De STAK – ontwikkelingen rondom de Stichting Administratiekantoor

Wat is een STAK?

Een STAK is een instrument voor het administreren van aandelen. De STAK houdt daarbij de aandelen (van bijvoorbeeld een B.V.) voor de certificaathouders. De zeggenschap op de aandelen (en het juridische eigendom) rust bij de STAK en de waarde (het economische eigendom), vooral het recht op (dividend-) uitkeringen, komt toe aan de certificaathouders.

Bovenal is de STAK als rechtsvorm een stichting. Zij heet immers STAK, omdat het een STichting AdministratieKantoor betreft. Naast de administratievoorwaarden is de STAK daarmee gebonden aan de statuten en aan de wetgeving die geldt voor stichtingen. Dit geldt ook voor de bij de stichting betrokken personen, zoals de bestuurders en de certificaathouders.

In de wetgeving voor stichtingen zijn recent wijzigingen doorgevoerd. En er staan nog meer wijzigingen op stapel. In dit perspectief komen de wijzigingen aan de orde en leggen wij de betekenis daarvan voor de STAK uit.

Ubo-register

Sinds september 2020 kent Nederland een ubo-register. Ook stichtingen dienen hun ubo’s in dit register in te schrijven. Voor stichtingen die nu worden opgericht, geldt de inschrijfplicht direct. Stichtingen die op 26 september 2020 al bestonden hebben tot 27 maart 2022 de tijd.

Omdat de STAK een stichting is, geldt de inschrijfplicht ook daarvoor. Meestal zijn de certificaathouders geen ubo van de STAK. De waarde van de aandelen wordt namelijk direct toegerekend aan de certificaathouders, inclusief de uitkeringen op deze aandelen. Zij hebben daarom geen aanspraken jegens de STAK, aangezien die feitelijk alleen “doorgeefluik” is. Mogelijk kwalificeren de certificaathouders wel als ubo van de vennootschap waarvan de aandelen zijn gecertificeerd.

Veelal zullen de bestuurders van de STAK als pseudo-ubo moeten worden ingeschreven. Soms zijn de certificaathouders wel ubo, bijvoorbeeld via zeggenschap in de STAK. Een goede beoordeling is dus van belang. Zie voor meer informatie over het ubo-register ook de brochure van BDO.

Uitkeringenregister

Gelijktijdig met het ubo-register heeft de wetgever het uitkeringenregister ingevoerd. In dit interne register moeten stichtingen alle uitkeringen ten laste van hun vermogen opnemen, inclusief de gegevens van de ontvanger.

Dit register heeft voor de STAK weinig betekenis. Zoals gezegd, de waarde van de aandelen wordt direct toegerekend aan de certificaathouders. Hierdoor komen uitkeringen op de aandelen niet ten laste van het vermogen van de STAK. Aangezien een STAK verder geen vermogen zal hebben, zijn ook andere uitkeringen niet aan de orde.

Echter, de STAK heeft wel een algemene wettelijke administratieplicht. Daarom is het toch raadzaam om alle uitkeringen vast te leggen. Als juridische eigenaar betaalt de STAK namelijk formeel de uitkeringen op de aandelen door aan de certificaathouders.

Bestuur en toezicht

Op 1 juli aanstaande treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking. Zoals de titel al aangeeft, bevat de wet bepalingen inzake bestuur en toezicht voor onder andere stichtingen. Een deel van de bepalingen is voor een STAK niet relevant. Zo kent een STAK (vrijwel) nooit een raad van commissarissen of een andere vorm van toezicht.

Wel van belang zijn de volgende bepalingen:

  • tegenstrijdig belang: een bestuurder die bij een bestuursbesluit een eigen belang heeft, mag niet aan de besluitvorming daarover deelnemen;.
  • ontstentenis en belet: welke regels gelden als een bestuurder of commissaris tijdelijk (belet) of blijvend (ontstentenis) zijn taken niet kan uitvoeren?
  • doorslaggevend stemrecht: een bestuurder mag bij de besluitvorming in het bestuur niet meer stemmen hebben dan de andere bestuurders gezamenlijk.

Voor deze onderdelen is in ieder geval (op termijn) een statutenwijziging nodig.

Donatieregister

Eind 2020 is het Wetsvoorstel transparantie maatschappelijke organisaties bij de Tweede Kamer ingediend. Het doel is het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. Op hoofdlijnen omvat het wetsvoorstel twee onderwerpen. Het eerste betreft het intern vastleggen van donaties die van buiten de Europese Unie worden ontvangen. Omdat een STAK sowieso geen donaties ontvangt, laten wij dit onderwerp rusten.

