Pas afroommethode als loon ongebruikelijk is

Werkt u als dga voor uw bv, dan moet u voldoen aan de regels voor het gebruikelijk loon. Voor het beoordelen van de hoogte van het gebruikelijk loon gebruikt de Belastingdienst vaak de afroommethode. Rechtbank Den Haag heeft echter recent aangegeven dat de fiscus deze methode niet zomaar mag toepassen.

De inspecteur mag de afroommethode toepassen als de opbrengsten van de bv nagenoeg geheel het gevolg zijn van de werkzaamheden van de directeur-grootaandeelhouder (dga). In deze zaak hield de bv zich bezig met communicatiemanagement. De dga was de enige werknemer van de bv. In 2012 had de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften loonheffingen over 2007 tot en met 2011. De inspecteur corrigeerde de aangifte over 2007, 2009 en 2010, omdat hij vond dat het gebruikelijk loon op basis van de afroommethode hoger moest zijn. De bv vond deze correctie niet terecht, omdat het loon niet veel afweek van het loon bij soortgelijke dienstbetrekkingen. Daar had de inspecteur onterecht niet naar gekeken.

Onderzoek loon bij soortgelijke dienstbetrekkingen

De rechtbank vond dat de inspecteur de afroommethode mocht toepassen, maar dan moest hij wel eerst bewijzen dat het loon in belangrijke mate afweek van het loon dat in het economische verkeer gebruikelijk was. De inspecteur had daar echter geen onderzoek naar gedaan en kon deze bewijzen dus niet leveren. Het loon voor een soortgelijke dienstbetrekking lag volgens de dga tussen de € 30.000 en € 69.000 per jaar. Het toegekende loon week daar niet in belangrijke mate van af. Een correctie van het loon was dus niet op zijn plek. De inspecteur kwam daardoor helemaal niet toe aan de afroommethode. De naheffingsaanslagen waren dus niet terecht. In het februarinummer van Fiscaal Rendement kunt u meer lezen over het toepassen van de afroommethode.

Splitsingsregels btw-aftrek bij gemengd gebruik

Voor goederen en diensten die zowel voor btw-belaste als voor btw-vrijgestelde handelingen worden gebruikt, moet de btw-aftrek worden bepaald op basis van de omzetverhoudingen of op basis van werkelijk gebruik. Een combinatie van beide splitsingsregels is niet mogelijk.

Gemengd gebruik

Ondernemers die goederen en diensten gemengd gebruiken voor btw-belaste en btw-vrijgestelde prestaties moeten met dit gebruik rekening houden bij het bepalen van het recht op btw-aftrek. De ondernemer moet nagaan of de goederen en diensten volledig worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Alleen in dat geval heeft hij immers recht op btw-aftrek. Als de goederen of diensten voor vrijgestelde prestaties worden gebruikt, bestaat er geen recht op btw-aftrek. Hij zal dus een splitsing moeten maken.

 

Toerekening

Maar hoe vindt deze splitsing plaats? Als hoofdregel geldt dat de kosten zo veel mogelijk moeten kunnen worden toegerekend aan bepaalde prestaties. Kosten die volledig betrekking hebben op de btw-belaste prestaties, kan de ondernemer volledig in aftrek brengen. Hij moet daarbij vooral kijken of een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat tussen de kosten en de prestatie. De kosten moeten in feite een bestanddeel van de prijs van de prestatie vormen.

 

Gemengde kosten

Naast direct toerekenbare kosten zal de ondernemer ook gemengde kosten hebben. Deze kosten kunnen niet direct worden toegerekend aan btw-belaste prestaties óf btw-vrijgestelde prestaties. Zij hebben betrekking op beide prestaties. De gemengde kosten (en de btw) moeten in dat geval worden toegerekend op basis van omzetverhoudingen of het werkelijk gebruik.

 

Pro rata

De toerekening moet in eerste instantie plaatsvinden op basis van omzetverhoudingen exclusief btw (pro rata). Deze methode wordt bepaald door een breuk, waarbij de teller bestaat uit de btw-belaste omzet en de noemer uit de totale omzet. De uitkomst van de breuk is het aftrekbare gedeelte. De omzet van het afstoten van gebruikte bedrijfsmiddelen mag niet als omzet worden meegenomen in de breuk. Ook ontvangen subsidies die niet de vergoeding voor een prestatie vormen, blijven buiten beschouwing. Het gaat in de breuk alleen om de omzet uit exploitatie.

