw dan in veel gevallen terugvragen. Hier een overzicht van de voorwaarden.

Als een Nederlandse ondernemer in een ander EU-land btw-aangifte doet, moet hij de btw via de reguliere aangifte in het betreffende land terugvragen. Als hij geen aangifte doet in het andere EU-land, moet hij een apart teruggaafverzoek indienen bij de Nederlandse Belastingdienst.

Voorwaarden teruggaaf buitenlandse btw
Voor het terugvragen van de btw uit een ander EU-land moet de ondernemer aan alle volgende voorwaarden voldoen:
– hij drijft een btw-onderneming die is gevestigd in Nederland (de ondernemer is niet gevestigd in het andere EU-land of heeft daar geen vaste inrichting);
– hij doet geen btw-aagifte in het EU-land waar hij de btw wil terugvragen (de ondernemer heeft geen leveringen en diensten verricht in het tijdvak van teruggaaf);
– hij gebruikt de goederen en diensten voor btw-belaste activiteiten;
– de btw is door middel van een juiste factuur aan hem in rekening gebracht;
– het btw-bedrag dat hij terugvraagt bedraagt meer dan 50 euro als hij de btw over een jaar terugvraagt, of 400 euro als hij de btw over een periode van ten minste drie maanden terugvraagt.

Tip
Voor veel diensten tussen ondernemers (zogenoemde B2B-diensten) in internationaal verband geldt een verplichte btw-verleggingsregeling. Hierdoor wordt in steeds minder gevallen buitenlandse btw in rekening gebracht. Wie toch buitenlandse btw in rekening krijgt gebracht, doet er daarom goed aan eerst te controleren of dit juist is. Is ten onrechte btw in rekening gebracht, dan kan hij de leverancier om een nieuwe factuur vragen.

Elektronisch teruggaafverzoek
Teruggaafverzoeken worden elektronisch ingediend. Een Nederlandse ondernemer dient het teruggaafverzoek voor de btw uit andere EU-landen bij de Nederlandse Belastingdienst in. Dat kan via een portal van de Belastingdienst worden gedaan. Hiervoor zijn inloggegevens nodig, die de ondernemer kan aanvragen met een formulier dat te downloaden is op www.belastingdienst.nl/eubtw. Na ondertekening en verzending van het formulier ontvangt de aanvrager zijn inloggegevens binnen vier weken. Hij kan hiermee via de speciale website van de Belastingdienst (https://eubtw.belastingdienst.nl) het teruggaafverzoek indienen, waarop hij direct een ontvangstbevestiging van het verzoek krijgt. De Belastingdienst stuurt het verzoek vervolgens langs elektronische weg door naar de belastingdienst van het EU-land waarop het verzoek betrekking heeft. Ook van deze belastingdienst ontvangt de ondernemer een ontvangstbevestiging.

Verstrekken (aanvullende) informatie
Het teruggaafverzoek moet onder meer de volgende informatie bevatten:
– naam en adres van de aanvrager;
– een elektronisch adres;
– een omschrijving van de bedrijfsactiviteit van de aanvrager;
– het teruggaaftijdvak waarop het verzoek betrekking heeft;
– een verklaring van de aanvrager dat hij gedurende het teruggaaftijdvak:
– geen goederenleveringen of diensten heeft verricht, waarvan de plaats geacht wordt in het EU-land van teruggaaf te zijn gelegen; of
o  uitsluitend leveringen of diensten heeft verricht, waarvoor de afnemer de btw verschuldigd is; of
o uitsluitend vrijgestelde vervoersdiensten en daarmee samenhangende diensten heeft verricht;
o het btw-identificatienummer van de aanvrager;
o de bankgegevens inclusief IBAN- en BIC-codes.