Publicatie jaarstukken

Het tweede onderwerp is een publicatieplicht van jaarstukken. Treedt genoemd wetsvoorstel in werking, dan zal iedere stichting voortaan jaarlijks binnen tien maanden na afloop van een boekjaar haar jaarstukken (jaarrekening) moeten deponeren in het handelsregister. Dat geldt dus ook voor de STAK. Aan de jaarstukken worden geen nieuwe inhoudelijke eisen gesteld. Daarnaast zijn de stukken – anders dan bijvoorbeeld een jaarrekening van een B.V. – niet algemeen openbaar. Alleen bepaalde overheidsinstanties hebben inzage.

Waarschijnlijk gaat de publicatieplicht, afhankelijk van het wetgevingsproces, voor het eerst gelden voor boekjaar 2022.

(Bron: BDO)

De herinvesteringsreserve in coronatijd

Vastgoedbeleggers kunnen bij verkoop van beleggingsvastgoed de boekwinst doorschuiven naar een volgende investering met een fiscale faciliteit: de herinvesteringsreserve. Wanneer als gevolg van de coronacrisis niet tijdig aan alle voorwaarden kan worden voldaan, dreigt alsnog acute belastingheffing. Een overzicht van de herinvesteringsreserve in coronatijd en de recente handreiking van de Staatssecretaris van Financiën.

Herinvesteringsreserve in het kort:

Het vormen van een herinvesteringsreserve voorkomt acute belastingheffing bij verkoop: de boekwinst mag worden gereserveerd voor een toekomstige vervangende investering. Zo blijft belastingheffing (voorlopig) achterwege en kan de vastgoedbelegger dus over liquide middelen beschikken. De gereserveerde verkoopwinst wordt in mindering gebracht op de boekwaarde van de vervangende investering.

Dat resulteert in een lagere grondslag voor fiscale afschrijvingen. Fiscale afschrijvingen zijn in de praktijk veelal echter toch al zeer beperkt, omdat de fiscale boekwaarde als gevolg van deze afschrijvingen niet onder de WOZ-waarde mag dalen. De lagere fiscale boekwaarde resulteert bij een verkoop van de vervangende investering wel in een hogere fiscale boekwinst – maar zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, kan ook die boekwinst wederom worden gereserveerd voor een vervangende investering. Zo is de herinvesteringsreserve een behulpzame fiscale faciliteit om belastingheffing over verkoopwinsten (langdurig) uit te stellen.

Bedrijfsmiddel of voorraad:

Een belangrijk onderscheid dat moet worden aangebracht: was het verkochte object bestemd om als bedrijfsmiddel voor langere tijd dienstbaar te zijn aan de onderneming of kwalificeerde het als voor de verkoop bestemde voorraad? Boekwinst gerealiseerd bij verkoop van voorraad kan namelijk niet worden gereserveerd in de vorm van een herinvesteringsreserve. 

Indien bij verplaatsing van een productielocatie industrieel vastgoed van de hand wordt gedaan, is vermoedelijk sprake van een bedrijfsmiddel. Appartementen die een projectontwikkelaar realiseert en verkoopt, kwalificeren vermoedelijk als voorraad. In de praktijk is het onderscheid echter niet altijd helder. Hoe kwalificeert bijvoorbeeld een initieel voor de verhuur bestemd appartementencomplex in aanbouw dat gedurende de realisatiefase wordt verkocht aan een eindbelegger? Het onderscheid tussen bedrijfsmiddelen en voorraad is een grijs gebied waarover regelmatig discussie wordt gevoerd met de Belastingdienst. 

Herinvesteringsvoornemen:

Om in het jaar van verkoop een herinvesteringsreserve te kunnen vormen, moet aantoonbaar sprake zijn van het voornemen om binnen drie jaar te herinvesteren. Dat voornemen moet in de jaren daarna ook doorlopend én aantoonbaar aanwezig zijn, omdat de gereserveerde winst anders alsnog vroegtijdig wordt belast. Het kunnen aantonen van een (voortdurend) herinvesteringsvoornemen is daarmee een belangrijk aandachtspunt voor de praktijk om onvoorziene belastingheffing te voorkomen.

Wij adviseren het herinvesteringsvoornemen terugkerend en inhoudelijk te behandelen in bestuursvergaderingen en de zoektocht naar een vervangende investering zorgvuldig te documenteren. Daarbij valt te denken aan het formeel verstrekken van een zoekopdracht aan een makelaar, maar bijvoorbeeld ook aan het bewaren van informele e-mailcorrespondentie met potentiële verkopers en/of intermediairs (netwerk). Ook het vastleggen van bevindingen bij de bezichtiging van potentiële vervangende investeringsobjecten kan een positieve bijdrage leveren in een discussie met de Belastingdienst over het herinvesteringsvoornemen.