 

Werkelijk gebruik

Het kan gebeuren dat de omzetverhoudingen een afwijkend beeld geven van de werkelijkheid. Om de werkelijkheid te toetsen kan men kijken naar oppervlakte-, inhoudsverhoudingen of tijdbesteding. Toerekening van de btw op kosten naar werkelijk gebruik is dus alleen mogelijk voor kosten waarvan objectief en nauwkeurig kan worden bepaald in welke mate ze op elke ruimte betrekking hebben. Als uitgangspunt geldt dat de partij (belastingplichtige of belastinginspecteur) die het werkelijk gebruik wil toepassen, dit werkelijk gebruik aannemelijk moet maken.

 

Combinatie niet mogelijk

De rechter moet zich regelmatig uitspreken over de vraag op welke basis gemengde kosten moeten worden verdeeld: op omzetverhouding of op werkelijk gebruik. Dit was ook de vraag in een zaak die een fiscale eenheid aanspande. Het ging om een holding die het kantoorgedeelte van haar pand verhuurde aan twee dochter-bv’s. De ene bv exploiteerde een makelaarskantoor (btw-belaste prestatie) en de andere bv een assurantiebemiddelingskantoor (vrijgestelde prestatie). Een aantal ruimten werd gebruikt voor uitsluitend belaste óf vrijgestelde prestaties en de overige ruimten werden gemengd gebruikt. De holding ging voor de ruimten die niet gemengd werden gebruikt uit van het werkelijk gebruik op basis van objectieve en nauwkeurige gegevens (vierkante meters) en voor de gemengd gebruikte ruimten van de omzetverhouding. De Hoge Raad besliste dat de holding de pro ratamethode óf het werkelijk gebruik als maatstaf voor toerekening van de btw-aftrek moest nemen. Een combinatie van beide methoden is niet mogelijk. Voor het toepassen van het ‘werkelijk gebruik’ als maatstaf moet namelijk het werkelijk gebruik van het goed als geheel in aanmerking worden genomen. Nu de holding het werkelijk gebruik van de gemengd gebruikte ruimten niet kon aantonen, moest zij de btw-aftrek berekenen op basis van de omzetverhoudingen (pro ratamethode).

Leeftijdsonderscheid bij werving toegestaan

U mag de komende twee jaar vacatureteksten opstellen waarin u specifiek vraagt naar jongeren tussen 18 en 27 jaar. Dit is een uitzondering op de regel dat u bij werving en selectie geen onderscheid mag maken naar leeftijd. De uitzondering is bedoeld om de jeugdwerkloosheid te bestrijden.

Onderscheid maken op grond van leeftijd is alleen toegestaan als daar een objectieve rechtvaardiging voor is, bijvoorbeeld als er sprake is van:

  • werkgelegenheid- of arbeidsmarktbeleid dat in wettelijke regelingen is vastgelegd;
  • een zwaarwegend bedrijfsbelang, bijvoorbeeld als uw organisatie in zwaar weer verkeert;
  • een andere goede reden voor het leeftijdonderscheid.

Noem ‘bestrijding jeugdwerkloosheid’ in vacaturetekst

Van 1 januari 2014 tot 1 januari 2016 mag u vacatures plaatsen waarin u specifiek zoekt naar jongeren van 18 tot 27 jaar. De vacature moet zich wel richten op de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Neem daarom de volgende zin in de vacaturetekst op: ‘Dit is een vacature voor jongeren van 18 tot 27 jaar in het kader van de ‘Aanpak jeugdwerkloosheid’.’
De tijdelijke regeling maakt deel uit van de ‘Aanpak jeugdwerkloosheid’ die is vastgelegd in de Begrotingswet 2014 en 2015. De overheid wil met de maatregel voorkomen dat jongeren door de crisis werkloos blijven of worden.