Informatie factuur of invoerdocument
Voor elke factuur of elk invoerdocument moet de ondernemer de volgende informatie verstrekken:
– naam en adres van de leverancier of dienstverrichter, inclusief zijn btw-identificatienummer of fiscaal registratienummer;
– een landencodenummer van de lidstaat van teruggaaf, behalve in het geval van invoer;
– de datum en het nummer van de factuur of het invoerdocument;
– de maatstaf van heffing en het (aftrekbare) btw-bedrag, uitgedrukt in de munteenheid van de lidstaat van teruggaaf. Indien van toepassing ook het aftrekpercentage;
– het berekende bedrag van de aftrekbare btw;
– indien van toepassing, het berekende pro rata;
– de aard van de afgenomen goederen of diensten, aangegeven door middel van codes.

Vermelden van codes
Een belangrijk aspect betreft de het laatste punt: een codering van de afgenomen goederen of diensten. De ondernemer moet namelijk in het teruggaafverzoek de volgende codes hanteren:
1.         brandstof;
2.         verhuur van vervoermiddelen;
3.         uitgaven in verband met vervoermiddelen, andere dan die voor de goederen en diensten waarnaar wordt verwezen met de codes 1 en 2;
4.         wegentol en andere heffingen met betrekking tot het gebruik van de weginfrastructuur;
5.         reiskosten waaronder kosten van het openbare vervoer en taxi;
6.         logies;
7.         spijzen, dranken en restaurantkosten;
8.         toegang tot beurzen en tentoonstellingen;
9.         weelde-uitgaven alsmede uitgaven voor ontspanning en recreatie;
10.       andere.

Soms ook subcodes
Voor sommige landen moeten ook subcodes worden ingevuld. Als de ondernemer goederencode 10 invult, en in de subcodelijst geen betreffende code staat, moet hij de goederen in eigen woorden omschrijven. In principe moeten de goederen in de officiële taal van de betreffende lidstaat omschreven worden. In bijna alle lidstaten mag de omschrijving in het Engels aangeleverd worden, behalve in Roemenië, Slowakije en Tsjechië.

Elektronische kopie van de factuur
In sommige landen hoeven de originele facturen met het verzoek niet meegezonden te worden. Toch verlangt een groot aantal EU-landen dat de aanvrager een elektronische kopie meestuurt. Dit geldt voor de volgende EU-landen: België, Cyprus, Duitsland, Estland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Litouwen, Letland, Malta, Polen, Roemenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië (bij Tsjechië moeten altijd kopieën worden meegezonden) en het Verenigd Koninkrijk.
De facturen worden dan ingescand. Alleen de bestandformaten van het formaat jpg, tiff en pdf worden geaccepteerd. Deze mogen wel samengevoegd zijn in een zip-bestand. De totale bestandsgrootte mag maximaal 5 MB groot zijn. Indien de bestandsgrootte meer dan 5 MB is, moet de ondernemer alleen de facturen en/of invoerdocumenten met de hoogste bedragen toevoegen.

Termijnen
Een verzoek om teruggaaf kan worden ingediend tot 30 september van het jaar volgend op het jaar waarop de teruggaaf ziet. Een verzoek geldt alleen als ingediend als het alle vermelde gegevens bevat. De periode waarop het verzoek betrekking heeft moet minimaal drie maanden zijn en mag maximaal één jaar bedragen.
Een te laat ingediend verzoek wordt door de Nederlandse inspecteur wel doorgestuurd naar het EU-land van teruggaaf. Dat land beslist zelf of het een te laat verzoek in behandeling wil nemen.

Naar land van teruggaaf
De Nederlandse inspecteur zendt de verzoeken binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst door naar het betrokken land van teruggaaf, mits de verzoeken compleet zijn. Deze verzoeken worden daarna verder behandeld door het EU-land van teruggaaf. Het betreffende EU-land stuurt de aanvrager een ontvangstbevestiging van het teruggaafverzoek. Daarin vermeldt het land de datum waarop het verzoek is ontvangen. Het EU-land moet binnen vier maanden op het teruggaafverzoek beslissen. Wanneer om aanvullende informatie wordt verzocht (bijvoorbeeld originele facturen), kan deze termijn met vier maanden worden verlengd tot ten hoogste acht maanden. Als het EU-land de teruggaaf heeft goedgekeurd, moet deze het te restitueren bedrag binnen tien werkdagen uitbetalen. Als het EU-land de termijnen overschrijdt, heeft de ondernemer recht op vergoeding van rente. De ondernemer moet dan wel aan de voor hem geldende termijnen hebben voldaan. De hoogte van de rentevergoeding wordt door het EU-land van teruggaaf zelf bepaald. Voorwaarde hierbij is dat het EU-land de rente gelijkstelt aan de rente die een voor binnenlandse ondernemer in dat land geldt.