Vervangingstermijn

Ook als er doorlopend én aantoonbaar sprake is van een herinvesteringsvoornemen moet het in principe binnen drie jaar na de verkoop daadwerkelijk tot een vervangende investering komen. Als dat niet lukt, wordt de gereserveerde winst in het derde jaar na de verkoop alsnog belast. Tenzij een begin is gemaakt met een vervangende investering, maar die investering is vertraagd door een bijzondere omstandigheid: dan wordt de driejaarstermijn opgerekt en blijft belastingheffing (voorlopig) achterwege. 

(Bron: BDO)

Gebruikelijk loon dga mag lager dan minimumloon zijn

Als dga moet u jaarlijks een zogeheten ‘gebruikelijk loon’ uit uw bv opnemen. Dit gebruikelijk loon is voor 2021 vastgesteld op € 47.000, een verhoging van € 1.000 ten opzichte van vorig jaar. Maar volgens de rechter is soms zelfs een gebruikelijk loon dat lager is dan het minimumloon ook mogelijk. Lees hier wat dit voor u als dga betekent.

Hoogte gebruikelijk loon dga 2021

Het gebruikelijk loon moet worden vastgesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of op het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn bij uw bv, indien een van deze bedragen meer is dan € 47.000.

Let op! Is het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager dan € 47.000? Dan wordt het gebruikelijk loon vastgesteld op dit bedrag.

Ook lager gebruikelijk loon dga onder bijzondere omstandigheden

Een lager gebruikelijk loon is onder bepaalde bijzondere omstandigheden ook mogelijk. Het gaat dan om bv’s die voor toepassing van de S&O-afdrachtvermindering in 2021 als starter wordt aangemerkt, overige startende bv’s die het loon van de dga niet kunnen betalen en om verlieslijdende bv’s. Hiervoor gelden wel aanvullende voorwaarden zoals dat het gebruikelijk loon ten minste gelijk moet zijn aan het wettelijk minimumloon.

Rechter staat loon dga onder minimumloon toe

In een recente uitspraak besliste een rechter echter dat ook een gebruikelijk loon kan worden toegekend dat onder het wettelijk minimumloon ligt. In de voorliggende casus had een bv de dga in de eerste drie maanden van het eerste boekjaar een gebruikelijk loon toegekend volgens de fiscale voorschriften. Wegens aanhoudende verliezen was de bv dit loon grotendeels schuldig gebleven en werd de rest van het boekjaar geen loon meer uitbetaald.

De rechter achtte dit juist. De rechter baseerde dit oordeel op een besluit uit 2006. Hierin werd bepaald dat een lager loon dan een gebruikelijk loon acceptabel is als u aannemelijk kan maken dat de continuïteit van de bv in gevaar komt bij het uitbetalen van dit loon. Het vasthouden aan het minimumloon als ondergrens voor het gebruikelijk loon, doet volgens de rechter in dit soort situaties geen recht aan de realiteit. De wet minimumloon is niet voor deze situatie geschreven, aldus het oordeel.

Corona

Vanwege corona mag het gebruikelijk loon in 2020 en 2021 ook lager worden vastgesteld dan wettelijk voorgeschreven. Het omzetverlies moet in 2021 wel minstens 30% zijn, voor 2020 is dit niet vereist. Het gebruikelijk loon mag worden afgeleid van dat in 2019 en evenredig aangepast worden voor het omzetverlies. Voor 2020 gaat u daarbij uit van het omzetverlies in de eerste vier maanden vergeleken met de omzet in de eerste vier maanden van 2019. Voor 2021 gaat u uit van het omzetverlies over het hele jaar in vergelijking met de omzet over het hele jaar 2019.

De bepaling van het gebruikelijk loon van de dga is altijd maatwerk. Wilt u uw salaris aanpassen als gevolg van gewijzigde omstandigheden of heeft u vragen over de hoogte van het gebruikelijk loon, neem dan altijd contact met ons op.

(Bron: DRV)

TVL subsidiepercentage in tweede kwartaal 2021 naar 100 procent

De Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)-regeling geeft een tegemoetkoming in de vaste lasten voor mkb-bedrijven die structureel omzet verliezen door de genomen maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van coronavirus. Omdat de maatregelen voorlopig doorlopen, wordt het subsidiepercentage van de TVL in het tweede kwartaal van 2021 verhoogd van 85 procent naar 100 procent .

De hoogte van de uiteindelijke tegemoetkoming is naast het subsidiepercentage afhankelijk van het omzetverlies van een bedrijf en het vastelastenpercentage van de sector. Ondernemers kunnen gebruikmaken van de TVL als zij meer dan 30% omzetverlies lijden. De TVL-regeling voor het tweede kwartaal gaat naar verwachting vanaf half mei open.

TVL kwartaal 2 van 2021 in combinatie met de NOW

De TVL-subsidie telt mee als inkomsten bij het omzetbegrip dat wordt gehanteerd binnen de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW). Voor iedere euro extra steun uit de TVL ontvangt een onderneming ongeveer 20 eurocent minder NOW. Dit omdat de NOW zich baseert op een omzetbegrip waar steun vanuit de TVL onderdeel van uitmaakt.