(Bron: HR Rendement)

Wanneer is een fout ‘kenbaar’? De Hoge Raad oordeelt

Als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout die bij de belastingplichtige ‘redelijkerwijs kenbaar’ is, mag de fiscus navorderen zonder nieuw feit. De Hoge Raad geeft aan dat alleen fouten die in één oogopslag te zien zijn, tot de kenbare fouten behoren.

De Hoge Raad sluit zich voor de uitleg van het begrip ‘redelijkerwijs kenbaar’  volledig aan bij wat daarover in de wetsgeschiedenis aan de orde is geweest. Kenbaar moet worden opgevat in de gebruikelijke zin van te kennen, te onderkennen, te onderscheiden. De belastingplichtige moet als het ware in één oogopslag (hebben) kunnen zien dat de belastingaanslag niet juist is. In deze zaak ging het om een aanslag rioolheffing waarop een bedrag van € 235 was vermeld. Dit had € 258 moeten zijn, waarna de gemeente een navorderingsaanslag oplegde van € 23. Maar de enkele vermelding van een bedrag aan rioolheffing van € 235 is niet van dien aard dat daarmee voor een belastingplichtige onmiddellijk duidelijk had moeten zijn dat de aanslag onjuist is, zo oordeelt de Hoge Raad. Het raadplegen van de bijsluiter, waarnaar op het aanslagbiljet wordt verwezen ‘voor verdere informatie’, en van de daarin vermelde website, lag niet voor de hand. De navorderingsaanslag moest worden vernietigd.

(Bron: Taxence)

Voor BV betaalde aflossing van lening was bij DGA aftrekbaar resultaatsinkomen

Een bank verstrekte in december 2004 aan BV Y, waarvan X enig aandeelhouder (DGA) was, een lening van € 200.000. X was daarbij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de verplichtingen uit hoofde van de geldlening. De bank bedong als zekerheid een hypotheek van € 200.000 op het woonhuis van X. BV Y stelde zelf geen zekerheden. In de loop van 2006 kon BV Y niet aan haar verplichtingen voldoen en in december 2006 stelde X de bank voor om tot de afwikkeling van de lening te komen. Dit resulteerde erin dat X in 2007 tegen finale kwijting € 160.000 aan de bank betaalde voor de aflossing van de schuld van BV Y. De betaling financierde X met een privélening van de bank. De inspecteur accepteerde de afboeking van € 160.000 en de rente hierover niet en ook niet de R/C-vordering die X ten laste van zijn resultaatsinkomen in 2007 had gebracht. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat er geen aanleiding was om te beslissen dat sprake was van een onzakelijke overeenkomst in de zin van een arrest van 25 november 2011. Het stond immers vast dat de lening in 2004 was aangegaan met de bank, dus met een onafhankelijke derde, en op dat moment geen sprake was van een onzakelijke lening. Het Hof was het met X eens dat geen sprake was van een situatie waarin duidelijk was dat BV Y het krediet in de toekomst niet zou kunnen terugbetalen. Door de aflossing van de schuld uit hoofde van de geldlening had X een regresvordering van € 160.000 op BV Y gekregen en deze vordering had geen onzakelijk karakter. De regresvordering behoorde tot het werkzaamheidsvermogen van X en wel vanaf het moment van het aangaan van de overeenkomst van geldlening in december 2004. Op het moment dat X in 2007 € 160.000 voldeed, deed hij een storting in zijn werkzaamheidsvermogen. Het Hof besliste dat X het bedrag van € 160.000 volledig ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kon brengen en ook de rente hierover. Het Hof besliste tot slot dat X de R/C-vordering niet ten laste van zijn resultaatsinkomen kon brengen omdat het direct duidelijk was dat BV Y niet in staat was om die terug te betalen, gelet op de solvabiliteit en liquiditeit van BV Y op het moment van de betalingen in 2007. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X op dit onderdeel ongegrond en voor het overige gegrond.

(Bron: FUTD)

Aftrek voorbelasting voor gemengd gebruikt bedrijfspand op basis van omzetten

De Hoge Raad oordeelt dat wil er plaats zijn voor het bezigen van de maatstaf van het werkelijke gebruik, het werkelijke gebruik van het goed als geheel in aanmerking moet worden genomen. De hoogte van de toegestane aftrek moet dus worden bepaald met behulp van de pro rata-methode.

