Decharge van bestuurders onder de Flex-BV

Het is gebruikelijk dat de aandeelhouders van een vennootschap na het vaststellen van de jaarrekening decharge verlenen aan de bestuurders voor het door hen gevoerde beleid. Wat is dit juridische ‘schouderklopje’ waard voor de bestuurder en heeft de Flex-BV hierin nog wijzigingen aangebracht?

Decharge is niet expliciet geregeld in de wet. Het enige wat hierover is opgenomen, is dat decharge niet automatisch wordt verleend met het vaststellen van de jaarrekening. Decharge moet apart op de agenda van de algemene vergadering worden gezet en hierover moet een apart dechargebesluit worden genomen door de algemene vergadering.
Met de invoering van de Flex-B.V. per 1 oktober 2012 is dit anders geworden voor de B.V. waarin:
  1. Alle aandeelhouders ook bestuurder zijn van de vennootschap (indirect aandeelhouderschap is niet voldoende) en
  2. Alle overige vergadergerechtigden (indien aanwezig), in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van de opgemaakte jaarrekening en hebben ingestemd met deze wijze van vaststelling.
In dat geval strekt het opmaken en ondertekenen van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen tevens tot vaststelling en decharge. Van deze wettelijke bepaling kan in de statuten worden afgeweken. In dat geval blijft wél een apart decharge besluit nodig. Als een bestuurder in bovengenoemde situatie geen decharge wil verlenen aan zijn medebestuurders, dan moet hij afzien van ondertekening van de jaarrekening, met opgaaf van redenen.

Wat is verleende decharge voor het gevoerde beleid nu precies waard?

Decharge is een interne aangelegenheid en ziet alleen op de relatie tussen de bestuurder en de vennootschap. Met de decharge doet de vennootschap (door middel van het aandeelhoudersbesluit) afstand van zijn recht om de bestuurder aansprakelijk te stellen voor het door hem gevoerde beleid (c.q. toezicht in geval van commissarissen). Decharge heeft geen externe werking richting derden, zoals crediteuren of klanten van de vennootschap.
Voor het bepalen van de reikwijdte van de decharge is nodig dat de aandeelhouders weten waarvan zij afstand doen. Volgens vaste rechtspraak geldt hierbij dat de kennis van de bestuurshandelingen waarvoor decharge wordt verleend, moet blijken uit de aan aandeelhoudersvergadering ter beschikking gestelde informatie. Het is dus niet voldoende – ook niet in de situatie dat bestuurder en aandeelhouder één en dezelfde persoon zijn – dat een aandeelhouder wist van bepaalde (frauduleuze) bestuurshandelingen doordat hij ook bestuurder is.
Bij decharge voor het gevoerde beleid nadat de jaarrekening is vastgesteld, gaat het dus alleen om de bestuurshandelingen die redelijkerwijs blijken en volgen uit de jaarrekening. Mocht achteraf blijken dat de jaarrekening niet klopt of anderszins zaken aan het licht komen die niet zijn genoemd in de jaarrekening (en ook niet anderszins aan de aandeelhouders zijn medegedeeld), dan ziet de decharge niet op die bestuurshandelingen.

Tip!

Bestuurders doen er dus verstandig aan om bestuurshandelingen, die niet direct volgen uit de jaarrekening, expliciet de revue te laten passeren in de algemene vergadering. Hierbij kan gedacht worden aan het aangaan van specifieke investeringen, koerswijzigingen van de vennootschap en/of andere risicovolle bestuurshandelingen. Om misverstanden en bewijsproblemen te voorkomen is het belangrijk om in de notulen van de algemene vergadering vast te leggen wat is besproken met de aandeelhouders en welke kennis zij dus hebben.
(Bron: Dijkstra Voermans)

Naheffingsaanslag loonheffingen mag uitsluitend op onderzoek FIOD worden gebaseerd

Rechtbank Zeeland – West Brabant oordeelt dat de aan een autorijschool opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen met behulp van een redelijke schatting is vastgesteld en dat de inspecteur daarbij niet naar willekeur heeft gehandeld door zich uitsluitend te baseren op het onderzoek van de FIOD.