Let op het kan zijn dat je door de verruiming van de TVL en vanwege bovenstaande interactie met de NOW, toegang tot de NOW verliest. Dit zijn bedrijven in sectoren met een hoog vastelastenpercentage (tenminste 34%) en een omzetverlies dicht bij de omzetverliesdrempel van 30% in de TVL. De huidige inschatting is dat hierdoor enkele tientallen bedrijven per saldo minder steun ontvangen.

Uitbreidingen TVL kwartaal 1 van 2021 goedgekeurd en verlenging aanvraagperiode

Eerder berichtte wij al over de voorgenomen uitbreiding voor de TVL kwartaal 1 van 2021. Deze uitbreiding is inmiddels goedgekeurd. Onderdeel van de uitbreiding is de verhoging van het subsidiepercentage naar 85%, de verlaging van de minimale vaste lasten (van €3.000 naar €1.500), de openstelling voor grote bedrijven en een aantal uitbreidingen voor specifieke sectoren (o.a. land- en tuinbouw). Daarnaast is er nog een extra verhoging van het maximum subsidiebedrag doorgevoerd. De maximale subsidiebedragen zijn nu € 550.000 voor mkb-bedrijven en € 600.000 voor niet-mkb-bedrijven.

Het RVO zal het hogere subsidiepercentage en de andere uitbreidingen stapsgewijs gaan toepassen. Het RVO probeert zo snel mogelijk automatisch een extra betaling te doen voor de uitbreidingen die eventueel van toepassing zijn.

Ondernemers die door de verlaging van de minimale vaste lasten in aanmerking komen en al een aanvraag hebben gedaan, hoeven ook niets te doen. Deze aanvragen worden zo snel mogelijk verwerkt. Om ondernemers voldoende tijd te geven kunnen zij een aanvraag doen voor de TVL kwartaal 1 van 2021 tot 18 mei 17:00 uur.

TVL aanvragen?

Voor elke nieuwe ronde van de TVL moet een aparte aanvraag worden gedaan via de website van de RVO. Het indienen van een aanvraag voor periode kwartaal 2 van 2021 kan waarschijnlijk vanaf half mei.

Om een aanvraag te doen is nu nog een eHerkenning op niveau 1 vereist. Vanaf 12 april 2021 kan de TVL alleen nog maar met eHerkenning niveau 3 aangevraagd worden. Dit geldt voor TVL kwartaal 1 van 2021 en TVL kwartaal 2 van 2021. Het RVO heeft voor deze verhoging gekozen om het aanvragen veiliger te maken. Voor aanvragers met DigiD verandert er niets.

Op de website van het RVO kan eenvoudig met een Adviestool bepaald worden of je in aanmerking komt voor de TVL en hoeveel subsidie je kan verwachten.

(Bron: Alfa)

eHerkenning niveau 3 verplicht bij aanvraag TVL

Vanaf 12 april 2021 is het verplicht de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) met eHerkenning niveau 3 aan te vragen. De verhoging van het niveau naar eHerkenning 3 geldt voor het aanvragen van de TVL van Q1 en Q2 van 2021.

Eherkenning is in feite hetzelfde als digi-D, maar dan voor bedrijven. Het helpt u om aanspraak te kunnen maken op regelingen voor ondernemers die nu gelden vanwege de coronacrisis, zoals de TVL. Eherkenning kent verschillende beveiligingsniveaus. De eHerkenning wordt voor de TVL nu verhoogd naar niveau 3 om het proces van aanvragen veiliger te maken.

Wanneer heb ik niveau 3 eHerkenning nodig?

Gaat u de TVL voor Q1 van dit jaar aanvragen? Dan heeft u dus vanaf 12 april niveau 3 van eHerkenning nodig, met de bijbehorende machtiging ‘RVO diensten’. Heeft u deze machtiging aangevraagd, dan kunt u ook alle andere diensten van de RVO afnemen.

Voor de TVL juni-september 2020 en TVL Q4 2020 blijft het tot 1 juli 2021 mogelijk om in te loggen met de lagere niveaus van eHerkenning. Met deze niveaus kan u de aanvraag inzien en kunt u reageren op het vaststellingsverzoek. Let wel op, want vanaf 1 juli 2021 heeft u ook voor deze periodes eHerkenning niveau 3 nodig. Doe uw aanvraag voor eHerkenning 3 dus op tijd!

Ik heb mijn TVL eerder aangevraagd met DigiD, heb ik nu ook eHerkenning nodig?

Nee, heeft u eerder een aanvraag gedaan met DigiD dan verandert er niets. Bent u bij de KVK geregistreerd als eigenaar of bestuurder van het bedrijf, dan kan u TVL Q1 2021 met DigiD aanvragen en eerdere aanvragen beheren.