Belanghebbende, de fiscale eenheid X Holding bv cs (hierna X bv), verricht voor de btw zowel belaste makelaars- als vrijgestelde assurantieactiviteiten. De omzetverhouding is respectievelijk 58% en 42%. In 2004 is een nieuw bedrijfspand in gebruik genomen. In het pand werken negen mensen. Vijf van hen verrichten makelaarswerk in kamers met een totale oppervlakte van 147 m². Eén medewerker verricht assurantiewerk in een kamer van 16 m². De overige medewerkers verrichten algemeen ondersteunend werk. In geschil is of de aftrek van voorbelasting inzake het pand moet worden bepaald op basis van de omzetverhouding c.q. pro rata-methode (standpunt inspecteur) of op basis van het werkelijke gebruik (standpunt X bv). Rechtbank Arnhem stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof Arnhem mag X bv voor de werkkamers aansluiten bij het werkelijke gebruik en voor de overige m² bij de omzetverhouding. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat wil er plaats zijn voor het bezigen van de maatstaf van het werkelijke gebruik, het werkelijke gebruik van het goed als geheel in aanmerking moet worden genomen. Het hof is dus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Voor het hof heeft X bv met betrekking tot de gemengd gebruikte ruimten geen gegevens gesteld of aangeleverd op grond waarvan het werkelijke gebruik objectief en nauwkeurig kan worden bepaald. X bv voldoet dus niet aan de op haar rustende bewijslast. Met de vaststelling dat 147 m², dat als geheel 360 m² beslaat, wordt gebruikt voor belaste makelaarsactiviteiten, blijkt niet in hoeverre het gebruik van het kantoorgedeelte als geheel, in werkelijkheid afwijkt van het op basis van de pro rata-methode aangenomen gebruik. De hoogte van de toegestane aftrek moet dus worden bepaald met behulp van de pro rata-methode. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

(Bron: Taxlive)

De nieuwe Ziektewet: om ziek van te worden.

Inleiding

Op 1 januari 2013 is de Wet Beperking Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid Vangnetters (BEZAVA) ingevoerd. De invoering van deze wetswijziging heeft grote financiële gevolgen voor werkgevers indien een werknemer ziek uit dienst gaat. Per 1 januari 2014 is de gedifferentieerde premie ingegaan, de hoogte van die premie is echter reeds bepaald op basis van de Ziektewetinstroom van werkgevers in 2012.

Wat beoogt de wetgever met deze wet?

De wetgever beoogt met deze wet, die ook wel bekend staat als “Modernisering Ziektewet” de werkhervatting van zieke werknemers zonder werkgever te stimuleren, maar ook het langdurig ziekteverzuim terug te dringen en de instroom van Ziektewet (ZW) – gerechtigden in de Wet WIA te voorkomen.

Wat zijn de voornaamste gevolgen voor werkgevers?

De voornaamste gevolgen zijn dat werkgevers vanaf 1 januari 2014 financieel verantwoordelijk worden voor werknemers die ziek uit dienst gaan. Werkgevers worden echter ook verantwoordelijk voor hun ex – werknemers die binnen vier weken na uitdiensttreding ziek worden en deze ex- werknemers op dat moment geen andere werkgever hebben en ook geen WW-uitkering ontvangen. De gevolgen zijn groot, want in theorie kunnen de kosten van een werknemer die één dag heeft gewerkt, 12 jaar lang aan u als werkgever worden doorbelast.

Wanneer is de wet van toepassing?

De nieuwe wet is van toepassing op flexwerkers (zoals bijvoorbeeld uitzendkrachten, stagiaires, thuiswerkers) maar is ook van toepassing op ex werknemers die een tijdelijk of vast dienstverband hadden en ziek uit dienst gaan en die werknemers op het moment van ziek worden geen andere werkgever hebben en ook geen WW-uitkering ontvangen.

Voor deze laatste groep werknemers geldt, dat indien zij vallen onder de Ziektewet, zij onder de Wet Modernisering Ziektewet vallen en de kosten van de ZW- en WGA- uitkeringen kunnen worden toegerekend aan de ex werkgever. Toerekening vindt plaats op basis de eerste ziektedag. Indien deze eerste ziektedag binnen het dienstverband ligt of binnen 4 weken na uitdienstreding dan kan deze uitkeringslast dus worden toegerekend aan de ex – werkgever.

