Giftenaftrek op basis van vrijwilligersverklaring van goeddoelorganisatie

In 2011 is er veel discussie geweest over zogeheten vrijwilligersverklaringen die algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) in toenemende mate bleken af te geven. In de verklaring wordt veelal aangegeven dat de vrijwilliger recht heeft op een kostenvergoeding tot € 1.500 per jaar maar daarvan vrijwillig afziet. Aldus zou die verklaring tot dat bedrag een giftenaftrek moeten opleveren. Hoewel de vrijwilligersverklaring geen officieel stuk is en de aftrek eigenlijk onmogelijk kan zijn gebaseerd op basis van alleen een dergelijke verklaring is onder grote politieke druk over de afgelopen jaren een zeer soepel beleid ontstaan. Mogelijk kunt u daar nog gebruik van maken en hoe zit dat bij uw aangifte over 2011?

Vrijwilligersvergoedingen

Vrijwilligers krijgen in het algemeen geen echte beloning voor hun werk. Maar zij maken soms wel degelijk kosten en de instelling of vereniging kan zulke kosten natuurlijk wel belastingvrij vergoeden. Meestal gaat het maar om heel kleine bedragen. Om nu te voorkomen dat instellingen en verenigingen allerlei bonnetjes moeten gaan bewaren om te kunnen aantonen dat de betalingen aan de vrijwilligers echte kostenvergoedingen zijn, is geregeld dat vergoedingen tot € 1.500 per jaar belastingvrij mogen worden uitbetaald. Tot dat bedrag controleert de Belastingdienst ook niet of er wel echte kosten tegenover staan.
­
In feite kan de vergoeding daardoor in de praktijk dan tevens enige beloning betekenen voor het verrichte vrijwilligerswerk. Vergoedingen boven € 1.500 per jaar moeten overigens wel voor het volle bedrag aangetoond kunnen worden.

Aftrek bij ontbreken vergoeding

Veel verenigingen of instellingen hebben helemaal geen geld om kostenvergoedingen te betalen. Daar doen de vrijwilligers meestal ook niet moeilijk over. Dan betalen ze die kosten gewoon zelf. In feite schenken zij dan het bedrag van hun gemaakte kosten aan de instelling. Die schenking kan vervolgens een aftrekbare gift opleveren, indien de instelling waarvoor zij werken een erkende goeddoelinstelling is, bijvoorbeeld een kerk of een welzijnsorganisatie. De instelling moet dan een zogenoemde ANBI-beschikking van de Belastingdienst hebben. Op de internetsite van de Belastingdienst kunt u zien of een instelling als ANBI wordt aangemerkt.
­
Maar welke kosten zijn nu als gift aftrekbaar? De Hoge Raad heeft bepaald dat kosten in ieder geval als gift aftrekbaar zijn als de vrijwilliger recht heeft op een vergoeding voor de kosten die hij maakt, maar van dat recht vrijwillig afziet. De rechter stond echter ook giftenaftrek toe als de vrijwilliger geen vergoeding kan krijgen omdat de instelling slecht bij kas zit, maar wel kosten heeft gemaakt die ‘naar algemeen aanvaarde maatschappelijke maatstaven’ vergoed zouden moeten worden. Kortom: het moet dan min of meer normaal zijn dat dergelijke instellingen bedoelde kosten wel vergoeden.
­
De instellingen speelden daar op een bijzondere wijze op in. Zij gaven geen vergoedingen aan hun vrijwilligers, maar reikten een verklaring  uit waarin staat dat zij recht zouden hebben op € 1.500 aan kostenvergoeding, maar dat zij daarvan vrijwillig hebben afgezien. De vrijwilliger claimt vervolgens voor dat bedrag aftrek van giften.
­
Zo simpel kan het echter niet zijn. Giften moeten volgens de wet “met schriftelijke bescheiden gestaafd kunnen worden”. Een formulering die wat zwaar aandoet maar waaruit in ieder geval wel blijkt dat er bewijsstukken van de kosten moeten zijn. Op die manier kan de inspecteur ook beoordelen of het hier wel gaat om kosten die normaal gesproken vergoed zouden moeten worden.

Onder politieke druk toch heel soepel beleid

Bij politici spelen de kiezersgunsten een grote rol en zij blijken niet te schromen om daarvoor een correcte wetstoepassing te laten sneuvelen. Hoewel aftrek niet te verdedigen is op basis van louter de vrijwilligersverklaring van de instelling is er in de loop van 2011 onder grote politieke druk (een kamerbreed gesteunde motie) een zeer soepel beleid  tot stand gekomen. De achtergrondgedachte daarbij was dat de vrijwilligers te goeder trouw meenden dat de verklaring hun bepaalde rechten gaf.

Als de vrijwilliger aftrek heeft gevraagd en gehad zal de Belastingdienst daar over de jaren 2008 tot en met 2010 in ieder geval niet meer op terugkomen (dus geen navorderingsaanslagen), tenzij sprake is van een zwaar vermoeden van misbruik. Het doet er niet toe of de aftrekpost terecht is verleend of niet, en dus is zelfs ook niet van belang of er überhaupt wel kosten zijn gemaakt.
­
Als er nog aanslagen over die jaren worden opgelegd zal evenmin een correctie worden toegepast maar voor die situatie moet het wel aannemelijk zijn dat de vrijwilliger kosten heeft gemaakt. De gemaakte kosten worden dan overigens wel met coulance beoordeeld als de vrijwilliger geen bonnetjes heeft bewaard en daarom de kosten niet echt kan onderbouwen. Reeds aangebrachte correcties worden op verzoek weer teruggenomen.
­
Als u beschikt over een vrijwilligersverklaring van een ANBI en u aannemelijk kunt maken dat u kosten voor de instelling hebt gemaakt kunt u voor die kosten over de genoemde jaren 2008 t/m 2010 alsnog om toepassing van het soepele beleid vragen. Dat kunt u ook nog doen voor aanslagen over jaren waarvoor de bezwaartermijn al lang en breed is verstreken. Het is wel van belang dat het gaat om een vergoeding voor daadwerkelijke kosten en niet om andersoortige vergoedingen (zoals een beloning voor verrichte vrijwilligerswerkzaamheden). Daarop ga ik aan het slot nog in.