Hoe verhoog ik mijn eHerkenning naar niveau 3?

Om het niveau te verhogen en de machtiging aan te passen, moet u contact opnemen met uw eHerkenningsleverancier, of u kiest voor een andere leverancier. Heeft u een beheermodule, dan kan u of uw machtigingenbeheerder de machtiging zelf aanpassen.

Hoe kan ik eHerkenning aanvragen?

Het proces om eHerkenning aan te vragen bestaat uit verschillende stappen. Start uw aanvraag op tijd, want de levertijd van een eHerkenningsmiddel duurt tot 5 werkdagen. De levertijd is afhankelijk van het juist en volledig aanleveren van uw documenten en handtekeningen.

Vaste onbelaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer tot 1 juli 2021 mogelijk

U kunt met uw werknemers een vaste onbelaste vergoeding afspreken, bijvoorbeeld voor het woon-werktraject. Voor veel werknemers hebben de maatregelen rondom de coronacrisis wat betreft de kosten van vervoer tot een verandering van hun reispatroon geleid. Het kabinet wil voorkomen dat die verandering meebrengt dat u de vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet rekenen.  

Het kabinet heeft daarom geregeld dat de werkgever die een vaste reiskostenvergoeding aanbiedt daar nu in deze thuiswerktijden geen fiscale gevolgen aan hoeft te verbinden. U mag dan voor deze periode blijven uitgaan van het reispatroon waar de vergoeding al op gebaseerd was. Inmiddels is de einddatum voor deze tegemoetkoming weer verschoven. Dit keer naar 1 juli 2021.  

LET OP 

Deze goedkeuring ziet alleen op vaste reiskostenvergoedingen waarop de werknemer uiterlijk op 12 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht had. Het geldt dus bijvoorbeeld niet voor vaste reiskostenvergoedingen die betaald worden aan werknemers die pas na 12 maart 2020 in dienst zijn getreden. De Belastingdienst heeft een aantal voorbeelden op zijn site opgenomen. Ook als we weer geheel zouden terugvallen op de bestaande regelgeving, is een gerichte vrijgestelde vaste reiskostenvergoeding in meer situaties mogelijk dan vaak wordt verondersteld. Dat hangt vooral af van de mate van thuiswerk en de gekozen fiscale optie.

Puur fiscaal 

Het besluit geeft de mogelijkheid om een vaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer onbelast te kunnen blijven geven. Maar het kan u juist de noodzakelijke financiële ruimte geven als u die reiskostenvergoeding niet meer betaalt. Daarbij moet zeker ook in aanmerking genomen worden dat u voor die onbelaste reiskostenvergoeding geen tegemoetkoming krijgt via de NOW. Wat arbeidsrechtelijk wel of niet mogelijk is in de verhouding tussen de u en uw werknemer hangt natuurlijk af van wat u met elkaar heeft afgesproken. Wilt u de reiskostenvergoeding stopzetten, dan zult u dus de arbeidsovereenkomst moeten raadplegen en eventueel het arbeidsvoorwaardenreglement en/of de van toepassing zijnde CAO. Bespreek de arbeidsrechtelijke (on)mogelijkheden met uw Flynth-adviseur. 

Overige steunmaatregelen in de sfeer van de loonheffingen 

Voor 2020 is ook een viertal andere tegemoetkomingen getroffen in de sfeer van de loonheffingen. Voor drie daarvan geldt dat deze ook nog (deels) worden verlengd in 2021. 

  • In 2020 gold een tijdelijke administratieve lastenverlichting in de sfeer van de loonheffingen. Deze is verlengd tot 1 juli 2021. 
  • Ook in 2021 geldt een goedkeuring voor de verlaging van het salaris van de dga onder de gebruikelijkloonregeling. Deze wijkt overigens wel af van die van 2020.
  • Net als in 2020 wordt ook in 2021 de vrije ruimte in de werkkostenregeling over de eerste € 400.000 verhoogd van 1,7% naar 3%. Voor zover de totale loonsom meer bedraagt dan € 400.000 geldt voor 2021 een vrije ruimte van 1,18%, in plaats van 1,2% in 2020. 
    Deze (verruiming van de) vrije ruimte kunt u ook benutten om thuiswerkkosten onbelast te vergoeden. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid van een structurele uitbreiding van onbelaste thuiswerkvergoedingen. Daarbij zal ook worden gekeken naar de huidige regelingen voor reiskostenvergoedingen. Naar verwachting zal de aanvullende regeling niet voor het einde van 2021 kunnen worden ingevoerd.
  • Buiten de vaste reiskosten mochten in 2020 (onder dezelfde voorwaarden) ook andere vaste vergoedingen ongewijzigd worden voortgezet. Die tegemoetkoming is (vooralsnog) niet verlengd in 2021.  

