Check je autobelastingen voor 2014

Het systeem van autobelastingen wordt steeds ingewikkelder. Dit komt door de voortdurende aanpassing en uitbreiding van percentages en bedragen in de wetgeving. Gelukkig heeft de ANWB een rekenmodule ontwikkeld om te zien wat u aan autobelastingen betaald.

U vindt de autobelastingchecker hier: http://www.anwb.nl/auto/autobelastingen (voer rechtsonderaan uw gegevens in)

 

Inschrijving handelsregister niet (altijd) van belang voor aansprakelijkstelling bestuurder

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat een voormalig directeur van een bv aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf (de dag na) 13 juli 2012 niet meer als bestuurder van de bv dient te worden aangemerkt, ook al stond in het handelsregister dat zij tot 13 september 2012 directeur was. De rechtbank vermindert de aansprakelijkstelling.

De vrouw is sinds 1 maart 2011 directeur van de bv. Bij brief van 15 juni 2012 neemt zij ontslag. In het handelsregister is opgenomen dat zij per 13 september uit functie is getreden, en is opgevolgd door een nieuwe directeur die vervolgens de bv leegrooft. Daarop werd de bv per 11 december 2012 failliet wordt verklaard. De ontvanger stelt de voormalig bestuurder aansprakelijk voor de onbetaald gelaten LB- en btw-naheffingsaanslagen van de bv over de maanden maart 2012 tot en met augustus 2012 voor een bedrag van € 109.406.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de voormalig bestuurder aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf (de dag na) 13 juli 2012 niet meer als bestuurder van de bv dient te worden aangemerkt. Volgens de rechtbank blijkt uit de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden dat zij per 13 juli 2012 haar feitelijke werkzaamheden alsmede haar functie als directeur heeft willen neerleggen. Zij had namelijk haar werkplek ontruimd, haar bankpas, pincode en sleutels ingeleverd, afscheid genomen van het personeel en de relaties geïnformeerd over haar vertrek per 13 juli 2012. De rechtbank acht niet van belang dat zij tot 13 september 2012 ingeschreven heeft gestaan als bestuurder in het handelsregister. De rechtbank vermindert de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 23.479.

(Bron: Pleinplus)

Naheffing omdat bv niet meer voldeed aan concerneis

De belastingschuld ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak ontstaat op het moment dat de bv niet meer voldoet aan de concerneis voor toepassing van de interne reorganisatievrijstelling en niet op het moment van de verkrijging. De fiscus kan de niet voldane overdrachtsbelasting naheffen tot vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Als een vennootschap binnen drie jaar na verkrijging van een onroerende zaak van een gelieerde bv niet meer tot het concern behoort, vervalt de verleende vrijstelling wegens interne reorganisatie. In dat geval is de verkrijger van de onroerende zaak alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd. In een zaak voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of de inspecteur de naheffingsaanslag op tijd had opgelegd aan een bv die niet meer voldeed aan de concerneis. De bv verkreeg op 31 december 2004 het juridische eigendom van een pand van haar dochter en paste daarbij de vrijstelling voor interne reorganisatie toe. De economische eigendom was sinds 1994 in handen van een niet-gelieerde bv. Op 31 december 2004 droeg de bv ook de aandelen in haar dochter over aan haar moeder. De moeder droeg deze aandelen op 1 maart 2007 over aan een niet-gelieerde bv. De bv (verkrijger) maakte als gevolg hiervan geen deel meer uit van het concern waartoe de dochter (vervreemder) behoorde. Hierdoor kwam de verleende vrijstelling te vervallen en kreeg de bv een naheffingsaanslag opgelegd. Deze naheffingsaanslag moest volgens het hof in stand blijven. Het hof besliste dat de belastingschuld voor de verkrijging op 31 december 2004 op 1 maart 2007 was ontstaan. De bevoegdheid van de inspecteur tot naheffing van overdrachtsbelasting in verband met die verkrijging, verviel vijf jaren na 31 december 2007, dus op 31 december 2012. De dagtekening van de naheffingsaanslag was 10 december 2010, zodat de inspecteur de naheffingsaanslag tijdig had opgelegd.