De FIOD stelt bij een autorijschool een (strafrechtelijk) onderzoek in wanneer een oud-werknemer in de krant vermoedens van fraude uit. De FIOD stelt daarbij vast dat niet alle opbrengsten van lesuren zijn verantwoord in de omzet en niet alle gewerkte uren in de loonadministratie zijn verantwoord. Een vennoot paste de dag- en weekstaten aan door het aantal gewerkte uren te verminderen, draaide de kilometerstanden van de lesauto’s terug en vermeldde niet alle contant geïnde lesgelden. Op basis van het FIOD-onderzoek legt de inspecteur met omkering en verzwaring van de bewijslast de autorijschool een naheffingsaanslag loonheffing op over 2006 van € 82.087 en houdt daarbij rekening met  € 8.895 reeds afgedragen loonheffingen. De autorijschool gaat in beroep en stelt dat zij heeft doen blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Rechtbank Zeeland – West Brabant oordeelt dat de autorijschool geen objectief controleerbare gegevens bijeen heeft gebracht die tot het oordeel leiden dat is aangetoond dat de naheffingsaanslag onjuist is. De naheffingsaanslag is volgens de rechtbank ook met behulp van een redelijke schatting vastgesteld en de inspecteur heeft daarbij niet naar willekeur gehandeld door zich uitsluitend te baseren op het onderzoek van de FIOD en niet daarnaast zelfstandig nog een onderzoek in te stellen.

[ Bron: Vakstudienieuws Vandaag ]

Omvang loonstop bij weigeren passende arbeid tijdens ziekte

Een zieke werknemer is in het kader van zijn re-integratie verplicht om mee te werken aan het verrichten van passende arbeid. Indien een werknemer zonder deugdelijke grond weigert om de passende arbeid te verrichten, dan mag de werkgever op grond van artikel 7:629 lid 3 sub c BW het loon van werknemer stopzetten. Betreft deze zogenaamde loonsanctie dan het gehele loon of alleen het loon over de uren die de werknemer niet werkt, maar daartoe wel in staat wordt geacht? De kantonrechter Groningen heeft zich over deze vraag onlangs uitgelaten.

Een coffeeshop medewerker heeft zich ziek gemeld wegens verminderde belastbaarheid van de voeten en schouders. De medewerker werkt normaal gesproken voor 40 uur per week bij de coffeeshop en zit in de coffeeshop achter een balie van waaruit softdrugs worden verkocht. Volgens de bedrijfsarts kan de betreffende werknemer voor 2 uur per dag passende arbeid verrichten. De werknemer weigert echter dit te doen. De werkgever heeft daarom de loondoorbetaling in zijn geheel gestopt. De werknemer in kwestie vordert betaling van het loon over de uren gedurende de periode waarin hij niet in staat was om passende arbeid te verrichten, te weten 30 uur per week.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever terecht de volledige loondoorbetaling heeft stopgezet engeeft daarbij aan dat wanneer de loonstop slechts betrekking zou hebben op het aantal uren waartoe een werknemer in staat wordt geacht passend werk te verrichten maar dit weigert, de sanctie voor een belangrijk deel zijn effect zou verliezen. De loonstop is immers in de wet opgenomen om werknemers aan te sporen mee te werken aan hun re-integratie.
Er is in dit geval niet gebleken dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat het vervallen van het recht op doorbetaling van loon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De werkgever kon dus de gehele loondoorbetaling stopzetten gedurende de periode waarin de werknemer weigerde om passende arbeid te verrichten. De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen door de kantonrechter.
Conclusie
De loonstop van de arbeidsongeschikte werknemer die weigert passende arbeid te verrichten ziet dus op het volledige loon van de werknemer en niet alleen op loon voor de re-integratie-uren.

(Bron: Dijkstra Voermans)