Naast deze in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis opgenomen tegemoetkomingen is in het Belastingplan 2021 de zogenaamde BIK (Baangerelateerde Investeringskorting)  opgenomen. Werkgevers kunnen (onder voorwaarden) een afdrachtvermindering op de loonbelasting en premie volksverzekeringen krijgen voor investeringsverplichtingen die zij aangaan op of na 1 oktober 2020 die volledig worden betaald in 2021 of 2022. Dat geldt dus heel expliciet niet voor investeringsverplichtingen die al volledig in 2020 zijn betaald. 

(Bron:Flynth)

Korting op uw investering met de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK)

Voor uw bedrijf een nieuwe investering doen van minimaal 1500 euro? Dan kunt u mogelijk korting krijgen op uw investering met de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). U krijgt die korting in de vorm van een vermindering van uw loonheffing. De investeringskorting geldt voor bedrijven met medewerkers in dienst– en die dus loonheffing afdragen – en belastingplichtig zijn voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Welke investeringen voor de BIK

Het gaat om investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen (dus geen tweedehands) van meer dan € 1.500. Per aanvraag moet het totale bedrag aan investeringen minimaal € 20.000 bedragen. De BIK is van toepassing op investeringsverplichtingen die zijn aangegaan op of na 1 oktober 2020. Daarnaast geldt dat de volledige bedrijfsinvestering in 2021 of 2022 moet zijn betaald en de investering binnen zes maanden na volledige betaling in gebruik wordt genomen. Let op, want als een investering in het vierde kwartaal van 2020 ook in 2020 volledig is betaald, heeft u daarvoor geen recht op de BIK.

Uitgesloten van de BIK

Bijvoorbeeld verbeteringen van een bedrijfsmiddel en bedrijfsmiddelen voor de verhuur zijn uitgesloten van de BIK. Gaat u bijvoorbeeld uw asbesthoudende dak vervangen, dan wordt dat als een verbetering aangemerkt en komt dit niet voor de BIK in aanmerking.

Hoogte investeringskorting

De investeringskorting bedraagt 3,9% van het investeringsbedrag, tot en met 5 miljoen vermeerderd met 1,8% van het investeringsbedrag boven de 5 miljoen. Deze percentages zijn van toepassing als de Europese Commissie goedkeuring geeft om als fiscale eenheid gebruik te maken van de BIK.
Geeft de Europese Commissie deze goedkeuring niet, dan zullen de percentages worden verhoogd naar 5% tot met 5 miljoen en daarboven 2,08%.

De BIK geldt (vooralsnog onbeperkt) naast de andere fiscale investeringssubsidies; de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), WBSO en de fiscale regelingen (EIA, MIA en VAMIL).

Wanneer kan ik de BIK aanvragen

Vanaf 1 september 2021 kunt u de BIK aanvraag doen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Dit kan dan uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de laatste betaling op de investering is gedaan. De BIK-verklaring kunt u maximaal 4 keer per jaar aanvragen en maximaal 1 keer per kwartaal. Wordt uw aanvraag goedgekeurd? Dan wordt binnen 12 weken na de aanvraag een BIK-verklaring afgegeven. Hierop staat vermeld welk bedrag u in mindering mag brengen op de loonheffing.

(Bron: Flynth)

Coronacrisis en betaalpauze hypotheekverplichtingen

De huidige tijd kan er toe leiden dat een belastingplichtige zorgen heeft over de betaalbaarheid van zijn hypotheek. Overleg met de kredietverstrekker is dan de aangewezen route. Kredietverstrekkers kunnen hun klanten – die als gevolg van de coronacrisis tijdelijk niet in staat zijn aan hun betalingsverplichtingen te voldoen – de mogelijkheid bieden tot een betaalpauze van maximaal zes maanden. In deze periode hoeft dan geen of minder rente en aflossing betaald te worden voor de hypotheek. Let wel; deze achterstand moet in de toekomst wel alsnog worden voldaan. Aanvankelijk gaf een beleidsbesluit van 16 december 2020 een goedkeuring in dit kader. Dit is nu verlengd in het Besluit van 25 maart 2021 (nr. 2021-7241).

De Wet Inkomstenbelasting 2001 regelt voor eigenwoningschulden vanaf 1 januari 2013 hoe achterstand in de aflossing en rentebetaling moet worden ingelopen, als deze op enig moment is opgelopen. Als niet aan deze wettelijke eisen wordt voldaan, loopt de belastingplichtige het risico dat het recht op aftrek van rente en kosten vervalt. Om het in bepaalde gevallen mogelijk te maken ook op een andere dan in de fiscale wetgeving vastgelegde wijze de aflossingsachterstand in te halen, worden twee goedkeuringen opgenomen.