(Bron: F&A Actueel)

Aangiftebrief omzetbelasting verdwijnt

De aangiftebrief omzetbelasting verdwijnt per 1 januari 2014. De bijbehorende acceptgiro verdwijnt al in december dit jaar.

Ondernemers moeten vanaf dat moment zelf bijhouden wanneer ze hun aangifte moeten doen en betalen. Deze informatie vinden ze op het beveiligde gedeelte van de internetsite van de belastingdienst. Hier staat ook het betalingskenmerk waarmee ze de betaling kunnen uitvoeren.

E-mail

Om de overgang makkelijker te maken krijgen ondernemers begin januari 2014 een overzicht toegestuurd met de aangiftetijdvakken, uiterste inlever- betaaldatums en betalingskenmerken. Ook kunnen ze zich aanmelden om per e-mail een herinnering te krijgen van de aangifte.

(Bron: De Telegraaf)

Fiscaal voordeel via MIA en Vamil bij aanschaf elektrische auto

Ondernemers kunnen besparen door bij de aanschaf van een elektrische auto gebruik te maken van de fiscale regelingen Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Vamil (Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen).

Hiermee kunnen ondernemers een netto belastingvoordeel ontvangen over het aanschafbedrag van de e-auto. Dit kan oplopen tot enkele duizenden euro’s. Voor 2013 is er in totaal 125 miljoen euro beschikbaar, zo laat Agentschap NL weten.

Instructiefilms aanvraag indienen

Veel ondernemers schaffen een e-auto aan omdat dit milieu- en andere voordelen oplevert. Of zijn van plan dit te gaan doen. Drie online filmpjes van AgentschapNL geven aan hoe gebruik te maken van de regelingen MIAVamil:

MIA en Vamil

MIA en Vamil zijn fiscale stimuleringsregelingen van de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Financiën. Ondernemers die investeren in duurzame technieken en productiemethodes krijgen op hun investeringen een fiscaal voordeel. Via de MIA kunnen ondernemers tot 36 procent van de investeringskosten voor een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel extra aftrekken van de fiscale winst. Met de Vamil kunnen bedrijven zelf bepalen wanneer ze de investeringskosten van een bedrijfsmiddel afschrijven.

[ Bron: Agentschap NL ]

Uitkeringstest artikel 2:216 BW

Met de invoering van de Wet Flex BV is de uitkeringstest in artikel 2:216 BW wettelijk vastgelegd. De regeling ziet op de geoorloofdheid van uitkeringen door de vennootschap aan de aandeelhouders.
Op het moment dat vermogen uit de vennootschap richting de aandeelhouders vloeit, kan worden gesproken over een uitkering. In beginsel heeft de algemene vergadering de bevoegdheid te besluiten tot bestemming van de winst en tot vaststelling van de uitkeringen. Zo’n aandeelhoudersbesluit heeft echter pas werking c.q. gevolgen, indien het bestuur op basis van de uitkeringstest positief oordeelt om over te gaan tot de uitkering. Kortom, het bestuur heeft het laatste woord en moet instemmen met de uitkering.
De uitkeringstest houdt in dat het bestuur moet toetsen of zij er redelijkerwijs van mogen uitgaan dat de vennootschap, ook na het doen van de betreffende uitkering, kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. De algehele financiële situatie van de vennootschap op het moment van de uitkering geeft de doorslag. Van belang zijn hierbij niet alleen de op het moment van de uitkering opeisbare schulden, maar ook de lopende verplichtingen waarvan op het moment van de uitkering was te voorzien dat zij de komende tijd opeisbaar zullen worden.
Hiervoor zal het bestuur de balanstest (alleen bij vennootschappen met een gebonden reserve) en de liquiditeitentest moeten uitvoeren. Afhankelijk van de specifieke kenmerken van de B.V. zal het bestuur in de test elementen als liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit moeten betrekken. De wetgever gaat er vanuit dat het bestuur een periode van 12 maanden kan overzien. Dit kan anders zijn indien bijvoorbeeld rekening gehouden moet worden over anderhalf jaar met de terugbetaling van een grote belastingschuld of lening.
Als bestuurder moet je deze taak, de uitkeringstest, serieus nemen. Er kan namelijk sprake zijn van aansprakelijkheid indien de vennootschap na een uitkering in staat van insolventie komt en als het bestuur ten tijde van de uitkering wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat deze situatie zich zou voordoen. Overigens ligt de bewijslast in beginsel bij diegene die namens de vennootschap de bestuurder aanspreekt. Meestal zal dit de curator zijn, die moet aantonen dat de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap door de uitkering in staat van insolventie zou geraken.
(Bron: Dijkstra Voermans)