Hoe zit het met de vrijwilligerskosten in uw aangifte over 2011?

Voor het jaar 2011 lijkt me het genoemde beleid goeddeels ook nog van toepassing, mede omdat de beleidswijziging pas in de loop van 2011 heeft plaatsgevonden en eerst vanaf 2012 daadwerkelijk een nieuwe regeling in de wet is neergelegd. Hoewel de fiscus hier toch wat moeilijker over zou kunnen doen door echte bewijsstukken te vragen  ga ik er vooralsnog vanuit dat u ook voor 2011 met de vrijwilligersverklaring uw kosten nog als giften kunt aftrekken als u aannemelijk kunt maken dat u daadwerkelijk kosten voor de instelling hebt gemaakt.

Hoe zit het met de vergoeding voor verrichte vrijwilligerswerkzaamheden?

Ook als u voor uw werkzaamheden voor de ANBI-instelling daadwerkelijk een vergoeding kunt krijgen maar daarvan vrijwillig afziet, kan het bedrag van deze vergoeding onder de giftenaftrek vallen. Dan gelden er echter wel wat zwaardere voorwaarden, zoals:

  • De financiële situatie van de ANBI is zo dat zij de vergoeding ook kan uitbetalen.
  • De ANBI heeft de bedoeling om de vergoeding daadwerkelijk uit te betalen.
  • U moet zelf kunnen bepalen dat u de vergoeding niet wilt ontvangen en aan de ANBI      schenkt.

(Bron: Kluwer Belastinggids)

Actuele aanpassingen in de autobelastingen 2012

Onderwerpen die aan de orde komen: Wijzigingen fiscale bijtelling auto van de zaak, Extra aanscherping d.m.v. invoering 60-maanden termijn, Overgangsregeling voor huidige (zeer) zuinige auto’s, Nieuw regime elektrische auto’s 2014
Alternatief voor rittenregistratie bestelauto’s ondernemers, Aanscherping BPM-vrijstelling voor zeer zuinige auto’s
Overzicht BPM-heffing 2011-2015 voor gangbare auto’s, Vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor zeer zuinige auto’s vervalt
Kortingsregeling jaarbetaling motorrijtuigenbelasting vervalt, Oldtimervrijstelling voor 30 jaar oude auto’s, Nieuwe regels in de omzetbelasting voor privégebruik auto van de zaak.Inkomstenbelasting en loonbelastingWijzigingen fiscale bijtelling auto van de zaak

Voor de auto van de zaak geldt een fiscale bijtelling, het autokostenforfait. Het autokostenforfait bedraagt een bepaald percentage van de catalogusprijs van de auto. Er gelden 4 percentages: 25%, 20% en 14% en 0%. Een en ander is afhankelijk van de op emissienormen gebaseerde CO2-uitstoot van de auto. Hoe schoner de auto is, des te lager is het autokostenforfait.De emissienormen worden de komende jaren fors aangescherpt. In onderstaande tabel kunt u lezen hoe schoon een auto van de zaak de komende jaren moet worden om voor een lage(re) fiscale bijtelling van 20% of 14% in aanmerking te komen en voor welke auto’s een bijtelling van 25% geldt.



NB

Zie voor het 0%-procent tariefhet bericht “Nieuw regime elektrische auto’s 2014”

Extra aanscherping d.m.v. invoering 60-maanden termijn
Vanaf 1 juli 2012 geldt het dan geldende bijtellingspercentage voor nieuw gekochte auto’s nog ‘slechts’ voor een periode van 60 maanden. Na afloop van deze periode moet opnieuw worden bekeken of de auto nog schoon genoeg is om voor het lage(re) bijtellingspercentage in aanmerking te komen.

Overgangsregeling voor huidige (zeer) zuinige auto’s

Op dit moment geldt voor auto’s met een CO2-uitstoot van minder dan 111 gr/km (diesel: <96) een bijtelling van 14%. Voor auto’s met een CO2-uitstoot tussen de 111 en 140 gr/km geldt op dit moment een bijtelling van 20%. Deze auto’s kunnen de komende jaren uiteraard niet zuiniger worden en dus zou het fiscale voordeel van de lage(re) bijtelling door de aangescherpte emissienormen al snel komen te vervallen. Het kabinet vindt dat ongewenst en daarom komt er een overgangsregeling.
De overgangsregeling houdt in dat als de eerste tenaamstelling van de auto plaats heeft gevonden voor 1 juli 2012, het vanaf die datum geldende bijtellingspercentage ‘eeuwigdurend’ blijft behouden. Daaraan wordt wel de voorwaarde gekoppeld dat de auto niet van eigenaar mag wisselen.
Als de eerste tenaamstelling van de auto voor 1 juli 2012 heeft plaatsgevonden en de auto na 1 juli 2012 van eigenaar wisselt geldt de volgende regeling: het bijtellingspercentage zoals dat gold voor 1 juli 2012 blijft behouden tot 1 juli 2017. Op die datum wordt opnieuw bekeken hoe schoon de auto is en welk bijtellingspercentage alsdan in aanmerking moet worden genomen. Wisselt de auto bijvoorbeeld op 1 januari 2015 van eigenaar. Dan geldt voor de nieuwe eigenaar tot 1 juli 2017 het oude percentage zoals dat gold voor 1 juli 2012.

Tip!

Overleg met uw adviseur of het zinvol is om nog voor 1 juli 2012 een (zeer) zuinige auto aan te schaffen. Doe dat wel tijdig want voor sommige typen (zeer) zuinige auto’s geldt een levertijd van enkele maanden. Doorslaggevend voor het gebruik van de overgangsregeling is immers dat het kenteken van de nieuwe auto voor 1 juli 2012 op naam is gesteld.