Goedkeuringen in het beleidsbesluit 

De eerste goedkeuring ziet toe op het zo snel mogelijk na afloop van de uitstelperiode vaststellen van een nieuw annuïtair schema. Op basis hiervan wordt het inhalen van de aflossingsachterstand uitgesmeerd over de resterende looptijd van de maximale termijn van 360 maanden van de lening.  Het nieuwe aflosschema moet uiterlijk op 1 januari 2023 (of 1 januari 2022 als de eerste termijn van de betaalpauze betrekking heeft op een termijn van 2020) ingaan.

Ten tweede wordt toegestaan de resterende lening te splitsen, waarbij voor de resterende hoofdsom (zonder rekening te houden met de aflossingsachterstand) het bestaande annuïtaire schema van toepassing blijft. Voor het deel van de aflossingsachterstand wordt dan een afzonderlijke (hypothecaire) lening met een eigen annuïtair schema afgesloten, waarbij de looptijd maximaal gelijk is aan de resterende looptijd van de oorspronkelijke hoofdsom. In de huidige wettelijke regeling moet voor de totale resterende hoofdsom een nieuw annuïtair schema wordt vastgesteld.  

Maatwerk

Door deze regelingen ontstaan meer mogelijkheden tot maatwerk. Uiteraard moet naast de gemiste aflossingen ook de uitgestelde rente alsnog aan de kredietverstrekker worden betaald. Deze uitgestelde rente is aftrekbaar volgens de reguliere fiscale regels. Afhankelijk van de wijze waarop belastingplichtige en geldverstrekker dit regelen, kan het zijn dat deze rente aftrekbaar is op het moment van rentedragend schuldig worden (2020 of 2021) of op het moment van feitelijke betaling.

Familiebank of eigenwoninglening bij BV

In de situatie dat de eigenwoninglening niet bij een commerciële uitvoerder is overeengekomen, maar bijvoorbeeld bij de ouders of bij de eigen BV, is het onder voorwaarden ook mogelijk een betaalpauze overeen te komen. Hiervoor gelden enkele specifieke voorwaarden. 

Geldigheid beleidsbesluit 

Het beleidsbesluit geldt voor belastingplichtigen die zich tussen 12 maart 2020 en 1 juli 2021 melden, of hebben gemeld bij hun kredietverstrekker en een betaalpauze overeenkomen van maximaal twaalf maanden. Deze betaalpauze moet uiterlijk op 1 juli 2021 ingaan. Onder nadere voorwaarden kan ook voor betaalpauzes die sinds 12 maart al zijn overeengekomen – en mogelijk deels al ten uitvoering zijn gebracht in de periode voorafgaande aan publicatie van het besluit – gebruik worden gemaakt van de regeling, zoals opgenomen in het beleidsbesluit. 

Voorlopige aanslag

Het is verstandig om bij een situatie als deze na te gaan of een opgelegde voorlopige aanslag over 2021 en/of de voorschotbeschikking(en) toeslag(en) op basis van het eerder geschatte inkomen over 2021 moet(en) worden aangepast. Hiermee kan voorkomen worden dat in 2022 terugbetalingen moeten plaatsvinden.

(Bron: BDO)

Ontwikkelingen aftrekbeperking oortkosten

Onlangs heeft gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan met betrekking tot de aftrekbeperking van oortkosten in de vennootschapsbelastingsfeer. Oortkosten zijn kosten met een gemengd karakter die beperkt van de winst voor de vennootschapsbelasting (en inkomstenbelasting) aftrekbaar zijn. Alleen als de kosten voor de werkgever ‘loon in fiscale zin’ vormen, dan zijn dergelijke kosten niet in aftrek beperkt, aldus de parlementaire toelichting. Partijen zijn het eens dat de vergoedingen tot het belastbaar loon behoren. Wel is in geschil of de aftrekbeperking ook geldt ten aanzien van belastbaar loon, waarover feitelijk geen loonbelasting is afgedragen omdat bijvoorbeeld een gerichte vrijstelling van toepassing is.

Casus

Belanghebbende verstrekt daggeldvergoedingen aan haar werknemers ter vergoeding van kosten die onderweg worden gemaakt voor maaltijden, overige consumpties en sanitaire voorzieningen. Het standpunt van belanghebbende is dat de daggeldvergoedingen niet in aftrek zijn beperkt en beroept zich hierbij op de parlementaire toelichting. Volgens die toelichting geldt: “indien de vergoeding bij de werknemer (…) belastbaar is, (…) als loon (…) zijn ter zake van deze vergoeding in de winstsfeer geen beperkingen gesteld”.

Volgens de Belastingdienst zijn de daggeldvergoedingen op grond van doel en strekking van de wet wel in aftrek beperkt. De reden is dat er feitelijk geen loonheffing over wordt betaald, omdat de vergoedingen als eindheffingsloon zijn aangemerkt en door de werking van vrijstellingen er geen loonheffing is betaald.  