Kinderen in loondienst: Junior draagt zijn steentje bij

Ondernemers kunnen hun kinderen laten meewerken in hun onderneming. Zo kunnen de kinderen al vroeg kennis maken met het reilen en zeilen van het bedrijf. Maar het kan ook voordelig zijn om gewoon een (goedkope) arbeidskracht erbij te hebben. Wie zijn kind laat meewerken in de zaak moet wel op de fiscale gevolgen letten.

Echte dienstbetrekking

Het is mogelijk dat een kind gewoon binnen een echte dienstbetrekking werkt in de onderneming van zijn ouder(s). Daarvoor is vereist dat een gezagsverhouding aanwezig is. Bovendien moeten voor het meewerkende kind dezelfde arbeidsvoorwaarden gelden als voor alle andere werknemers. Is sprake van een echte dienstbetrekking, dan is het kind verzekerd voor de werknemersverzekeringen en moet het bedrijf de algemene regels toepassen voor de loonheffingen.

 

Fictieve dienstbetrekking

Als de familierelatie de arbeidsrelatie zo overheerst dat een zakelijke gezagsverhouding ontbreekt, is het kind niet in echte dienstbetrekking. Zie ook: ‘Zelfstandige’ dochter was niet in dienstbetrekking. De wet stelt dat een kind van 15 jaar of ouder, dat meewerkt in de onderneming van zijn ouder(s) in fictieve dienstbetrekking is. In dat geval is het kind niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De werkgever is echter wel inhoudingsplichtig voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Bovendien moet hij de werkgeversheffing Zvw betalen. Daarnaast moet hij voldoen aan alle administratieve verplichtingen die de (fictieve) dienstbetrekking met zich brengt. Bijvoorbeeld het bewaren van een kopie van het identiteitsbewijs van het meewerkende kind. Overigens is de fictieve dienstbetrekking niet aan de orde als:

  • de onderneming van de ouder(s) onderdeel is van een samenwerkingsverband met het kind; en
  • het kind als ondernemer winst uit onderneming geniet uit dat samenwerkingsverband.

 

Vereenvoudigde regeling

De werkgever mag voor meewerkende kinderen onder bepaalde voorwaarden een vereenvoudigde regeling toepassen voor de inhouding/afdracht van loonheffingen. Deze houdt in dat hij voor de meewerkende kinderen slechts één keer per jaar loonheffingen hoeft in te houden en af te dragen. De voorwaarden zijn:

  • het kind is minstens 15 jaar oud;
  • het kind is uitsluitend verzekerd voor de volksverzekeringen en de Zorgverzekeringswet. Praktisch gezegd moet het kind dus werkzaam zijn in fictieve dienstbetrekking.
  • het kind werkt in de onderneming van zijn ouder(s) én behoort tot het huishouden van deze ouder(s). Uitwonende kinderen vallen dus niet onder de vereenvoudigde regeling.
  • de werkgever moet de naam, het adres en het burgerservicenummer van het meewerkende kind opnemen in zijn loonadministratie vóór de eerste loonbetaling.
  • men mag de regeling pas toepassen nadat de Belastingdienst hiervoor toestemming heeft gegeven.