Wijziging pensioenregeling toegestaan? Houdt rekening met een zwaarwegend belang

Voor het wijzigen van de pensioenregeling heeft de werkgever instemming van de Ondernemingsraad nodig. Dat alleen is niet voldoende. De werkgever kan zich dan ook niet verschuilen achter de instemming richting individuele werknemers. Voor eenzijdige wijziging heeft de werkgever namelijk ook nog een zwaarwegend belang nodig. Hoe werkt dat in de praktijk?
De kantonrechter Rotterdam heeft zich in een langlopend conflict uitgelaten over de wijziging van een pensioenregeling. De werkgever heeft in 2008 de eindloonregeling gewijzigd in een beschikbare premieregeling, nadat de Ondernemingsraad met de wijziging heeft ingestemd. Van de 47 werknemers zijn 25 werknemers expliciet akkoord gegaan met de wijziging. De overige 22 werknemers hebben niet gereageerd op het verzoek van de werkgever om met de wijziging in te stemmen. FNV vordert namens deze 22 werknemers nakoming van de eindloonregeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.
De kantonrechter Rotterdam zet uiteen dat wijzigen van de pensioenovereenkomst met werknemers alleen mogelijk is met instemming van de werknemers. Die instemming is niet nodig wanneer de werkgever een wijzigingsbeding heeft opgenomen in de pensioenovereenkomst en wanneer hier terecht een beroep op wordt gedaan, namelijk omdat sprake is van een zwaarwegend belang. In deze zaak was een wijzigingsbeding overeengekomen. Uit de rechtspraak vloeit voort dat als de ondernemingsraad heeft ingestemd met de wijziging, dit een aanwijzing is dat aan het zwaarwegend belang van het wijzigingsbeding is voldaan. Om het tegendeel te kunnen aantonen, verzoekt het FNV een deskundige onderzoek te laten doen en een aantal vragen te beantwoorden. Uit dit onderzoek wordt voor de kantonrechter duidelijk dat de financiële lasten die gepaard gaan met de instandhouding van de eindloonregeling niet dermate onbeheersbaar waren dat wijziging zonder meer noodzakelijk was. De wijziging van de pensioenregeling brengt volgens de kantonrechter een lastenverzwaring met zich mee voor de werknemers (door de invoering van een werknemersbijdrage) en leidt bovendien tot grote onzekerheid bij werknemers over de hoogte van de uiteindelijke pensioenaanspraken. De kantonrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een zwaarwegend belang aan de zijde van de werkgever en dat niet van de werknemers verwacht kan worden dat zij met de wijziging akkoord gaan.
Tip!
Zorg er voor dat in de pensioenovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding staat. Staat de pensioenovereenkomst feitelijk in de arbeidsovereenkomst, zorg er dan voor dat het eenzijdig wijzigingsbeding hierin is opgenomen. Doet u een beroep op dit beding, dan moet u wel het zwaarwegend belang kunnen onderbouwen. En vergeet ook niet om de Ondernemingsraad om instemming te vragen.
(Bron: Dijkstra Voermans)

Het nieuwe nul-urencontract: wat verandert er voor u?

Onlangs deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak over oproepkrachten die meerdere keren per dag door hun werkgever worden opgeroepen. Vanaf nu moeten werkgevers voor elke werkoproep – dus ook wanneer de werknemer in kwestie maar één uurtje werkt – drie uur uitbetalen. Verstandig inroosteren is dan ook voor elke werkgever aan te bevelen.

Veel startende ondernemers maken gebruik van oproepkrachten om pieken en dalen in de bezetting op te vangen. Dit gebeurt vaak op basis van een zogenoemd nul-urencontract. Dit is een flexibel contract, waarin vooraf niet vaststaat hoeveel een werknemer gaat werken en de werkgever alleen loon verschuldigd is voor de daadwerkelijk gedraaide uren.

Nieuwe regel

Wel is de werkgever per oproep verplicht om de werknemer drie uur werk aan te bieden. Indien een volgende oproep binnen de drie uur valt van de vorige oproep, hoefde de werkgever tot voor kort maar één keer drie uren aan loon uit te betalen. Maar deze oude regel is onlangs veranderd!

Uitspraak Hoge Raad

Oproepkrachten die minder dan vijftien uur per week werken hebben voortaan recht op een loonbetaling van minimaal drie uur per oproep, ook al houdt het werk bijvoorbeeld niet meer dan een uurtje per oproep in. Stel: u roept op diezelfde dag twee keer een oproepkracht op om voor u werkzaamheden te verrichten (van 9.00 tot 10.00 uur en van 13.00 tot 14.00 uur). Dan moet u in dit geval vanaf nu – ondanks het feit dat de oproepkracht feitelijk maar twee uur voor u heeft gewerkt – in totaal zes uur aan loon uitbetalen.

Slim inroosteren

Het verkeerd inzetten van oproepkrachten kan gezien deze recente rechtspraak op den duur dus aanzienlijk in de kosten lopen. Ik raad werkgevers die hun oproepkrachten gedurende een relatief korte tijd willen inzetten dan ook aan om verstandig hiermee om te gaan. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door dergelijke krachten alleen nog voor een aaneengesloten periode op te roepen. In het hiervoor genoemde voorbeeld zou de oproepkracht beter aaneengesloten kunnen worden ingezet voor werkzaamheden van 9.00 tot 11.00 uur of van 13.00 tot 15.00 uur.