Wat kunt u doen?

Ik adviseer u goed na te gaan of uw verzuimbeleid nog adequaat is en is ingesteld op de nieuwste wetswijzigingen. Dit geldt eveneens voor de thans geldende arbeidsovereenkomsten en eventuele beëindigingsovereenkomsten die u sluit met uw ex – werknemers. Verder adviseer ik u het volgende:

–       Maak aanpassingen in de arbeidsovereenkomst of het bedrijfsreglement. Neem hierin de verplichting voor de werknemer op om mee te werken aan re-integratie en de verplichting tot melding van ziekte na uitdiensttreding. Een ziekmelding binnen 4 weken na uitdiensttreding komt volgens de nieuwe regels ten laste van de oude werkgever;

–       Indien u een beëindigingsovereenkomst sluit met uw werknemer, neem dan een postcontractueel beding op, waarbij u met uw ex werknemer overeenkomt dat hij in geval van ziekte binnen 4 weken na uitdienstreding zich bij u moet ziekmelden. Indien contractueel mogelijk, adviseer ik u de zieke werknemer echter nog even in dienst te houden opdat u de re-integratie goed en spoedig kunt begeleiden;

–          Administreer iedereen met een tijdelijk contract die ziek uit dienst gaat. Op die manier is het in een later stadium makkelijker te controleren of de UWV nota klopt.

–          Maak ook goede afspraken met de arbodienst. Vaak stopt de arbodienst met eventuele re-integratie op het moment dat een werknemer ziek uit dienst gaat. Dit kan nu grote financiële gevolgen voor uw onderneming hebben. Het is daarom belangrijk om te controleren of de arbodienst de meldingen blijft administreren en eventuele re-integratie begint of blijft volgen;

–          Laat u ten slotte adviseren of het zinvol is eigen risicodrager te worden voor de ZW, waarbij u dan zelf het risico gaat dragen voor arbeidsongeschiktheid van uw ex werknemers.

(Bron: Didi Kuijf-Later)

Afnemen adviesdienst uit derdeland belast in Nederland

Als een Nederlands lichaam bepaalde diensten, bijvoorbeeld advisering, afneemt van een ondernemer die buiten de EU is gevestigd, kan het zijn dat het lichaam de btw moet opgeven. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze regeling is toegestaan onder het Europees recht.

De zaak voor het hof was aangespannen door een Nederlandse bv die een naheffingsaanslag btw had ontvangen. Deze bv was een tussenhoudstermaatschappij die geen btw-ondernemer was. De bv had adviesdiensten afgenomen van ondernemers uit Canada en de Verenigde Staten. Volgens de Nederlandse wet worden deze diensten geacht in Nederland te zijn verleend als de dienstverlener buiten de EU woont of is gevestigd en de afnemer een Nederlands lichaam is. Daarnaast moet het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie plaatsvinden in Nederland. Overigens leidt zo’n situatie in beginsel tot verlegging naar de afnemer. De tussenhoudstermaatschappij stelde dat de bovenstaande regeling in strijd was met het Europees recht. Maar aan de hand van de wetsgeschiedenis en de Franse versie van de Zesde Richtlijn (de voorloper van de huidige BTW-richtlijn) oordeelde het hof dat de Nederlandse regel binnen de grenzen van het Europees recht bleef. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd.

Bestuurder aansprakelijk voor grote aansluitverschillen bij administratiekantoor

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat de heer X zich ten onrechte beroept op de melding betalingsonmacht uit 2004, aangezien eind 2005/begin 2006 de toenmalige belastingschulden geheel waren voldaan. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