 

Werking vereenvoudigde regeling

Als de Belastingdienst toestemming geeft om de vereenvoudigde regeling toe te passen, houdt de werkgever de loonbelasting en de premie volksverzekeringen één keer per jaar in. Dit gebeurt op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar. Bij de inhouding moet de werkgever de loonheffingskorting toepassen. Op hetzelfde moment betaalt hij ook de werkgeversheffing Zvw. Daarnaast moet de werkgever binnen één maand na afloop van het kalenderjaar digitaal aangifte doen. De werkgever moet voor deze aangifte een apart loonheffingennummer gebruiken, dat hij kan aanvragen met het formulier ‘Melding loonheffingen werkgever van meewerkende kinderen’. Hij hoeft geen loonstaten in te vullen voor de meewerkende kinderen, maar moet wel de loonspecificatie bij de loonadministratie bewaren.

 

Kleding, kost en inwoning

Werkgevers die hun kinderen laten meewerken in de onderneming kunnen te maken krijgen met regels voor de waardering van het verstrekken van kleding en kost en inwoning. Onder de werkkostenregeling is de factuurwaarde inclusief btw van de verstrekte kleding in beginsel loon. Past de werkgever de overgangsregeling toe, dan gelden de volgende normbedragen: € 29,25 per maand, € 6,75 per week, € 1,35 per dag. Verstrekt de werkgever maaltijden aan kinderen, dan gelden dezelfde regels als voor maaltijden aan gewone werknemers. Onder de werkkostenregeling moet de werkgever een normbedrag van € 5,25 per dag toepassen als de meewerkende kinderen bij hem in huis wonen. Past de werkgever het overgangsrecht toe, dan stelt hij de waarde van de inwoning per meewerkend kind op 15% van de huur of de huurwaarde.

(Bron: Taxence)

Directe willekeurige afschrijving tot 50% weer van kracht

Ondernemers kunnen van 1 juli 2013 tot het einde van dit jaar direct tot de helft van nieuwe bedrijfsinvesteringen afschrijven en van de belasting aftrekken. Hierdoor kunnen ondernemers hun belastingafdracht de komende jaren verminderen.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek daalden de bedrijfsinvesteringen in het eerste kwartaal van 2013 met bijna 8%, het Centraal Planbureau verwacht voor heel 2013 een krimp van 10%. ‘Een dergelijk krimp is zorgwekkend’, aldus minister Kamp. ‘Deze maatregel zorgt er voor dat ondernemers meer ruimte krijgen om te investeren in de economie. Dat zorgt voor inkomens en banen die we in deze moeilijke economische tijd goed kunnen gebruiken’.

De regeling voor tijdelijke willekeurige afschrijving was tijdelijk on hold gezet, maar gaat per 1 juli 2013 in en loopt tot eind dit jaar. Zowel bedrijven die vennootschapsbelasting als bedrijven die inkomstenbelasting betalen, kunnen er gebruik van maken. Bedrijfsinvesteringen die in de tweede helft van dit jaar worden gedaan kunnen eenmalig tot maximaal de helft willekeurig worden afgeschreven. Een ondernemer kan in het eerste jaar zelf bepalen hoeveel van de investering wordt afgetrokken van de belasting. Voorwaarde is dat de investering, bijvoorbeeld een machine, voor 1 januari 2016 in gebruik wordt genomen. Zo niet, dan wordt de willekeurige afschrijving teruggenomen. Uiteindelijk betaalt men evenveel belasting als zonder willekeurige afschrijvingen, maar de regeling levert het bedrijfsleven in 2013 en 2014 samen een liquiditeitsvoordeel van 400 miljoen euro op.