Nieuw regime elektrische auto’s 2014
Op dit moment geldt voor elektrische auto’s en plug-in hybrides van de zaak die ook privé worden gereden een bijtelling van 0%. De Tweede Kamer heeft echter definitief besloten om met ingang van 1 januari 2014 een bijtelling van 7% in te voeren voor deze auto’s. Het gaat hierbij om auto’s waarvan het kenteken op of na 1 januari 2014 voor het eerst op naam wordt gesteld.
Gaat het om een auto die reeds voor 1 januari 2012 op naam is gesteld, dan bedraagt de bijtelling tot 1 januari 2017 0%. Daarna gaat de bijtelling 7% bedragen als de auto nog aan de dan geldende emissienormen voldoet.
Voor auto’s waarvan het kenteken voor het eerst op naam wordt gesteld in de jaren 2012 en 2013 bedraagt de fiscale bijtelling 0% gedurende 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld.

Alternatief voor rittenregistratie bestelauto’s

Werknemers die een fiscale bijtelling voor het privégebruik van een bestelauto van de zaak willen voorkomen zijn tot op heden aangewezen op het bijhouden van een sluitende rittenadministratie. Met ingang van 1 januari 2012 komt er echter een alternatief. Werkgever en werknemer kunnen dan gezamenlijk bij de Belastingdienst verklaren dat de bestelauto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Met deze gezamenlijke verklaring wordt aangegeven dat met de bestelauto geen enkele kilometer privé wordt gereden, waarmee een bijtelling kan worden voorkomen.
Een rittenregistratie is gedurende de periode dat een dergelijke verklaring door de Belastingdienst is afgegeven, niet langer noodzakelijk.
Deze verklaring wordt toegevoegd aan het bestaande instrumentarium. Het is namelijk ook nu al mogelijk om een bijtelling te voorkomen als er sprake is van een verbod van de werkgever om de bestelauto privé te gebruiken. De bestelauto wordt dan aan het einde van de werkdag op de werkplek achter gelaten. Voorts is het op dit moment ook al mogelijk om een bijtelling te voorkomen door middel van een sluitende rittenregistratie. De bestaande instrumenten worden op korte termijn dus niet afgeschaft, wel wordt een alternatief aangeboden waarmee de rittenregistratie kan worden voorkomen.
Door de Belastingdienst zal hiervoor een digitaal formulier ter beschikking worden gesteld. De ondernemer kan de rittenregistratie achterwege laten als hij van de inspecteur een ontvangstbevestiging van de verklaring heeft ontvangen.
De ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ is ook van toepassing voor de IB-ondernemer die in een bestelauto rijdt van zijn onderneming.

Controle
De Belastingdienst gaat de naleving van de verklaring door middel van zogenaamd ‘ambulant toezicht’ (bijvoorbeeld cameratoezicht) controleren. Indien de inspecteur als gevolg van bijvoorbeeld camerabeelden het vermoeden heeft dat een bestelauto voor privédoeleinden wordt gebruikt terwijl er ten aanzien van die auto een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto is afgegeven, wordt contact gezocht met de werknemer en de werkgever. Zij krijgen de mogelijkheid het zakelijke karakter van de rit aan te tonen. Slagen zij daarin niet dan volgt een naheffingsaanslag.
Indien de werkgever een onjuiste verklaring heeft afgelegd, indien hij de werknemer toestemming heeft gegeven of als hij weet dat de werknemer de auto voor privédoeleinden gebruikt, dan wordt de naheffingsaanslag aan de werkgever opgelegd. Daarnaast kan een boete worden opgelegd op grond van het niet nakomen van informatieverplichtingen.

Tip!

Aan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt de voorwaarde verbonden dat de auto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Ga met uw adviseur na of dit een haalbare optie is alvorens te kiezen voor deze regeling. Dat kan ongewenste naheffingsaanslagen en boeten voorkomen.

Belasting op personenauto’s en Motorrijwielen (BPM)

Aanscherping BPM-vrijstelling voor zeer zuinige auto’s

Voor de zuinigste auto’s zal een vrijstelling van BPM blijven bestaan, zij het dat de grenzen van de in de BPM opgenomen CO
2-schijven jaarlijks per 1 januari (in 2012 per 1 juli) naar beneden worden bijgesteld. Per 1 januari 2015 zullen de grenzen (voorlopig?) voor het laatst worden verlaagd. De bestaande tariefverschillen tussen benzine- en dieselauto’s zijn dan verdwenen.

Vrijstellinggrenzen BPM 2011-2015 (gr/km)
2011 1/1/2012 1/7/2012 2013 2014 2015Benzine <111 <111 <103 <96 <89 <83
Diesel < 96 < 96 < 92 <89 <86 <83

Tip!

Bent u van plan om in 2012 een nieuwe auto te kopen waarvoor nu een BPM-vrijstelling bestaat? Ga dan na of u dit voor 1 juli 2012 moet doen. Het is immers op dit moment de vraag of het model van uw keuze na 1 juli 2012 nog voldoet aan de per die datum aangescherpte CO2-normen.

Overzicht BPM-heffing 2011-2015 voor gangbare auto’s
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van een aantal voorbeelden van auto’s (prijspeil 2011) en de verschuldigde BPM die voor deze auto’s in de jaren 2012 tot en met 2015 van toepassing zal zijn.

Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor zeer zuinige auto’s vervalt

Tot 1 januari 2014 blijft de huidige vrijstelling van de MRB voor zeer zuinige auto’s gehandhaafd en gelden de huidige CO2-vrijstellingsgrenzen (benzine 110 gr/km, diesel 95 gr/km). Vanaf 2014 vervalt de vrijstelling van de MRB voor zowel nieuwe als bestaande auto’s en zal de belasting alleen nog op gewicht zijn gebaseerd. Uitzondering hierop vormt een vrijstelling tot en met 2015 voor zeer zuinige auto’s met een uitstoot van niet meer dan 50 gr/km.