(Bron: Taxence)

De belangrijkste veranderingen in het arbeidsrecht

Ondernemers die personeel in dienst hebben, krijgen vanaf volgend jaar met de nodige wijzigingen in het arbeidsrecht te maken. Dat gaat behoorlijk op de schop. Een overzicht van wat er – naar alle waarschijnlijkheid – gaat veranderen.

1. Nieuwe ziektewet
Werkgevers gaan vanaf 1 januari 2014 betalen voor medewerkers met een tijdelijk contract die ziek uit dienst treden, of zich binnen 28 dagen na uitdiensttreding ziek melden. Hierbij wordt ook teruggekeken. U kunt worden doorbelast als u vanaf 2012 flexwerkers in dienst had waaraan een ziektewetuitkering is uitbetaald na het einde van hun dienstverband. Hoe diep u in de buidel moet tasten in het kader van de nieuwe Ziektewet – of Wet Beperking Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid Vangnetters (BeZaVa), is afhankelijk van het aantal mensen dat u in dienst had, of heeft.

2. Werknemer krijgt sneller recht op contract voor onbepaalde tijd

Mag u in de huidige situatie een medewerker nog maximaal drie tijdelijke contracten – in een periode van 36 maanden – aanbieden, met een tussenperiode van drie maanden plus een dag, straks wordt dat drie contracten in een periode van 24 maanden, met een tussenperiode van zes maanden, plus een dag. Verwachte ingangsdatum: 1 juli 2014.
3. Geen proeftijd meer in tijdelijke contracten
In tijdelijke contracten van maximaal zes maanden mag geen proeftijd meer worden afgesproken. Verwachte ingangsdatum: 1 juli 2014
4. Concurrentiebeding vervalt voor tijdelijke contracten
In een tijdelijk arbeidscontract mag geen concurrentiebeding meer worden afgesproken. Gedachte hierachter: werknemers in staat stellen om na ontslag toch bij de concurrent aan de slag te kunnen gaan, zodat ze wellicht sneller een baan vinden. Verwachte ingangsdatum: 1 juli 2014.

TIP: Wordt een tijdelijk contract stilzwijgend verlengd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd? Neem er dan een bepaling in op dat in dat geval wel een concurrentiebeding van toepassing is. Let op: de strekking van het beding moet dan ook al duidelijk zijn. Vergeet u deze bepaling in het tijdelijke contract op te nemen, dan kunt u op een later moment niet alsnog een concurrentiebeding afspreken.

En: neem in het tijdelijke contract ook op dat de medewerker geen rechten met betrekking tot een contract voor onbepaalde tijd kan ontlenen aan de bepaling over het concurrentiebeding.

5. Uitzendbeding verdwijnt
Maakt u regelmatig gebruik van uitzendkrachten? Zij krijgen op een gegeven moment – waarschijnlijk na anderhalf jaar – ook recht op een ‘normaal’ tijdelijk contract. Verwachte ingangsdatum: 1 juli 2014.
Veranderingen op langere termijn
1. Verplichte ontslagroute 
Kunt u nu nog kiezen of u van een werknemer via het UWV of de kantonrechter afscheid neemt, ongeacht de reden daarvoor: straks, waarschijnlijk per 1 juli 2015, verlopen ontslagaanvragen vanwege bedrijfseconomische redenen standaard via het UWV en ontbinding van het arbeidscontract vanwege persoonlijke redenen altijd via de kantonrechter.
2. WW wordt korter
De maximale termijn voor een WW-uitkering wordt vanaf 1 juli 2016 tot 2019 stapsgewijs teruggebracht van maximaal 38 maanden (drie jaar en twee maanden) tot maximaal twee jaar.
3. Reguliere – ongelimiteerde – ontslagvergoeding verdwijnt

Er komt een maximum ontslagvergoeding – nieuwe naam: ’transitievergoeding’ – van € 75.000,- (of een jaarsalaris voor wie meer dan dit bedrag per jaar verdient).

(Bron: De Zaak)

Niet blokkeren onjuiste aangiften maakt navordering onmogelijk

Hof Arnhem – Leeuwarden oordeelt dat de aanslagen onjuist zijn vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht. De inspecteur kan dan niet navorderen.