(Bron: Taxence_

Vereenvoudigde vaststelling jaarrekening

Vereenvoudigde vaststelling jaarrekening: verhoogd aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders in de MKB-praktijk?
Het bestuur van een BV is verplicht om binnen 5 maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening van de BV op te maken. Deze termijn kan door de aandeelhoudersvergadering worden verlengd tot maximaal 11 maanden. Nadat de jaarrekening is opgemaakt, heeft de aandeelhoudersvergadering vervolgens 2 maanden de tijd voor het vaststellen daarvan. De jaarrekening moet binnen 8 dagen na de vaststelling openbaar gemaakt worden. In elk geval moet de BV binnen uiterlijk 13 maanden overgaan tot publicatie van de al dan niet vastgestelde jaarrekening. Met name in de MKB-praktijk vindt vaststelling vaak plaats kort vóór het verlopen van de 13-maandstermijn.
Als het bestuur de publicatieplicht niet nakomt, dan levert dit een strafbaar feit op. Te late publicatie kan ook een grond zijn voor bestuurdersaansprakelijkheid als de BV failliet gaat. In dat geval staat namelijk vast dat de bestuurder van de failliete BV zijn taak “kennelijk onbehoorlijk” heeft vervuld, en wordt dit laatste vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn.
Sinds de invoering van de “Wet Flex-BV” op 1 oktober 2012 geldt er een vereenvoudigde vaststellingsprocedure, die ongewenste gevolgen kan hebben voor bestuurders in de MKB-praktijk.
Sinds 1 oktober 2012 geldt bij een BV, waarvan alle aandeelhouders ook bestuurder zijn, de ondertekening van de jaarrekening door de bestuurders (en commissarissen) als vaststelling van de jaarrekening. Daarbij geldt als voorwaarde dat alle “overige vergadergerechtigden” in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de opgemaakte jaarrekening en met deze wijze van vaststelling hebben ingestemd. Als het bestuur van een BV waarvan alle aandeelhouders ook bestuurder zijn:
  • de jaarrekening opmaakt, én
  • (samen met de commissarissen) ondertekent, én
  • daarmee dus ook vaststelt,
gaat daarmee de openbaarmakingstermijn van 8 dagen lopen (als ook aan de voorwaarden betreffende de “overige vergadergerechtigden” is voldaan).
De vereenvoudigde vaststellingsprocedure kan dus tot een verkorting van de publicatietermijn leiden: de uiterste termijn voor openbaarmaking is in dat geval feitelijk verkort tot 11 maanden en 8 dagen (in plaats van 13 maanden). Als het bestuur dit over het hoofd ziet en daardoor de jaarrekening te laat openbaar maakt, zou dat kunnen leiden tot:
1. een strafbaar feit en
2. ingeval van een faillissement van de BV, tot bestuurdersaansprakelijkheid.
Of dit ook is wat de wetgever heeft beoogd, is nog onzeker: de wetgever en de rechter hebben zich hierover (nog) niet uit gesproken.
TIP: bestuurders van BV’s waarvan alle aandeelhouders ook bestuurder zijn, die elk risico willen vermijden, doen er goed aan de jaarrekening zekerheidshalve binnen8 dagen ná ondertekening door de bestuurders (en de commissarissen) te publiceren. Een andere mogelijkheid is om in de statuten van de BVde vereenvoudigde vaststellingsprocedure uit te sluiten.

(Bron: Dijkstra Voermans)

Pensioen in eigen beheer, heeft dat nog wel nut?

Mensen worden sterk in beslag genomen door geld. Hele volksstammen laten zich ertoe verleiden hier langdurig over na te denken. Daarnaast betalen nog eens hele volksstammen andere volksstammen om voor hen na te denken over geld. Favoriet tijdverdrijf daarbij is het optimaliseren van de fiscale positie. Soms, beste mensen… soms wordt er echter overdreven.

Fiscaal voordeel
Het is zaak u geen fiscaal voordeel te laten ontgaan. Het is doodzonde om geheide hits als de zelfstandigenaftrek of de investeringsaftrek te laten liggen. Ze zijn er om het ondernemerschap te stimuleren, dus benut ze.

Een bekende is ook het gebruik maken van tariefverschillen tussen bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting (uw BV) en de inkomstenbelasting (uw privé-sfeer).