Kortingsregeling jaarbetaling motorrijtuigenbelasting vervalt

De verschuldigde motorrijtuigenbelasting wordt over het algemeen per kwartaal betaald. Het is echter ook mogelijk om de motorrijtuigenbelasting voor een jaar vooruit te betalen. Dat levert een korting op van 3 euro per vooruitbetaald kwartaal. De korting was ooit bedoeld als stimulans voor het kiezen van de meest efficiënte betalingsvorm. De automatisering van de belastingheffing en de ontwikkelingen in het betalingsverkeer hebben echter niet stilgestaan. Betaling per automatische incasso per maand vergt minder administratieve lasten en uitvoeringkosten dan handmatige betaling per jaar. Het streven is daarom om de betaling van MRB juist zoveel mogelijk te laten plaatsvinden via automatische incasso. Het percentage houders dat de belasting voor 4 kwartalen vooruitbetaalt, is inmiddels gedaald tot onder de 8 procent. Overigens is het effect van de vaste korting van 3 euro per kwartaal ook niet evenwichtig. Bij lage MRB-bedragen vormt de korting van in totaal 12 euro per jaar een relatief hoog percentage van de verschuldigde belasting, bij hoge MRB-bedragen is de korting relatief onbeduidend. Daarom wordt de korting bij jaarbetaling met ingang van 1 januari 2012 afgeschaft.

Oldtimervrijstelling voor 30 jaar oude auto’s
Op dit moment geldt er voor auto’s die ouder zijn dan jaar 25 jaar een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (de oldtimervrijstelling). Deze regeling zou per 1 januari 2012 worden afgeschaft voor auto’s die na deze datum de leeftijd van 25 jaar zullen bereiken. De Tweede Kamer heeft er echter voor gezorgd dat de oldtimervrijstelling blijft gehandhaafd. Wel wordt de leeftijdsgrens opgetrokken van 25 jaar naar 30 jaar. Voor oldtimers die nu tussen de 25 jaar en 29 jaar oud zijn, is een overgangsregeling getroffen. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting blijft voor deze auto’s behouden.

Omzetbelasting

Nieuwe regels in de omzetbelasting voor privégebruik auto van de zaak

Vanaf 1 juli 2011 gelden er nieuwe regels voor het privégebruik van de auto van de zaak. In 2011 moeten daarom zowel oude als nieuwe regels worden toegepast. Aanleiding hiervoor is een uitspraak van de Rechtbank in Haarlem van 1 juni 2011. Over de toepassing van de nieuwe regels ter zake van de bijtelling voor de omzetbelasting voor het privégebruik over 2011 (aan te geven over het vierde kwartaal van 2011) bestaat op dit moment nog geen 100% duidelijkheid. Hierover is overleg met de Belastingdienst gaande. Wij houden u op de hoogte. 

(Bron: Fiscanet)

De waarde van een kapitaalverzekering in de aangifte IB 2011

Hoe moet iemand de belaste waarde van een kapitaalverzekering in box 3 verwerken in de aangifte inkomstenbelasting over 2011? Het gaat om een persoon die een waarde-opgave krijgt van de verzekeraar van een kapitaalverzekering per 1 januari 2011.
Kapitaalverzekeringen die niet zijn aangemerkt als kapitaalverzekering eigen woning (KEW) worden in beginsel aangemerkt als bezitting in box 3. In box 3 geldt onder voorwaarden een bezittingsvrijstelling voor kapitaalverzekeringen afgesloten vóór 15 september 1999. Daarnaast geldt een vrijstelling voor begrafenisverzekeringen, op voorwaarde dat de som van het verzekerde kapitaal per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6.744 (bedrag 2011) of dat de som van de waarde van de rechten uit de verzekering per persoon niet meer bedraagt dan € 6.744 (bedrag 2011). In de andere gevallen is de kapitaalverzekering in box 3 belast met vermogensrendementsheffing.

Vermogensrendementheffing

Om vast te stellen waarover iemand in 2011 vermogensrendementsheffing verschuldigd is, wordt gekeken naar het saldo van bezittingen en schulden op 1 januari 2011. Er wordt niet langer gekeken naar het gemiddelde saldo over een heel kalenderjaar, maar uitsluitend naar het saldo op 1 januari. Bij het vaststellen van dit saldo wordt rekening gehouden met verschillende vrijstellingen, waaronder het heffingvrij vermogen en de hiervoor aangehaalde vrijstelling voor begrafenisverzekeringen. Over 2011 mag ook nog rekening worden gehouden met een kindertoeslag van € 2.779 per kind. In 2012 is deze kindertoeslag komen te vervallen.
­
Over dit saldo wordt diegene geacht een rendement te behalen van 4%. Vervolgens wordt dit forfaitair vastgestelde rendement belast met 30%. Per saldo is deze persoon over het saldo van bezittingen en schulden dus 1,2% vermogensrendementsheffing verschuldigd.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Zakelijk belang blijft essentieel voor onbelaste lunch

Een gratis lunch voor werknemers kan alleen als het zakelijk belang kan worden aangetoond. Is dit niet het geval dan is de vergoeding of verstrekking belast, zo leert een rechtszaak die speelt voor de rechtbank in Haarlem.

Gezamelijke lunches

Tussen de middag samen eten. Dat is goed voor de teamgeest, maar ook voor het bedrijf. Er wordt belangrijke informatie uitgewisseld en de collega’s leren van elkaar. Volgens de werkgever is er dus een meer dan bijkomstig zakelijk belang bij de gezamenlijke lunches. Daar denkt de Belastingdienst anders over.

Eerste 80 lunches

Een onderneming bestaat uit een aantal makelaardijen, een hypotheekwinkel en een assurantiekantoor. De onderneming verstrekte de werknemers van deze zaken in de jaren 2002 tot en met 2005 lunches die gezamenlijk werden gegeten op een locatie. De eerste tachtig lunches per werknemer werden niet tot het loon gerekend. Dat was in die tijd gebruikelijk, maar dan moest wel het meer dan bijkomstige zakelijke belang van de lunches worden aangetoond.