Belanghebbende, X, verhuurt een bedrijfspand aan E bv. De aandelen van E bv worden gehouden door A, de echtgenoot van X. X rekent het pand tot haar box 3-vermogen. In 2010 voert de inspecteur een boekenonderzoek uit bij E bv. Naar aanleiding van dit onderzoek legt de inspecteur navorderingsaanslagen op aan X. Volgens de inspecteur behoort het pand namelijk tot het box 1-inkomen van X. X is het daar op zich wel mee eens, maar wijst er op dat zij het pand in het verleden tot haar box 1-inkomsten heeft gerekend, maar dat de inspecteur dat toen heeft gecorrigeerd. In geschil is of de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen een fout heeft gemaakt.

Hof Arnhem – Leeuwarden oordeelt dat er geen sprake is van een kenbare ambtelijke fout. Het hof legt hierbij de tekst van art. 16 lid 2 onderdeel c AWR restrictief uit. Dit houdt volgens het hof in dat de inspecteur niet kan navorderen als de aanslag onjuist is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht. Vervolgens stelt het hof vast dat de navordering de inzichttoets niet doorstaat. Het hof overweegt hierbij dat uit het boekenonderzoek was gebleken dat de aan X opgelegde aanslagen onjuist waren en dat de ambtenaren die waren belast met de inhoudelijke toetsing van de aangiften hebben nagelaten de aangiften van X te blokkeren. Volgens het Hof is het niet-blokkeren van de aangiften het gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de behandelende ambtenaren in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht. Het hof vernietigt dan ook de navorderingsaanslagen.

(Bron: Taxlive)

 

Weekers wil knelpunten pensioen in eigen beheer oplossen met nieuwe fiscale reserve

Staatssecretaris Weekers heeft de mogelijkheden onderzocht om de gevolgen van het huidige verschil tussen commerciële en fiscale waarderingsregels bij pensioen in eigen beheer te verzachten. Een nieuwe fiscale reserve voor de oude dag die los komt te staan van het arbeidsrecht en de loonheffing, lijkt hem hiervoor het meest opportuun.

De staatssecretaris benoemt in zijn brief aan de Eerste en Tweede Kamer allereerst de knelpunten met betrekking tot pensioen in eigen beheer:

  • De waarderings- en berekeningssystematiek is ingewikkeld.
  • De fiscale regels in de winstsfeer voor waardering van de pensioenverplichting wijken af van de commerciële regels.
  • Voor het opstellen van de jaarrekening kunnen kleine rechtspersonen uitgaan van de fiscale gegevens (commercieel volgt fiscaal). Dit heeft tot gevolg dat het eigen vermogen van die rechtspersoon hoger lijkt dan het werkelijk is, waardoor wordt gedacht dat er ruimte is om dividend uit te delen. Dit kan ertoe leiden dat het pensioen voor de toepassing van de loonbelasting geacht wordt te zijn afgekocht en in de loonbelasting betrokken wordt.
  • Bij echtscheiding kan het zo zijn dat het pensioen tegen de waarde in het economische verkeer moet worden overgedragen aan een verzekeraar terwijl de reserve is berekend met inachtneming van de fiscale regels. De reserve kan dan niet toereikend zijn.
  • Bij extern eigen beheer kan het zo zijn dat uitgaven bij de werkmaatschappij gedeeltelijk niet aftrekbaar zijn terwijl de ontvangsten bij het pensioenlichaam (gedeeltelijk) in de winst worden betrokken.
  • Voor de heffing van loonbelasting wordt uitgegaan van de werkelijke waarde van de aanspraak, terwijl voor de vennootschapsbelasting de fiscale waarde uitgangspunt is.

 

Vervolgens meldt Weekers dat hij – naast het volgens hem onwenselijke ongewijzigd laten of het afschaffen van pensioen in eigen beheer – een drietal opties heeft onderzocht:

1.       Fiscale pensioenverplichting op commerciële basis berekenen

2.       De fiscale pensioenverplichting uitgangspunt voor een herrekening pensioenaanspraken.

3.       Invoeren van een nieuwe vorm van een oudedagsreserve

De eerste variant levert volgens Weekers te grote negatieve budgettaire consequenties op. De tweede variant zal slechts tijdelijk en niet structureel een oplossing bieden. Herrekening lost wel het acute knelpunt op dat geen dividend kan worden uitgekeerd. De staatssecretaris vindt dat de derde variant, waarbij een fiscale reserve voor de oude dag wordt geïntroduceerd die los komt te staan van het arbeidsrecht en de (sancties in de) loonheffingsfeer, het meest tegemoet komt aan de wens van de ondernemer om de voor de oude dag gereserveerde gelden beschikbaar te houden voor de financiering van de onderneming. Deze oplossing leidt bovendien tot minder uitvoeringskosten voor de Belastingdienst. Weekers geeft aan graag verder in discussie te gaan met beide Kamers over deze problematiek.