Pensioen in eigen beheer
Een uitwerking van dat laatste is het “pensioen in eigen beheer”. Als u onderneemt vanuit een BV kent u deze post ongetwijfeld. U bouwt in uw BV pensioen op ten behoeve van uw oude dag. Deze pensioenopbouw is nu aftrekbaar tegen het huidige tarief vennootschapsbelasting (max. 25,0%). Verder kost het u geen geld, want u hoeft niet af te storten aan een verzekeraar. Bij een toevoeging aan uw pensioenvoorziening van € 10.000 krijgt u dus € 2.500 retour (als u winst maakt).

Pas later, als u groot bent, betaalt u belasting. Dan gaat het pensioen uitkeren en moet over de uitkeringen door u loon-/inkomstenbelasting betaald worden. De hoogte hiervan kan variëren, afhankelijk van uw inkomen, van 5,85% tot 52%. Zeker als u de laagste tarieven in de loon-/inkomstenbelasting betaalt een groot voordeel.

Optimaal gebruik dus van de tariefverschillen tussen vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting.

Vroeger was alles beter
Vroeger was het allemaal echter leuker. De tarieven in de vennootschapsbelasting liepen op tot 45%. Voor die toevoeging van € 10.000 kreeg je dus € 4.500 retour. Daarnaast kon je, op basis van de toen geldende gunstige rekenregels, lekker hoge bedragen toevoegen aan je pensioenvoorziening. In de inkomstenbelasting werden tarieven tot 72% geregistreerd, maar voor vermogende particulieren waren er legio mogelijkheden het belastbaar inkomen en daarmee de te betalen belasting (enigszins kunstmatig) laag te houden. Eén groot feest!

En nu?
Tegenwoordig werken we met betrekkelijk ongunstige rekenregels. Beperkte opbouw van de voorziening dus. De tarieven in de vennootschapsbelasting zijn laag. Beperkte teruggaaf dus. En, dat is wellicht het meest vervelend, een continue stroom van nieuwe pensioenregels. Deze moeten allemaal worden verwerkt in de formele stukken zoals uw pensioenbrief. Gaat uw adviseur fijn mee aan de slag, voor u. Meteen even het totale plaatje rond de oudedag doornemen en u bent weer op de hoogte. De factuur volgt.

In 2014 moet dit ook weer gebeuren. Dan moet namelijk de verhoging van de pensioenleeftijd worden verwerkt in de pensioenbrief. Leuk om te weten daarbij is dat voor 2015 een versobering in de pensioenopbouw op stapel staat. Moet ook nog op een af andere manier verwerkt worden. Fijn gestructureerd aanbod van regelwijzigingen door de overheid, zo kunnen we wel stellen.

Is er een conclusie?
Wat mij betreft eigenlijk wel. Als er sprake is van een pensioen in eigen beheer, bedenk dan eens of dat speeltje nog wel nuttig is voor u. De ontwikkeling van belastingtarieven en rekenregels werken niet mee en de (jaarlijkse) advieskosten die er mee samenhangen komen daar nog bovenop. Zeker naarmate u ouder wordt, en dus het moment van heffen voor de Rijksoverheid dichterbij komt (die loon-/inkomstenbelasting), raakt de lol er wel een beetje af.

Bedenk daarnaast nog eens dat bij een faillissement vóór uw pensionering die hele opbouw voor u van betrekkelijk weinig waarde is geweest en dat, zonder speciale pensioenopbouw (en zonder faillissement uiteraard), de waarde van uw onderneming, als zodanig, ook een goede pensioenvoorziening kan zijn.

Kortom, ook op mooie producten uit het verleden komt wel eens de sleet te liggen.

(Bron: De Zaak)

Waardeoverdracht binnen eigen beheer: hoe en wat

Welke rekenrente moet fiscaalrechtelijk worden gehanteerd bij overdracht van pensioen van het ene eigenbeheerlichaam naar het andere? En hoe moet fiscaalrechtelijk worden omgegaan met een indexatieverplichting? Verder: hoe moet de nieuwe pensioenuitvoerder de verplichting waarderen? Hof Den Haag geeft antwoord op deze vragen.