Forfait

Na de tachtigste maaltijd moest een forfait per lunch tot het loon worden gerekend. Echter, de Belastingdienst was bij de gang van zaken in dit bedrijf van mening dat deze werkgever ook over de eerste tachtig lunches belasting moest betalen. Volgens de fiscus ontbrak het meer dan bijkomstig zakelijke belang voor deze lunches.

80-maaltijdenregeling

Van 1 januari 2001 tot 31 december 2006 gold voor maaltijden waaronder ook lunches met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter de zogenoemde 80-maaltijdenregeling. De vergoeding of verstrekking van maximaal tachtig maaltijden was met de hiervoor genoemde voorwaarden volledig onbelast. Werd de 80-maaltijden norm overschreden dan gold een normbedrag per lunch dat tot het belaste loon werd gerekend.

Bijkomstig zakelijk belang

De fiscus verstaat onder het bijkomstig zakelijk belang, een belang waarbij het zakelijk karakter meer dan tien procent is. Daarbij kan gedacht worden aan maaltijden tijdens dienstreizen van vertegenwoordigers, zakelijke besprekingen met klanten etc.

Lunch op vaste werkplek

Een lunch op een vaste werkplek is volgens de wetsgeschiedenis een voorbeeld van een maaltijd waarbij het zakelijk belang onvoldoende is. Samen met collega’s lunchen, waarbij wel of niet over het werk wordt gesproken, valt dus niet onder deze 80-regel. Is het een lunch met klanten, dan is er weer wel sprake van een bijkomstig zakelijk belang.

Loonheffing

De rechter is met de Belastingdienst van mening dat de lunch die door de werknemers van de bedrijven (binnen de ‘holding’) op een vaste werkplek werd genuttigd niet is vrijgesteld van loonheffing. Volgens de onderneming echter waren veel werknemers vaak buiten het kantoor voor het verrichten van de werkzaamheden en kwamen zij dan weer bij elkaar om tijdens de lunch zakelijke gegevens met elkaar uit te wisselen.

Tien munuten over zaken gesproken

De werkgever zegt dat er in de tijd van een half uur lunchpauze minimaal tien minuten over zaken die het werk betreft werd gesproken. Toch vindt de rechter dit geen argument om te kunnen spreken van een meer dan bijkomstige zakelijk belang, ook al werd er wellicht minimaal tien minuten over het werk gesproken. De eerste tachtig lunches zijn dus ook belast.

Geen vrijbrief

Ook al is deze regeling in 2007 afgeschaft, toch is het van belang goed na te gaan of bij lunches bijkomstige zakelijke belangen worden gediend. Tegenwoordig zijn alle maaltijden (dus ook na tachtig maaltijden) onder deze voorwaarden belastingvrij. Dat biedt echter geen vrijbrief om zakelijk met elkaar te gaan lunchen. De Belastingdienst blijft hameren op het zakelijk belang anders is de vergoeding of verstrekking belast.

(Bron: Rechtbank Haarlem)

Stamrecht of afkoopsom voor personeel kan fiscaal onvoordelig uitpakken

De Belastingdienstpensioensite heeft op 25 januari 2012 een handreiking gederfd of te derven loon gepubliceerd (versie 10 januari 2012).

In de praktijk komen stamrechten ter vervanging van gederfd of te derven loon bij ontslag steeds vaker voor, ook bij werknemers met de pensioendatum in zicht. Het gaat dan om de aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in het stamrechtartikel en de daarmee gelijkgestelde stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten.

De kennisgroep pensioenen (die ook stamrechten in zijn takenpakket heeft) meent in verband daarmee dat het nuttig kan zijn een handreiking te bieden bij vragen die in de praktijk ontstaan over de fiscale grenzen en (on)mogelijkheden bij de toekenning van stamrechten in het algemeen en bij ontslaguitkeringen aan oudere werknemers met de pensioendatum in zicht in het bijzonder.

De onderwerpen die in deze handreiking aan bod komen zijn onder meer:

* Het begrip ‘te derven loon’

* Te derven loon in relatie tot pensioen

* Het begrip ‘loon’ in ‘te derven loon’

* De stamrechtruimte

* Voorbeeld van de berekening van de stamrechtruimte bij een oudere werknemer

* Het begrip ‘gederfd’ loon

* Geen toepassing stamrechtvrijstelling voor te derven loon tijdens het bestaan van de      dienstbetrekking

Deze handreiking geldt zowel voor stamrechten die werkgever en werknemer overeenkomen in individuele gevallen van ontslag als voor stamrechten die worden toegekend in het kader van een reorganisatie, sociaal plan of collectief ontslag. Ambitions.nu wil u hierop atenderen. Het is goed om te overleggen met een adviseur indien u overweegt om grote afkoopsommen te betalen aan personeel. Indien dit niet goed begeleid word kan dit soms nadelig uitpakken. Neem gerust hierover contact op info@ambitions.nu.

Bron: Belastingdienst

Proeftijd is niet rechtsgeldig tot stand gekomen

Een werkgever bevestigt de indiensttreding van werknemer B in een brief. In diezelfde brief aan B vermeldt de werkgever dat de eerste maand geldt als proeftijd. In deze proeftijd wil de werkgever B ontslaan. Maar is er tussen partijen wel een geldige proeftijd overeengekomen door middel van de brief? Het Hof oordeelt dat niet aan de ondergrens van het proeftijdbeding is voldaan.

 

Een werknemer is per 1 februari 2011 in dienst getreden bij een werkgever. De werkgever heeft in de vorm van een brief op 31 januari 2011 bevestigd dat de werknemer voor bepaalde tijd in dienst treedt en dat de eerste maand heeft te gelden als proeftijd.

 

De werkgever vond dat de werknemer onvoldoende functioneerde en heeft daarom per brief aan de werknemer laten weten dat de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd wordt beëindigd. De werknemer is het hier niet mee eens en vordert schadevergoeding met als argument dat er geen proeftijd is overeengekomen en dat de arbeidsovereenkomst niet tussentijds opzegbaar was.