Uitzendwerk telt niet mee bij toepassen flexwet

De tijd die iemand als uitzendkracht heeft gewerkt voor een organisatie, telt niet mee bij de toepassing van de zogenoemde flexwet.

Dat heeft de Centrale Raad van Beroep gisteren beslist. De CRvB volgt hiermee een uitspraak die het Hof van Justitie van de Europese Unie in april deed in een Italiaanse zaak.

Vier contracten

Het gaat in de Nederlandse zaak om een vrouw die eerst vier contracten als uitzendkracht bij een gemeente heeft gehad. Daarna kreeg ze een tijdelijke aanstelling voor een jaar als ambtenaar bij die gemeente. Zij stelt dat die aanstelling haar vijfde contract op rij is voor dezelfde functie, hetzelfde werk, hetzelfde salaris en onder hetzelfde gezag. Met een beroep op de zogenoemde flexwetgeving en de civiele sector, stelt betrokkene dat in haar geval de tijdelijke aanstelling geldt als een vast dienstverband. Die flexwetgeving houdt in dat na drie contracten voor bepaalde tijd, het vierde contract automatisch voor onbepaalde tijd gaat gelden.

Uitzendperiode

De CRvB vindt het te ver gaan om de wettelijke bescherming van flexwerkers ook van toepassing te laten zijn bij werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst, die voorafgingen aan de tijdelijke aanstelling als ambtenaar. Het niet meetellen van de uitzendperiode is ook niet in strijd met het EU-recht. Verwezen wordt naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 april 2013 in de zaak Oresta Della Rocca tegen Poste Italiane SpA (kenmerk C-290/12). In die uitspraak oordeelde het Hof van Justitie dat de EU-regels ter bescherming van flexwerkers niet van toepassing zijn op uitzendkrachten. Daarbij maakt het niet uit onder welke omstandigheden iemand uitzendwerk verricht. Dat betrokkene uitzendwerk deed ter vervanging van afwezige personeelsleden, doet dus niet terzake.

Bezuigingen

De Centrale Raad van Beroep ziet ook geen andere redenen waarom betrokkene aanspraak kan maken op voortzetting van haar dienstverband. Het standpunt van de Commissie Gelijke Behandeling dat sprake zou zijn van discriminatie op grond van de godsdienstige overtuiging van betrokkene, volgt de Raad niet. Er bestond juist grote tevredenheid over het functioneren. De beëindiging kan volgens de Centrale Raad van Beroep worden teruggevoerd op de bezuinigingen die de gemeente moest doorvoeren. Het beroep van betrokkene is dus terecht ongegrond verklaard.

Eindoordeel

Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is een eindoordeel. Partijen kunnen tegen deze uitspraak geen hoger beroep instellen.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Bron: persbericht Centrale Raad van Beroep

Kennisvouchers en innovatiekredieten voor MKB in Twente

Twentse ondernemers kunnen tot en met 2017 een beroep doen op de regeling Kennisvouchers en Innovatiekredieten voor Twentse mkb-bedrijven (KIT). Het doel van deze regeling is Twentse mkb-bedrijven te ondersteunen om vanuit bestaande activiteiten innovatieve producten, diensten of processen in de sectoren duurzaamheid, veiligheid of zorg te ontwikkelen.

Het budget voor de regeling bedraagt 5 miljoen euro. Dit geld is afkomstig uit het Twentse fonds Innovatie in Gemeenten van Regio Twente. De kennisvouchers zijn bestemd voor mkb-bedrijven tot 50 medewerkers. De vouchers kunnen zowel ingewisseld worden bij kennisinstellingen als bij bedrijven die ondersteuning bieden aan innovatie door mkb’ers. De vraag van de ondernemer is hierbij leidend. Met de voucher kan de ondernemer maximaal 50 procent van de kosten van een kennisvraag tot een maximumbedrag van 5.000 euro (inclusief btw) vergoed krijgen.