3 aanvullende tips over het nul-urencontract

  1. Nul-urencontract zijn risicovol als ze veel worden gebruikt.
  2. Niet vergeten: voor iedere afzonderlijke oproep van een oproepkracht moet de werkgever voortaan minimaal drie loonuren uitbetalen, tenzij;
  3. a. De oproepkracht voor een aaneengesloten periode wordt ingeroosterd
    b. De arbeidsovereenkomst meer dan vijftien uur per week bedraagt
    c. U de tijdstippen waarop wordt gewerkt vooraf laat vastleggen
  4. Laat bij twijfel altijd uw juridisch adviseur uw oproepcontract beoordelen op de inhoud en de feitelijke toepassing hiervan.

(Bron: Ikgastarten)

Aftrek van kosten

In de onderstaande tabel vindt u een opsomming van kosten. Per kostensoort ziet u welk percentage van de kosten u mag aftrekken bij het bepalen van de winst uit onderneming.

Tabel Kosten voor de onderneming

Soort kosten Welk deel van de
kosten is aftrekbaar?
Werkruimte thuis 0%, met uitzonderingen
Voedsel, drank, genotmiddelen,
representatie, congressen,
seminars, studiereizen, e.d.*1
drempel € 4.400*2
Telefoonabonnement thuis 0%
Zakelijke telefoongesprekken thuis 100%
Algemene literatuur 0%
Vakliteratuur 100%
Werkkleding*3 100%
Kleding (geen werkkleding) 0%
Persoonlijke verzorging 0%
Aktetassen e.d. 100%
Apparatuur en instrumenten
die niet tot het
ondernemingsvermogen behoren
0%
Verhuiskosten beperkt
Huisvesting buiten de woonplaats beperkt
Geldboeten 0%
Auto van de zaak beperkt
Zakelijke kosten eigen auto beperkt
Vaartuigen voor
representatieve doeleinden
0%

*1 Onder de post ‘voedsel’ vallen zakenlunches en -diners (ook de fooien). Denk bij ‘drank’ aan koffie, thee, melk en frisdrank. Bij ‘genotmiddelen’ moet u denken aan onder andere sigaretten en sigaren. Onder ‘representatie’ vallen onder meer de kosten van recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak. Bij deze kosten geldt dat u het deel van het totaalbedrag mag aftrekken dat boven de drempel van € 4.400 uitkomt.

*2 Voor de kosten van voedsel, drank, genotmiddelen, representatie, congressen, seminars, studiereizen en dergelijke kunt u in plaats van het toepassen van de € 4.400 drempel ook 73,5% van deze kosten aftrekken. Wilt u deze methode toepassen, dan kunt u daar bij de aangifte voor kiezen.

*3 Werkkleding is kleding die u (bijna) uitsluitend kunt dragen in het kader van uw onderneming. Dit moet blijken uit de uiterlijke kenmerken van de kleding (bijvoorbeeld:een uniform of overall). Is de kleding ook geschikt om buiten uw onderneming te dragen? Dan moet de kleding zijn voorzien van een beeldmerk met een oppervlakte van minimaal 70cm2. Het beeldmerk moet verwijzen naar uw onderneming.

(Bron: Belastingdienst)

Onverplicht betaalde pensioenlast niet aftrekbaar

In 2006 doet E BV een onverplichte betaling aan J BV, die als pensioenuitvoerder optreedt voor de directeur-grootaandeelhouder van E BV, ter zake van dit pensioen. Hof Leeuwarden oordeelt dat deze pensioenlast niet ten laste van de winst van E BV kan worden gebracht.

E BV is met haar directeur een pensioenregeling overeengekomen. De pensioenen zullen na ingang zoveel mogelijk waarde- of welvaartsvast worden gehouden. De regeling wordt aanvankelijk in eigen beheer uitgevoerd. Hof Leeuwarden stelt vast dat de pensioenverplichting vóór 2006 is overgedragen aan J BV, een zustermaatschappij. De boekwaarde van de verplichting bedraagt eind 2005 € 2.010.662. In 2006 doet E BV onverplicht een betaling aan J BV. Deze betaling houdt verband met:

  • de indexatietoezegging van het pensioen; en
  • het gegeven dat de marktrente lager is dan de bij de waardering van de pensioenverplichting gehanteerde rekenrente van 4%.