 

De kantonrechter wijst de vordering af waarop de werknemer in hoger beroep gaat. Het Hof oordeelt dat het opnemen van het schriftelijkheidsvereiste in de wet niet alleen bedoeld is om  duidelijkheid te verschaffen maar ook om het belang van de werknemer te beschermen dat hij niet geconfronteerd wordt met een plotseling verlies van zijn arbeidsplaats. Het Hof geeft aan dat er voor het proeftijdbeding een zogenaamde ondergrens geldt. Deze ondergrens houdt in dat de werknemer minimaal een handtekening heeft gezet onder een document dat naar de proeftijd verwijst. Alleen indien partijen al mondeling overeenstemming hebben bereikt over de proeftijd volstaat een eenzijdige schriftelijke bevestiging.

 

Het Hof constateert dat in deze zaak aan deze ondergrens niet was voldaan en derhalve is er geen sprake van een rechtsgeldig proeftijdbeding. De werknemer maakt terecht aanspraak op een schadevergoeding. Het eenzijdig schriftelijk bevestigen heeft dus niet altijd tot gevolg dat er een rechtsgeldige proeftijd wordt overeengekomen.

Bron: Hof Leeuwarden

Wanneer moet ik mijn aangifte BTW, omzetbelasting doen?

De meest voorkomende periodes om aangifte omzetbelasting/BTW te doen zijn jaaraangifte, kwartaalaangifte of jaaraangifte. Indien je voor de omzetbelasting/BTW jaaraangifte hoeft dan doe je jaarlijks achteraf aangifte per kalenderjaar. Je hebt dan vanaf 1 januari tot en met 31 januari van het jaar op tijd om aangifte te doen en als je BTW/omzetbelasting moet betalen dan dien  je dat dan ook uiterlijk 31 januari van het jaar erop gedaan te hebben. Start je bijvoorbeeld in dit jaar dan loopt de eerste BTW/omzetbelasting aangifte van de startdatum van je onderneming (inschrijving bij de Kamver van Koophandel) tot het einde van het kalenderjaar.

De meeste onderneming die zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en die verplicht omzetbelasting/BTW-aangifte moeten doen, moeten dit per kwartaal doen. Hieronder zijn de tijdvakken weergegeven voor BTW/omzetbelasting-aangifte. Begint je onderneming in de loop van een kwartaal dan loopt de aangifte tot het einde van het betreffende kwartaal. Bijvoorbeeld begin je per 16 maart dan moet je van 16 maart tm 31 maart aangifte Omzetbelasting/BTW doen. Vervolgens sluit je gewoon weer aan op de reguliere data om aangifte omzetbelasting / BTW te doen.

Hieronder een overzicht van de tijdvakken aangiftedata en uiterste betaalmomenten voor de omzetbelasting/BTW voor kwartaal en maandaangifte (Er staat 2012, maar er kan ook een willekeurig ander jaar ingevuld worden):

Kwartaalaangifte (Veelal van belang voor BTW, omzetbelasting ZZP’ers eenmanszaken):

 

Tijdvak

Ingangsdatum

Einddatum

Uiterste Aangiftedatum

Uiterste betaaldatum

1e kwartaal

01-01-2012

31-03-2011

30-04-2012

30-04-2012

2e kwartaal

01-04-2012

30-06-2012

31-07-2012

31-07-2012

3e kwartaal

01-07-2012

30-09-2012

31-10-2012

31-10-2012

4e kwartaal

01-10-2012

31-12-2012

31-01-2013

31-01-2013

 

Maandaagifte

 

Tijdvak

Ingangsdatum

Einddatum

Uiterste Aangiftedatum

Uiterste betaaldatum

Januari

01-01-2012

31-01-2011

29-02-2012

29-02-2012

Februari

01-02-2012

29-02-2012

31-03-2012

31-03-2012

Maart

01-03-2012

31-03-2012

30-04-2012

30-04-2012

April

01-04-2012

30-04-2012

31-05-2012

31-05-2012

Mei

01-05-2012

31-05-2012

30-06-2012

30-06-2012

Juni

01-06-2012

30-06-2012

31-07-2012

31-07-2012

Juli

01-07-2012

31-07-2012

31-08-2012

31-08-2012

Augustus

01-08-2012

31-08-2012

30-09-2012

30-09-2012

September

01-09-2012

30-09-2012

31-10-2012

31-10-2012

Oktober

01-10-2012

31-10-2012

30-11-2012

30-11-2012

November

01-11-2012

30-11-2012

31-12-2012

31-12-2012

December

01-12-2012

31-12-2012

31-01-2013

31-01-2013

 

 

 

Bedrijfspand en btw – 8 vragen en antwoorden

Bij een bedrijfspand komt de btw altijd om de hoek kijken. Of het nou om een huurcontract gaat, een kooppand of een kantoor aan huis, de vraag is altijd: “Is het met of zonder btw?”

BEDRIJFSPAND EN BTW – 8 VRAGEN EN ANTWOORDEN
De keuze voor het bedrijfspand is een belangrijke beslissing. Vijf jaar aan een huurcontract vastzitten? Een bedrijfspand kopen of toch liever een kantoor aan huis? In alle gevallen luidt de hamvraag: ‘Met of zonder btw?’

1. Hoe zit het met btw bij koop?
In principe is de levering van een onroerende zaak vrijgesteld van btw-heffing. Is echter sprake van een levering van een bouwterrein of van nieuwbouw (waarbij de levering vóór, op of uiterlijk twee jaren na eerste ingebruikneming van het pand plaatsvindt) dan is btw over de aankoopsom verplicht. Maar ook bij een ‘ouder’ pand kunnen koper en verkoper kiezen voor levering inclusief btw.

“Dat mag echter alleen – en is ook pas interessant – als de koper het nieuwe onderkomen aanwendt voor werkzaamheden die nagenoeg geheel (voor negentig procent of meer) btw-plichtig zijn. In sommige branches bestaat deze mogelijkheid al bij zeventig procent”.