Innovatiekrediet

De innovatiekredieten zijn bestemd voor mkb-ondernemingen met niet meer dan 249 medewerkers, voor financiering van innovatieve projecten die leiden tot nieuwe producten, diensten of processen die snel in de markt kunnen worden gezet.

Het krediet bedraagt maximaal 150.000 euro Ondernemers kunnen een kennisvoucher of innovatiekrediet, aanvragen bij Kennispark Twente. Vanuit Kennispark Twente wordt u verder ondersteund. Aanvragen worden beoordeeld door een onafhankelijke commissie.

(Bron: Overheid)

Geen verliesverrekening zonder beschikking

Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat vennootschappen hun verliezen alleen kunnen verrekenen voor zover deze verliezen zijn vastgesteld in een beschikking

In deze zaak had een bv na haar oprichting zich niet gemeld als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting. Over de jaren 1995 tot en met 1998 leed zij alleen maar verliezen en ontving geen uitnodiging tot het doen van aangifte. De inspecteur stelde evenmin een aanslag of een verlies vast. De bv diende haar aangifte vennootschapsbelasting over 1999 pas in nadat zij in het jaar 2000 een verzoek om inlichtingen had ontvangen van de fiscus. Daarbij stelde zij dat de belastingdienst haar verrekenbare verlies per ultimo 1998 moest stellen op ruim ƒ 625.000 (ongeveer € 284.000). Bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting over 2008 hield de inspecteur echter alleen rekening met de verliezen die de bv had geleden in de periode van 1999 tot en met 2007. De bv ging in beroep, maar de rechtbank wees haar erop dat de verliezen uit boekjaren die zijn begonnen vanaf 1995 alleen te verrekenen zijn als ze zijn vastgesteld in een beschikking. Nu deze verliesbeschikking ontbrak voor de verliezen van 1995 tot en met 1998 konden de verliezen van vóór 1999 niet worden verrekend. De bv stelde nog dat dit in strijd was met de totaalwinstgedachte van de vennootschapsbelasting, maar de rechtbank wees dit af.

(Bron: Taxence)

Te laat deponeren publicatiestukken: Vraag of sprake is van onbelangrijk verzuim ziet op taakvervulling door gehele bestuur

De bepaling van art. 2:248 lid 2 BW dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen, heeft betrekking op de vraag of sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur en niet op het aandeel in die onbehoorlijke taakvervulling van de individuele bestuurder.

Verify International Holding BV (VIH) is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Verify Nederland BV (Verify Nederland) en van Verify Europe BV (Verify Europe). X tot 21 februari 2005 bestuurder van VIH geweest. De aandelen in VIH werden gehouden door Verify Marketing Information Services NV te Curaçao (VMIS). Begin 2005 is de zeggenschap over VMIS in andere handen gekomen. Daaraan is vanaf het najaar 2004 een uitgebreid due diligence onderzoek bij genoemde vennootschappen voorafgegaan. Vanaf 21 februari 2005 is Y enig bestuurder van VIH geweest. Op 28 juli 2005 zijn VIH, Verify Nederland en Verify Europe failliet verklaard.

De curator vordert veroordeling van X tot betaling van de faillissementstekorten van de drie gefailleerde vennootschappen. X zou deze kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd (art. 2:248 BW), bij Verify Nederland en Verify Europe als beleidsbepaler (art. 2:248 lid 7 BW). De jaarstukken over 2003 van VIH, Verify Nederland en Verify Europe zijn niet voor de uiterste datum van 1 februari 2005 maar, wat de eerste twee vennootschappen betreft, op 10 februari 2005 en, wat de laatste betreft, op 3 augustus 2005 gepubliceerd (dus 10 dagen, respectievelijk 6 maanden te laat).

De rechtbank heeft de vordering van de curator afgewezen en het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Met betrekking tot de overschrijding van de uiterste datum voor publicatie van de jaarstukken 2003 van Verify Europe met ruim zes maanden heeft het hof in aanmerking genomen dat die overschrijding maar voor drie weken samenvalt met de periode dat X indirect bestuurder van Verify Europe was, dat Verify Europe slechts enige maanden voor die uiterste datum door VIH was overgenomen en dat bij de overname niet eraan is gedacht om na te gaan of zij wel aan haar publicatieplicht over 2003 had voldaan. Ook had Verify Europe ten tijde van de overname geen schulden, afgezien van een rekening-courantschuld aan de vorige aandeelhouder. Het hof was daarom van oordeel dat de overschrijding van de termijn voor de duur van drie weken moet worden gekwalificeerd als een onbelangrijk verzuim art. 2:248 lid 2 slotzin BW.