In hoger beroep oordeelt Hof Leeuwarden dat deze in 2006 opgekomen pensioenlast niet ten laste van de winst mag worden gebracht.

Sprongcassatie

Vóór 2006 is de pensioenverplichting tegen een onzakelijke overdrachtsprijs – waarschijnlijk de fiscale boekwaarde – overgedragen door E BV aan J BV. In 2006 proberen partijen door middel van een (onverplichte) nabetaling te redden wat er te redden valt. Het hof weigert echter de aftrek van de onverplicht betaalde koopsom voor de heffing van vennootschapsbelasting.

De aftrekbaarheid van de pensioenlast is het enige wat in deze zaak centraal staat. De consequenties zijn echter veel verstrekkender. Vaststaat dat J BV onvoldoende middelen heeft om de pensioenverplichting uit te voeren (structurele onderdekking). Door de onverplichte betaling is de dekkingsgraad bij J BV sterk verbeterd. De DGA is hierdoor in zijn hoedanigheid van aandeelhouder bevoordeeld.

Deze bevoordeling valt aan te merken als vermomde dividenduitkering, waarover de DGA aanmerkelijk belangheffing is verschuldigd. Naast de vennootschapsbelastingrechtelijke consequenties zijn er dus ook nog inkomstenbelastingrechtelijke consequenties aan verbonden. Die consequenties staan in deze uitspraak echter niet centraal.

Wat nu als de betaling niet onverplicht zou zijn geweest? Zou E BV in dat geval wel de volledige last van de winst over 2006 hebben kunnen aftrekken? Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Voor een groot deel hangt de pensioenlast samen met de toekomstige verplichting tot na-indexatie. Dergelijke indexatielasten kunnen op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aftrek worden gebracht. Dit is anders als J BV een professionele verzekeringsmaatschappij zou zijn geweest. Dan zouden de indexatielasten wel aftrekbaar van de winst zijn geweest. De betaling is dan wel terecht gedaan, maar de lasten zijn niet direct aftrekbaar. Niet direct, want op de balans van E BV worden deze lasten geactiveerd als ‘vooruitbetaalde pensioenpremies’. Pas als indexatie daadwerkelijk plaatsvindt worden de indexatielasten afgeboekt op deze balanspost. Daarmee worden de indexatielasten alsnog ten laste van het resultaat van E BV gebracht.

Voor een veel kleiner deel hangt de betaling samen met het verschil tussen de gehanteerde rekenrente (4%) en de op dat moment geldende marktrente (3,74%). Rechtbank Breda heeft vorig jaar in een procedure geoordeeld dat de lasten die met dit verschil in rekenrente samenhangen wel in aftrek kunnen worden gebracht.

Dat oordeel lijkt juist, maar tegen deze uitspraak is sprongcassatie bij de Hoge Raad aangetekend. Het is dus nog even afwachten hoe de Hoge Raad hierover denkt.

[Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]

Hoe weet ik of ik een woekerpolis heb?

Honderdduizenden Nederlanders hebben een woekerpolis gekoppeld aan hun hypotheek of lijfrenteproduct, maar zijn hier niet van op de hoogte,onderzocht de Autoriteit Financiële Markten (AFM) eerder dit jaar. Om compensatie voor hoge kosten te kunnen regelen of van je polis af te komen is het belangrijk te ontdekken of je beleggingsverzekering een woekerpolis is. Hoe herkent u een woekerpolis?

Een woekerpolis is een beleggingsverzekering waarbij de ingelegde premie voor een groot deel op gaat aan bijkomende kosten, zodat het geplande eindkapitaal via beleggingsresultaten nauwelijks te halen is. Als bijkomende kosten niet duidelijk gecommuniceerd zijn is er sprake van een woekerpolis. Dit kan mensen in de problemen brengen omdat ze dit kapitaal nodig hebben om hun hypotheek af te lossen of om na pensionering van te kunnen leven.

“Veel mensen die een woekerpolis hebben, willen het waarschijnlijk liever niet weten,” zegt Pieter Lijesen, voorzitter van Vereniging Woekerpolis.nl. Ook mensen die vermoeden dat ze een woekerpolis hebben, maar denken er niets aan te hoeven doen zitten mis, zegt hij. Zo kunnen ze in aanmerking komen voor compensatie van hoge kosten of bijvoorbeeld besluiten hun polissen af te kopen of over te sluiten.