2. Wat wordt bedoeld met btw-plichtig?

U bent btw-plichtig als u voor de btw ondernemer bent. In een aantal gevallen is het leveren van goederen of het verlenen van diensten bij wet vrijgesteld van btw. Over deze prestaties mag u geen btw berekenen aan uw afnemer en hoeft u geen btw af te dragen. U hebt geen recht op aftrek van voorbelasting voor zover u goederen en diensten gebruikt voor uitsluitend vrijgestelde prestaties.

Voor koop en huur van het bedrijfspand hanteert de wetgever de eerder genoemde grens van negentig procent. Gaat u daar overheen, dan mogen koper en verkoper opteren voor levering van een pand met btw.

3. Waarom kiezen voor levering met btw?
Wanneer een ondernemer het pand nagenoeg geheel voor btw-belaste prestaties gebruikt, is het voor hem interessant om te opteren voor btw-belaste levering. Hij kan de aan hem in rekening gebrachte btw (nagenoeg geheel) aftrekken.

Let wel op dat de koper er rekening mee moet houden dat de vooraftrek ‘voorwaardelijk’ is. “Er start een herzieningstermijn van negen jaar na afloop van het jaar waarin hij het pand in gebruik heeft genomen. Verkoopt de ondernemer binnen deze periode het pand, dan kan hij met herzienings-btw worden geconfronteerd. Wordt bij de verkoop binnen de herzieningstermijn geen btw in rekening gebracht, dan moet de verkoper een deel van de afgetrokken voorbelasting ineens terugbetalen.”

De verkoper zal deze terugbetaling naar alle waarschijnlijkheid (indien mogelijk) in zijn verkoopprijs willen verdisconteren.

4. Is naast btw-heffing ook overdrachtsbelasting verschuldigd?
Wanneer de levering van een pand verplicht met btw plaatsvindt, kan gebruik worden gemaakt van de samenloopvrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Dat geldt echter niet als de koper de btw geheel of gedeeltelijk kan terugvragen en het pand al als bedrijfsmiddel is gebruikt. Kiest u in dat geval voor levering mét btw, dan is naast de btw ook overdrachtsbelasting verschuldigd.

5. Is de huursom belast met btw?
In principe is verhuur van een bedrijfspand onbelast. Huurder en verhuurder kunnen echter gezamenlijk kiezen voor btw-belaste verhuur. Hierdoor kan de verhuurder de aan hem in rekening gebrachte btw in aftrek brengen. Voorwaarde is dat de huurder negentig procent of meer van de in rekening gebrachte btw in aftrek kan brengen. Voor sommige branches geldt zeventig procent.

6. Is btw op een pand dat ook privé wordt gebruikt aftrekbaar?
Tot 2011 kon een ondernemer van een pand dat zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden werd gebruikt de btw via de zaak voor de volle honderd procent opvoeren bij de aangifte omzetbelasting, wanneer het pand voor de btw volledig tot het bedrijfsvermogen werd gerekend.

Van deze mogelijkheid werd nog al eens gebruik gemaakt, wanneer een ondernemer een woning liet bouwen. De over de bouw verschuldigde btw was direct aftrekbaar. Het privégebruik werd vervolgens belast.

Sinds 1 januari is deze mogelijkheid vervallen en is de btw over de aanschaf-, onderhouds- en renovatiekosten alleen nog maar aftrekbaar voor het bedrijfsgedeelte van het pand (voorzover recht op aftrek van voorbelasting bestaat). Als het bedrijfsgedeelte qua omvang binnen tien jaar wijzigt, wordt de btw-aftrek alsnog gecorrigeerd.

7. Hoe pakt dit financieel uit?
Een voorbeeld. De btw over de aanschaf van een pand dat geheel tot het bedrijfsvermogen gaat behoren bedraagt € 38.000,-. De ondernemer gebruikt het pand voor 80% voor bedrijfsdoeleinden waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat en voor 20% voor privédoeleinden.

Tot 2011 kon de ondernemer € 38.000,- in aftrek brengen en diende er jaarlijks een correctie plaats te vinden van € 760,- (ervan uitgaande dat het privégebruik 20% blijft).

Onder de nieuwe regeling kan de ondernemer ‘maar’ € 30.400,- (80% van € 38.000,-) op zijn btw-aangifte in vooraftrek brengen. 20% (€ 7.600,-) is privé-gebruik en komt niet voor aftrek via de zaak in aanmerking. Wijzigt op een later tijdstip het privégebruik, dan wordt de in aftrek gebrachte voorbelasting herzien.

8. En hoe zit het met het verlaagde btw-tarief bij renovatie en herstel?
Een van de crisismaatregelen is de verlaging van het btw-tarief naar 6% voor renovatie en herstel van een woning die minimaal twee jaar oud is. De regeling geldt nog tot 1 juli 2011. Het gaat hierbij om het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van (delen van) de woning. Dus ook het plaatsen van bijvoorbeeld een serre.

De staatssecretaris heeft echter goedgekeurd dat panden die deels als woning en deels als bedrijfspand worden gebruikt (bijvoorbeeld woon/winkelpanden) voor het verlaagde btw-tarief in hun geheel als woning worden aangemerkt. Daarbij geldt als voorwaarde dat die panden voor meer dan vijftig procent voor particuliere bewoning worden gebruikt. Bij een percentage van vijftig procent of minder geldt het lage tarief alleen voor het woongedeelte. Het verlaagde tarief is overigens alleen van toepassing op het arbeidsloon, niet op materialen.

Bron: De Zaak

Vorstverlet vanuit de WW

Door het winterse weer kunnen veel werknemers in voornamelijk de bouw en aanverwante sectoren momenteel niet werken. Is het mogelijk dat uw werknemers recht hebben op vorstverlet vanuit de WW?