De heer X (belanghebbende) is sinds 1995 enig aandeelhouder en bestuurder van B bv. Deze bv is sinds 2001 bestuurder/aandeelhoudster van D bv. Sinds 2002 is D bv op haar beurt bestuurder/aandeelhoudster van A bv. In geschil is of X door de ontvanger terecht aansprakelijk is gesteld voor de BTW-schuld van A bv , die een administratiekantoor exploiteert. Na de overname door D bv en de gewijzigde – meer commerciële – bedrijfsvoering liep een groot deel van de klanten weg. Bij een boekenonderzoek blijkt dat de administratie van A bv niet goed op orde is en volgt naheffing van BTW. Rechtbank Arnhem stelt de ontvanger in het gelijk. X gaat in hoger beroep.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK IV, 5 maart 2013, 12/00305, V-N 2013/34.1.4) oordeelt dat X zich ten onrechte beroept op de melding betalingsonmacht uit 2004, aangezien eind 2005/begin 2006 de toenmalige belastingschulden geheel waren voldaan. X stelt voorts vergeefs dat de ontvanger op de hoogte was van de slechte financiële situatie van A bv. Er is namelijk sprake van opzet of grove schuld. X is als middellijk bestuurder verantwoordelijk voor de grote aansluitverschillen in de administratie. X maakt niet aannemelijk dat het niet kunnen melden van de betalingsonmacht niet aan hem is te wijten. Het beroep van X is ook voor het overige ongegrond. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

In 2014 opnieuw fiscaal voordeel met Energie-investeringsaftrek

Op 30 december is de Energielijst 2014 gepubliceerd. De lijst bevat meer dan 160 energiebesparende technieken die aanmerking voor Energie-investeringsaftrek (EIA).

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) actualiseert deze lijst elk jaar. De EIA is een fiscale regeling en biedt bedrijven de mogelijkheid voor fiscaal voordeel bij het nemen van energiebesparende maatregelen. In 2014 is het EIA budget 111 miljoen euro.

EIA niet meer in combinatie met SDE+

In het SER-energieakkoord is afgesproken dat bedrijven geen gebruik mogen maken van zowel de EIA als de SDE+. Dit om stapeling van financiële- en fiscale steun voor duurzame energie te voorkomen.

Overgangsregime

Voor installaties waaraan vóór 2014 wel SDE(+) subsidie is toegekend en die nog geen EIA hebben aangevraagd, geldt een overgangsregime. In dit overgangsregime is bepaald dat bedrijven voor deze projecten nog wel EIA kunnen aanvragen.

8 nieuwe technieken

Elk jaar actualiseren wij de Energielijst op basis van innovaties in de markt en ontwikkelingen op het gebied van normen en keurmerken. Het bedrijfsleven doet zelf ook voorstellen voor aanvullingen op de Energielijst. In 2014 zijn 8 nieuwe technieken aan de lijst toegevoegd, deze staan in de Energielijst 2014 beschreven.

Nieuw: vleugelvoortstuwing binnenvaart

Vanaf 1 januari 2014 komt vleugelvoortstuwing voor binnenvaartschepen in aanmerking voor fiscaal voordeel. Deze bewezen en energiebesparende techniek zorgt voor een efficiëntere voortstuwing van een schip ten opzichte van het schip dat met een schroef wordt voortgestuwd. Ook voor technieken die niet specifiek op de lijst staan maar voldoende energie besparen kunnen bedrijven EIA aanvragen.

Verhoging drempelbedrag

Uit de vijfjaarlijkse evaluatie van de EIA blijkt dat er veel kleine meldingen worden gedaan met een gering fiscaal voordeel. Om de administratieve lasten te verlagen wordt het drempelbedrag met ingang van 2014 verhoogd naar €2.500.

10% netto voordeel

Komt een investering voor de EIA in aanmerking? Dan mogen bedrijven 41,5% van de investeringskosten aftrekken van de fiscale winst. Bij een winstbelasting van 25% krijgt een ondernemer ongeveer 10% van het investeringsbedrag terug van de fiscus.

Over de EIA

De EIA is een fiscale stimuleringsregeling gericht op energiebesparing van de ministeries van Economische Zaken en Financiën. De Belastingdienst en RVO.nl voeren de regeling uit.

Energielijst online beschikbaar

De EIA Energielijst 2014 is op 30 december 2013 gepubliceerd in de Staatscourant. U kunt de lijst direct downloaden. Wilt u aanvullende informatie ga dan naar de webpagina van RVO.nl: de Energielijst.

.

Download:

Energie investeringsaftrek – Energielijst 2014