Hof Den Haag heeft in drie uitspraken (LJN: CA1430, CA1431 en CA1432) duidelijkheid geboden hoe er fiscaalrechtelijk moet worden omgesprongen met pensioen als deze binnen eigen beheer wordt overgedragen. Er speelden in deze procedures een aantal zaken:

  1. Welk deel van de overdrachtswaarde mag fiscaal in aanmerking worden genomen bij de overdragende partij, de werkgever?
  2. Hoe moet de ontvangende partij – de nieuwe pensioenuitvoerder – de verplichting waarderen?

Het hof geeft hierop de volgende antwoorden:

  • Bij de bepaling van de overdrachtswaarde moet gerekend worden met de marktrente. Die was hier 3,74%. De inspecteur had gesteld dat de overdrachtswaarde berekend moest worden met inachtneming van een minimumrente van 4%. Dat standpunt verwerpt het hof.
  • Bij de bepaling van de overdrachtswaarde moet ook de kostprijs van indexatie worden doorberekend. Zou dit niet gebeuren dan is er sprake van een onzakelijk berekende overdrachtswaarde. Echter, de werkgever-BV kan deze indexatielasten niet fiscaal in aanmerking nemen. Dit deel van de overdrachtswaarde wordt op de balans van de werkgever opgenomen als “vooruitbetaalde pensioenpremie”. In de uitkeringsfase wordt deze balanspost afgeboekt naar gelang zich de indexatie voordoet.
  • De ontvangende partij – hier: een stichting – moet de pensioenverplichting op de balans waarderen. Hierbij moet een minimumrekenrente van 4% worden gehanteerd. Ook mag bij de waardering geen leeftijdsterugstelling worden gehanteerd. De overdrachtswaarde is berekend tegen een rekenrente van 3,74% en met inachtneming van een leeftijdsterugstelling. Hierdoor ontstaat bij de stichting winst die belast is met vennootschapsbelasting.

At arm’s length

Er was heel wat te doen over deze rechtszaken, maar de uitkomst stelt ons allemaal weer gerust. Het hof oordeelt zoals we de wet altijd al uitlegden, of in ieder geval dachten te moeten uitleggen. In die zin is er sprake van een storm in een glas water. Of toch niet? Er ligt nog een soortgelijke zaak bij het Hof Den Bosch. Dit hof zou natuurlijk met een andere uitspraak kunnen komen. Dat is niet onze verwachting, maar je weet natuurlijk maar nooit. Ook zou er tegen de uitspraak nog cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden aangetekend. Het is dus misschien nog wat te vroeg om nu al te juichen.

In de fiscale wetgeving zijn twee belangrijke bepalingen opgenomen die zien op de waardering van een pensioenverplichting. In de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat er bij de waardering rekening moet worden gehouden met een rekenrente van ten minste 4%. Waarderen tegen een lagere rekenrente – ook al is dat reëler, gezien de huidige marktrente – is fiscaalrechtelijk dus niet toegestaan. In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat er bij de waardering geen rekening mag worden gehouden met een leeftijdsterugstelling.

Deze bepalingen zien – nogmaals – op de waardering van een pensioenverplichting. Zij zien niet op de waardering van een overdrachtswaarde. Die mag – moet zelfs – wél worden bepaald tegen de marktrente en met inachtneming van een leeftijdsterugstelling. Als dat niet gebeurt, handelen partijen onzakelijk.

De overdrachtswaarde wordt in dat geval “at arm’s length” vastgesteld. Dat wil zeggen, we gaan voor de belastingheffing toch uit van een zakelijk vastgestelde prijs. De bepaalde overdrachtswaarde kan te hoog maar ook te laag zijn vastgesteld. Afhankelijk van de situatie kan er dan een (vermomde) dividenduitkering worden verondersteld, dan wel een (informele) kapitaalstorting op het geplaatste aandelenkapitaal.

[ Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]