Wat betreft de overschrijding van de publicatietermijn van de jaarstukken 2003 van VIH en Verify Nederland met tien dagen heeft het hof de korte duur van die overschrijdingen in aanmerking genomen en geoordeeld dat X een plausibele verklaring heeft gegeven voor de overschrijding, namelijk dat de accountant van de vennootschappen in de periode tot medio februari 2005 zijn tijd bijna uitsluitend heeft moeten besteden aan het due diligence onderzoek ten behoeve van de overdracht van de certificaten in VMIS, waardoor hij pas later aan de jaarstukken is toegekomen.

Hoge Raad – onbelangrijk verzuim ziet op taakvervulling gehele bestuur
De Hoge Raad is van oordeel ’s hofs oordeel dat sprake is van een onbelangrijk verzuim met betrekking tot de publicatie van de jaarstukken van Verify Europe, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Bij kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 leden 1 en 2 BW gaat het om de taakvervulling door het bestuur van de vennootschap. Bij de toepassing van het artikel moet dan ook eerst worden onderzocht of sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Is dat het geval, dan is op grond van art. 2:248 lid 1 BW in beginsel ieder van de individuele bestuurders jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor die onbehoorlijke taakvervulling.

Art. 2:248 lid 3 biedt de individuele bestuurder vervolgens de mogelijkheid zich te disculperen. Daarvoor moet hij bewijzen dat het onbehoorlijke bestuur niet aan hem te wijten is geweest en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
Art. 2:248 lid 4 tweede zin BW geeft de rechter voorts de mogelijkheid tot matiging van het bedrag van de aansprakelijkheid van de individuele bestuurder, onder meer in verband met de tijd waarin die bestuurder in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond.

De bepaling van art. 2:248 lid 2 BW dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen, heeft betrekking op de vraag of sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur en niet op het aandeel in die onbehoorlijke taakvervulling van de individuele bestuurder. Het hof heeft zich bij zijn oordeel dat sprake is van een onbelangrijk verzuim, dan ook niet kunnen beperken tot de drie weken waarin X nog beleidsbepaler bij Verify Europe was. Het had de gehele periode van de overschrijding van de publicatietermijn in zijn beoordeling moeten betrekken.

Korte termijnoverschrijding, plausibele verklaring
Wat betreft de publicatie van de jaarstukken 2003 van VIH en Verify Nederland overweegt de Hoge Raad dat van een onbelangrijk verzuim sprake is indien het niet voldoen aan de verplichtingen in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het gaat om een overschrijding van de termijn voor openbaarmaking van de jaarrekening (art. 2:394 lid 3 BW), hangt het de vraag of sprake is van een onbelangrijk verzuim, af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid. Daarbij moeten hogere eisen worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en rusten stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder (HR 12 juli 2013, HR:2013:BZ7189).

Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de relatief korte duur van die overschrijding en op zijn vaststelling dat X een plausibele verklaring voor die overschrijding heeft gegeven. Dit is naar oordeel van de Hoge Raad in overeenstemming met de genoemde maatstaven, die meebrengen dat in geval van een relatief korte overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW geen hoge eisen zijn te stellen aan de verklaring die daarvoor wordt gegeven (HR 11 juni 1993, NJ 1993, 713 en HR 2 februari 1996, NJ 1996, 406).

De Hoge Raad wijst erop dat na verwijzing opnieuw moet worden beslist over de vordering van de curator voor zover gebaseerd op de overschrijding van de publicatietermijn voor de jaarstukken 2003 van Verify Europe. De verweren van X, waaronder het in zijn stellingen besloten liggende beroep op art. 2:248 lid 3 en 4 BW moeten dan opnieuw (of alsnog) worden behandeld. In verband daarmee wijst de Hoge Raad erop dat de individuele bestuurder zich in het geval van art. 2:248 lid 2 BW kan disculperen door aan te tonen dat hem ter zake van de te late publicatie geen verwijt treft (Kst. II 1980-1981, 16 631, nr. 3, p. 5).

(Bron: Scherp in ondernemingsrecht)