De rechtbank heeft het beroep afgewezen, waarna belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld.

Gerechtshof

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de wetgever een evenwicht beoogd tussen de aftrek van gemengde kosten in de winstsfeer en de feitelijke heffing van loonbelasting over de desbetreffende vergoedingen. Het hof acht dus voor haar oordeel (mede) beslissend dat feitelijk geen loonbelasting is afgedragen.

Een dergelijke benadering kan aanzienlijke complicaties met zich meebrengen, met  name als de als eindheffingsbestanddeel aangewezen looncomponenten, de vrijstellingen (gerichte vrijstellingen en de vrije ruimte) overschrijden. In dat geval moet namelijk wél loonbelasting worden afgedragen. Onduidelijk is dan welk looncomponent wel binnen de vrije ruimte valt en welke niet. Dit lijkt ons niet de bedoeling van de wetgever te zijn.

Helaas overschreden de als eindheffingsbestanddeel aangewezen looncomponenten de vrijstellingen niet in deze casus, waardoor het gerechtshof zich over deze complicatie niet heeft hoeven buigen.

Voor werkgevers

Ten aanzien van looncomponenten waarover loonbelasting is ingehouden en/of afgedragen geldt de aftrekbeperking niet.

Daarmee is bij looncomponenten die worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel kennelijk van belang of feitelijk loonbelasting is afgedragen. Als de looncomponenten de vrijstellingen niet overschrijden lijkt dit qua uitvoering eenvoudig. Er hoeft namelijk geen loonbelasting te worden afgedragen en dus is de aftrekbeperking van toepassing.

Als de looncomponenten de vrijstellingen wél overschrijden is het onzeker óf en in hoeverre de aftrekbeperking geldt. In het geval de werkgever vergoedingen voor beperkt aftrekbare kosten als eindheffingsloon heeft aangewezen, kan voor de zekerheid bezwaar worden gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting.

(Bron: BDO)

Privacy van de zieke werknemer

Werkgevers mogen volgens de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) slechts beperkt gegevens vragen en verwerken van een werknemer in het kader van een ziekmelding of re-integratieproces. Want zieke werknemers hebben recht op privacy.

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft hiervoor beleidsregels opgesteld. Als werkgever moet u weten wat u mag vragen aan een zieke werknemer en mag vastleggen. Bij overtreding van de regels kan de Autoriteit Persoonsgegevens namelijk forse boetes opleggen.

Zo mag u als werkgever niet zelf vragen naar de aard en oorzaak van de ziekte.  Dit is voorbehouden aan de bedrijfsarts. De bedrijfsarts adviseert vervolgens de werkgever bij de begeleiding van de zieke werknemer. 

Wat mag de werkgever vragen en registreren?

  • Het telefoonnummer en (verpleeg)adres;
  • de vermoedelijke duur van het verzuim;
  • de lopende afspraken en werkzaamheden;
  • of de werknemer onder een van de vangnetbepalingen van de Ziektewet valt (maar niet onder welke vangnetbepaling);
  • of de ziekte verband houdt met een arbeidsongeval;
  • of er sprake is van een verkeersongeval in verband met het eventueel verhalen van loonkosten op een aansprakelijke derde;
  • gegevens gekregen van de bedrijfsarts;
  • gegevens over frequentie en duur ziekteverzuim van de werknemer in verband met loondoorbetaling en verzuimoverzichten;
  • in uitzonderlijke situaties gegevens over de gezondheid van de werknemer, om adequaat te kunnen reageren bij bijvoorbeeld een epileptische aanval of suikerziekte.

En de bedrijfsarts?

  • Relevante medische en sociale gegevens om een goed oordeel te kunnen vormen over de arbeidsongeschiktheid, verzuimbegeleiding en re-intergratie;
  • medische gegevens van de behandelend arts (met schriftelijke toestemming van de werknemer).

Uitwisseling informatie bedrijfsarts – werkgever

De bedrijfsarts mag alleen informatie delen die een werkgever nodig heeft om een beslissing te nemen over loondoorbetaling, verzuimbegeleiding en re-integratie:

  • de werkzaamheden waartoe de werknemer niet meer of nog wel in staat is;
  • de verwachte duur van het verzuim;
  • de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer;
  • adviezen over aanpassingen, werkvoorzieningen of interventies die de werkgever voor de re-integratie moet treffen.

En verder…

Het is niet toegestaan om aanvullende informatie die de zieke werknemer spontaan heeft verteld vast te leggen of te delen. Vanuit de zorgplicht van de werkgever is het van belang om een duidelijk verzuim- en re-integratiebeleid op te stellen met daarin de rechten en plichten van de (zieke) werknemer en de werkgever. De bedrijfsarts heeft een belangrijke rol in het traject van verzuimbegeleiding.

(Bron: HLB)