 

Maar de eerste stap is om te kijken of u in uw lijfrenteproduct of hypotheek een woekerpolis hebt zitten. Dat is lastig genoeg, geeft Lijesen aan. Maar er zijn volgens hem wel enkele duidelijke kenmerken die een bel doen rinkelen.

1. Hebt u een beleggingsverzekering bij uw hypotheek of pensioenproduct?

Bij een lijfrenteproduct is dit altijd het geval, zegt Lijesen. Om te checken of u een beleggingsverzekering hebt kunt u kijken op het polisblad of jaaroverzichten die u krijgt van de verzekeraar. Als er geen gegarandeerde uitkering is, hebt u een beleggingsverzekering. Twijfelt u nog of u een beleggingsverzekering hebt? Hier staat een lijst met beleggingsverzekeringen van tientallen verzekeraars. Hier kunt u kijken of uw polis er tussen staat. Lijesen: “Volgens verzekeraars zijn ongeveer 60 procent van de beleggingsverzekeringen woekerpolissen. Wij bij Vereniging Woekerpolis.nl denken meer aan 95 procent.

2. Wanneer hebt u deze verzekering afgesloten?

Beleggingsverzekeringen zijn sinds eind jaren tachtig op grote schaal verkocht. Na 2008 zijn kosten flink gedaald door een akkoord van consumentenorganisaties en verzekeraars. Sindsdien mogen bijkomende kosten over de hele looptijd 2,5 tot 3 procent van de opgebouwde waarde bedragen. Hebt u dus in die periode een beleggingsverzekering afgesloten, dan is er een grote kans dat u een woekerpolis hebt met hogere kosten dan dit maximum. Hierdoor hebt u waarschijnlijk recht op compensatie. Volgens Lijesen heeft 100 procent van de mensen die voor 1998 een beleggingsverzekering afsloot te maken met een woekerpolis. Tussen 1998 en 2008 is de kans erg groot dat u een woekerpolis hebt.

3. Betaalt u bijkomende kosten die niet gemeld zijn bij het afsluiten van de polis?

Dit is erg lastig te zeggen en vergt veel rekenwerk, stelt Lijesen. Want hoe weet u dat er verborgen bijkomende kosten in uw polis zitten als de kosten niet gemeld zijn? Lijesen stelt dat u aan de hand van jaaroverzichten van uw polis kunt uitrekenen of u het beleggingsrendement ook terugziet in het eindkapitaal van de beleggingsverzekering. Als er een verschil tussen het behaalde rendement en het eindkapitaal en dit door bijkomende kosten veroorzaakt wordt, hebt u niet per definitie een woekerpolis. Maar als er een groter verschil zit tussen deze bedragen en de genoemde kosten, zijn er dus ook verborgen kosten van het rendement betaald. Dit is erg lastig om te berekenen, beseft Lijesen. Zoek hier daarom hulp bij.

4. Vraag of u een woekerpolis hebt?

Als u naar uw verzekeraar stapt en vraagt of u een woekerpolis hebt, zal het antwoord ‘nee’ zijn. U kunt naar de bemiddelaar stappen die u bij het afsluiten van de verzekering heeft geholpen. Hij zou u hier geen geld voor mogen vragen, stelt de AFM. Lijesen van Vereniging Woekerpolis.nl adviseert om naar een andere adviseur te gaan. De adviseur die bemiddelde bij de verzekering verdient aan uw beleggingsverzekering en het kan zijn dat hij een deel van de schade moet vergoeden als u een woekerpolis hebt. Hierdoor zal hij niet snel stellen dat u een woekerpolis hebt, meent Lijesen.

Wat te doen?

Als u denkt dat u wellicht een woekerpolis hebt, ga dan met een financieel adviseur kijken of u de polis kunt oversluiten of afkopen. Volgens Lijesen kan vrijwel iedereen geld besparen door dure overlijdensrisicoverzekering uit de polis te halen. Verder is het volgens hem altijd verstandig om een zogenoemde stuitingsbrief te sturen aan de verzekeraar, om aan te geven dat u bijbehorende kosten van uw polis onredelijk hoog vindt. Doe dit ook als u niet zeker weet of u een woekerpolis hebt, adviseert Lijesen. Als er via de rechter een compensatie voor polishouders wordt afgesproken hebt u daar recht op. Stuurde u geen brief en trekt u binnen 5 jaar na de uitspraak van de rechter niet aan de bel, kan de zaak verjaren en verliest u recht op compensatie.

Door u aan te sluiten bij organisaties als Vereniging Woekerpolisclaim.nl of Stichting Woekerpolis Claim kunt u zich verenigen met mensen die vergelijkbare polissen hebben. Zo wordt u op de hoogte gehouden van rechtszaken over compensaties en staat u sterker als groep.

(Bron: Telegraaf)

Economische eigendom nodig bij verkoop HIR-lichaam

Een herinvesteringsreservelichaam (HIR-lichaam) kan de vrijval van de HIR bij een aanmerkelijke wijziging van aandeelhouders voorkomen door tijdig een herinvestering te doen. Hof Amsterdam heeft echter geoordeeld dat geen sprake is van een herinvestering als de bv niet op zijn minst de economische eigendom heeft verkregen.

De verkoop van aandelen in een HIR-lichaam vereist de nodige planning. In de zaak voor Hof Amsterdam lieten een holding en haar dochtermaatschappij hierbij een steekje vallen. De dochtermaatschappij had op 25 november 2005 om 16.40 uur een overeenkomst gesloten voor de aankoop van twee panden. Zij wilde de boekwinst die zij eerder dat jaar had behaald op een verkocht bedrijfspand afboeken op de aankoopprijs van deze twee panden. Op dezelfde dag, om 17.07 uur droeg de holding al haar aandelen in de dochtermaatschappij over. Deze overdracht leidde ook tot de verbreking van de fiscale eenheid tussen holding en dochtermaatschappij. De holding wist het standpunt van de inspecteur te weerleggen dat de aandelenoverdracht zou hebben plaatsgevonden vóór de ondertekening van de koopovereenkomst. Dit was een goede stap op weg naar het voorkomen van belaste vrijval van de boekwinst van haar dochtermaatschappij. Zie bijvoorbeeld ‘Datum leveringsakte staat centraal bij verkoop HIR-lichaam’. Het hof oordeelde echter dat de boekwinst toch moest vrijvallen. De dochtermaatschappij had met het afsluiten van de koopovereenkomst nog niet de (economische) eigendom van de twee panden verkregen. Het risico van de waardedaling en tenietgaan lag nog bij de verkoper. Daardoor mocht de dochtermaatschappij de panden niet activeren. Afboeking van de boekwinst via een HIR of met een beroep op de ruilarresten was daarom niet mogelijk.

(Bron: Taxence)

Belastinginspecteur draalt: minder heffingsrente

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde onlangs dat de heffingsrente die een bedrijf kreeg opgelegd beperkt moet worden.

 

Complexe materie

Dit omdat de inspecteur, na het bekend worden van de noodzakelijke gegevens voor het opleggen van een aanslag, heeft stilgezeten en voor deze periode, naast de omstandigheid dat er sprake zou zijn van een complexe materie, geen afdoende verklaring heeft gegeven.

VPB-navorderingaanslagen

Aan het bedrijf zijn VPB-navorderingaanslagen opgelegd, nadat het in januari en februari 2009 per brief een aantal fiscale misslagen uit het verleden aan de inspecteur heeft opgebiecht en te kennen heeft gegeven deze te willen redresseren.

Heffingsrente

In december 2010 kondigt de inspecteur de aanslagen aan. De aanslag over 2006 is vervolgens na enige correspondentie pas in oktober 2011 opgelegd. In geschil is of de hierbij in rekening gebrachte heffingsrente van € 8.831 terecht is.

Zorgvuldigheidsbeginsel

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de periode van onnodig lang stilzitten door de inspecteur vanwege het zorgvuldigheidsbeginsel buiten beschouwing moet worden gelaten. Op 12 februari 2009 waren alle voor het opleggen van de aanslag noodzakelijke gegevens namelijk bij de inspecteur bekend.

Reactietermijn

Gelet op de complexe materie was drie maanden een redelijke reactietermijn geweest. Er mag dus geen heffingsrente worden berekend over de periode van 12 mei 2009 tot en met 14 december 2010. Het beroep van het bedrijf is gegrond. De inspecteur wordt opgedragen een nieuwe beschikking heffingsrente vast te stellen.

Bron: Plein +