Risicosfeer
Het vriest op dit moment behoorlijk hard en naar het zich laat aanzien, houd het koude weer nog wel een tijdje aan. Leuk voor de schaatsliefhebbers en de leveranciers van aardgas, maar minder aangenaam voor werknemers die buiten aan het werk zijn en hun werkgevers.
Voor werknemers is het door de combinatie van de wind en de lage temperatuur gewoon te koud om te kunnen werken, terwijl werkgevers het salaris voor de werknemers toch moeten doorbetalen. Het koude weer ligt immers in de risicosfeer van de werkgever.
Zonder cao bestaat er in ieder geval geen mogelijkheid tot een beroep op een WW-uitkering wegens de vorst.

Soms wel recht op WW-uitkering
Een aantal sectoren kent echter een regeling, waarbij de werknemers toch recht kunnen hebben op een WW-uitkering, als er vanwege de vorst niet gewerkt kan worden. Een mogelijk beroep op deze regeling dient in ieder geval opgenomen te zijn in de cao die op uw onderneming van toepassing is. Of u van deze cao gebruik kunt maken, hangt af van de vraag of u lid bent van de branchevereniging of van de vraag of de cao op dit moment algemeen verbindend verklaard. Met andere woorden, heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het besluit genomen, waardoor een cao ook wordt opgelegd aan werkgevers die geen lid zijn van de werkgeversorganisatie die de cao heeft afgesloten.
De cao’s kennen ieder voor zich namelijk verschillende (aanvullende) voorwaarden, voordat u een beroep kunt doen op een vervangende WW-uitkering. Zo kent de cao voor de bouwnijverheid bijvoorbeeld 22 wachtdagen.
Valt uw bedrijf bijvoorbeeld onder de cao Hellende Daken, Riet- en Leidekkers of onder de CAO voor het Technisch Installatiebedrijf (o.a. loodgieters), dan zijn er geen wachtdagen. Elke cao kent dus een eigen regeling.

De volgende cao’s kennen in ieder geval een regeling op het gebied van het vorstverlet:

– cao ABU-NBBU voor Uitzendkrachten
– cao Afbouw
– cao Beroepsgoederenvervoer
– cao Betonproductenindustrie
– cao Bitumineuze en Kunststofdakbedekkingen
– cao Bouwnijverheid
– cao Hellende daken, Riet- en Leidekkers
– cao Houthandel
– cao Metaal en Techniek
– cao Metaalelektro
– cao Mortel en Morteltransport
– cao Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf

Wij adviseren u dan ook om te controleren of op uw onderneming een cao van toepassing is, waarin een regeling rond de vorstverlet is opgenomen en of u hierop een beroep zou kunnen doen op.

Bron: Bestuur Rendement

Papieren schenking moet op notarieel papier

Hoe kunnen ouders zoveel mogelijk zeggenschap behouden over de schenking aan hun kind en tegelijkertijd de fiscale faciliteiten optimaal benutten? De Hoge Raad deed onlangs een uitspraak waarbij de fiscale aftrek van een ‘schuldigerkenning’ niet goed was geregeld.
De zaak gaat als volgt. De moeder schenkt een geldbedrag aan haar kind en leent dit bedrag direct weer terug. In de onderhandse leningsovereenkomst wordt bepaald dat de hoofdsom pas opeisbaar is bij overlijden van moeder en dat moeder jaarlijks een rente verschuldigd is van 5%.
­
De inspecteur stelt dat deze schuldigerkenning niet als schuld aftrekbaar is in de nalatenschap van moeder, omdat er geen sprake was van een notariële akte. Rechtbank Arnhem en Hof Arnhem stellen de inspecteur in het gelijk.
­
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van het kind verworpen. Volgens het Burgerlijk Wetboek vervalt een schenking op het moment dat de schenker overlijdt, voor zover de schenking de strekking heeft om pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd en niet als de schenker nog in leven is. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt als de schenking persoonlijk door de schenker is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt.

Met het begrip ‘uitgevoerd’ wordt in dit geval bedoeld dat de verbintenis die uit de schenkingsovereenkomst voortvloeit (feitelijk) is nagekomen.

Belang voor de praktijk
Ouders hebben vaak de wens om al tijdens hun leven een deel van hun vermogen aan hun kind(eren) te schenken. Zij willen daarbij de fiscale mogelijkheden optimaal benutten en meestal tegelijkertijd zoveel mogelijk zeggenschap over de schenking behouden, zodat het geschonken geld niet aan de verkeerde dingen kan worden besteed.
­
Voor deze ouders heeft de adviespraktijk naast de in dit arrest naar voren gekomen ‘papieren schenking’ een aantal beschermingsconstructies ontwikkeld die hieronder kort de revue passeren.

  • Schenken onder last: De ouder schenkt een geldbedrag waarbij het kind de beperking wordt opgelegd dat het geld alleen mag worden gebruikt voor een bepaald doel, bijvoorbeeld ter financiering van studiekosten. Als het kind aan een andere besteding de voorkeur geeft, dan kan de ouder bij de rechter vorderen dat de schenking komt te vervallen.
  • Herroepelijk schenken: De ouder bepaalt bij de schenking dat de schenking herroepen kan worden als de ouder tot de conclusie komt dat het geld verkeerd wordt besteed.
  • Schenken via een ‘en-en-rekening’: In deze variant storten de ouders geld op een rekening waarop het kind medegerechtigd is. Essentieel is dat voor elke opname twee handtekeningen vereist zijn en de ouder daardoor daadwerkelijk grip houdt. Vaak wordt in de beheersovereenkomst gebruikgemaakt van de wettelijke mogelijkheid om voor een periode van maximaal vijf jaar het vorderen van verdeling van de rekening uit te sluiten.
  • Schenken met bewind: Door het instellen van bewind wordt het geschonken vermogen onttrokken aan de handelingsbevoegdheid van het kind.
  • Schenking door middel van een kapitaalverzekering: Door de werking van het verzekeringsrecht kan vermogensoverheveling met onbeperkt houdbare grip eenvoudig gerealiseerd worden door middel van een kapitaalverzekering.

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden