Hoe beperkt u belastingrente over uw aanslag vennootschapsbelasting?

Gezien de belastingrente voor de vennootschapsbelasting van 8% is het van belang om kritisch te kijken naar uw voorlopige aanslagen over de afgelopen jaren. Daarmee kunt u voorkomen dat de Belastingdienst u deze hoge rente in rekening brengt of de termijn beperkt waarover belastingrente in rekening wordt gebracht. Is over het jaar 2019 nog geen voorlopige aanslag opgelegd of wel een voorlopige aanslag opgelegd en is de huidige inschatting dat deze aanslag te laag is? Dan moet u uiterlijk op 30 april 2020 actie ondernemen om belastingrente te voorkomen.

Belastingrente over vennootschapsbelasting

In de publicatie ‘Belastingrente over vennootschapsbelasting’ vindt u meer informatie over het beperken van belastingrente. Ook besteden we aandacht aan de gevolgen van het opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen of gegevens in een verzoek tot het opleggen of aanpassen van een voorlopige aanslag.

(Bron: BDO)

Citrix en Microsoft: Kwetsbaarheden treffen miljoenen gebruikers

Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) waarschuwt voor grote kwetsbaarheden in Citrix, RD Gateway’s en alle moderne Windows systemen welke actief worden aangevallen. De kwetsbaarheden stellen aanvallers in staat om eigen software uit te voeren op servers waarmee zij zich toegang kunnen verschaffen tot bedrijfsnetwerken. De kwetsbaarheden hebben al geleid tot hackpogingen op Ziekenhuis Leeuwarden en Gemeente Zutphen. 

Door de Windows kwetsbaarheid kan een aanvaller de kwetsbaarheid misbruiken om bijvoorbeeld een geïnfecteerde executabel op een systeem naar binnen te krijgen. Na een infectie kan een aanvaller een man-in-the-middle-aanval uitvoeren en versleutelde communicatie van het systeem afluisteren. Concreet betekent dit dat een aanvaller kwaadaardige programma’s kan en mag installeren op het (bedrijfs)netwerk en zorgt ermee dat beveiligingssystemen worden ontweken.

Is mijn organisatie vatbaar voor een aanval?

De volgende omgevingen zijn geïdentificeerd als kwetsbaar voor een aanval;

Citrix versies 10.5, 11.1, 12.0, 12.1 en 13.0, kwetsbaarheid:  CVE-2019-19781
•    Citrix (Netscaler) Application Delivery Controller
•    Citrix (Netscaler) Gateway

Microsoft omgevingen voorzien van RD Gateway, kwetsbaarheden: CVE-2020-0609, CVE-2020-0610 en CVE-2020-0612.
•    Windows Server 2012, 2012 R2
•    Windows Server 2016
•    Windows Server 2019


Windows versies, kwetsbaarheid: CVE-2020-0601
•    Windows 10
•    Windows Server 2016
•    Windows Server 2019

Er zijn tools gepubliceerd waarmee lekken in Citrix omgevingen direct en op grote schaal aangevallen kunnen worden. Aanvallers zijn actief opzoek naar kwetsbare servers om deze te infecteren. Over Citrix omgevingen stelt het NCSC; ‘Mocht u op dit moment nog geen mitigerende maatregelen hebben getroffen, dan moet u er rekening mee houden dat uw systeem gecompromitteerd is.’. Op het moment van schrijven zijn deze tools nog niet bekend voor Microsoft omgevingen. 

Hoe kan ik mijn systemen en organisatie beschermen?

Er zijn vanuit Citrix voor 2 van de 7 getroffen omgevingen patches beschikbaar gesteld waarmee kwetsbaarheden worden verholpen. Citrix verwacht op 24 januari 2020 patches voor de overige omgevingen uit te brengen. Citrix adviseert via zijn website mitigerende maatregelen om mogelijk misbruik tegen te gaan en het is aanbevolen om deze direct uit te voeren. 

Microsoft heeft afgelopen dinsdag beveiligingsupdates uitgebracht welke de enige remedie is tegen de aangetroffen kwetsbaarheden. Het is ten zeerste aanbevolen om deze direct te installeren. 

Voor beide omgevingen geldt dat de noodzaak van het aanhouden van de omgevingen overwogen dient te worden. Het open houden van de diensten en het nemen van mitigerende maatregelen dient in alle gevallen gebaseerd dient te zijn op een risicoafweging van de organisatie. In het uiterste geval kan worden besloten om deze, indien mogelijk, uit te schakelen.

(Bron: BDO)

Bestelauto: afkoop van ‘bijtelling’ is mogelijk onder voorwaarden

Bij het ter beschikking stellen van een (bestel)auto aan werknemers wordt geacht dat deze (bestel)auto tevens voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld. Dit heeft tot gevolg dat een percentage van de catalogusprijs van de (bestel)auto tot het loon van de werknemer wordt gerekend (lees: bijtelling). 

Wanneer de werkgever aannemelijk kan maken dat privégebruik niet mogelijk is door de aard en inrichting van de (bestel)auto, danwel de (bestel)auto aantoonbaar voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, kan bijtelling achterwege blijven. Bovenstaande geldt niet alleen voor een personenauto, maar tevens voor  poolauto’s en/of bestelauto’s.

€ 300 eindheffingsregeling voor bestelauto’s

Onder voorwaarden kunt u de bijtelling voor het privégebruik van de bestelauto afkopen. Dat betekent dat u € 300 euro eindheffing per bestelauto per jaar betaalt. Deze eindheffing hoeft u niet te verhalen op de werknemers maar komt voor rekening van de werkgever.

Om deze € 300 eindheffingsregeling te kunnen toepassen, moet sprake zijn van een bestelauto die in verband met de aard van het werk doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers waardoor het bezwaarlijk is om vast te stellen of en aan wie de bestelauto voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld.

Recente jurisprudentie autokostenfictie voor bestelauto’s

In een recente procedure bij het Gerechtshof Den Haag (19 november 2019) is beslist dat een inhoudingsplichtige de € 300 eindheffingsregeling voor bestelauto’s mag toepassen. Hierbij was in geschil of het gebruik van de bestelauto dusdanig afwisselend was dat bezwaarlijk kon worden vastgesteld aan wie de bestelauto ter beschikking was gesteld. 

Het betrof een situatie waarin een werkgever gelijktijdig aan twee werknemers één bestelauto ter beschikking had gesteld. De werknemers besloten in onderling overleg wie de bestelauto na werktijd mee naar huis nam. Meestal ging de auto mee met de werknemer die het verst weg woonde van de opdracht die de volgende dag werd uitgevoerd. Door deze afspraak gebeurde het dat de bestelauto een aantal weken niet van gebruiker wisselde maar kwam het ook voor dat de bestelauto iedere dag van gebruiker wisselde. Daarnaast werd de bestelauto tevens gebruikt door andere werknemers dan het vaste tweetal.

De rechtbank oordeelt dat door de wijze waarop de bestelauto wordt ingezet het bezwaarlijk is voor de werkgever om vast te stellen aan wie de bestelauto feitelijk voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank. Hierbij geeft het hof aan dat de toepassing overeenkomt met het doel en de strekking van de eindheffingsregeling voor bestelauto’s, namelijk een praktische regeling te geven in gevallen waarbij niet is na te gaan wie, wanneer, tijdens welke rit met welk doel, naar of van werk, privé of zakelijk, de auto bestuurt en gebruikt. 

(Bron: BDO)

Nawerking: ook als de cao niet meer geldig is

Een cao is meestal voor de duur van één of twee jaar afgesloten. Toch moeten gebonden werkgevers de cao blijven toepassen als de geldigheidsduur voorbij is en er nog geen nieuwe cao tot stand is gekomen. De cao-bepalingen zijn namelijk onderdeel geworden van de arbeidsovereenkomst. Dit heet nawerking.

Ruim 80% van de Nederlandse werknemers valt onder een cao. In de praktijk is de nieuwe cao niet altijd rond als de oude cao afloopt. In een cao-loze periode kunnen werkgever en werknemer wel nieuwe arbeidsvoorwaarden overeenkomen. Echter, als er een nieuwe cao is afgesproken, komen deze afspraken uit de cao-loze periode weer te vervallen als ze in strijd zijn met de nieuwe cao-bepalingen.

Avv-cao heeft geen nawerking voor ongebonden werkgevers

Een cao die algemeen verbindend verklaard (avv) is, heeft geen nawerking voor ongebonden werkgevers. Deze werkgevers moeten alleen de cao toepassen tijdens de avv-periode. De arbeidsrelatie wordt daarna weer bepaald door de eerdere en nieuwe afspraken die zijn gemaakt tussen werkgever en werknemer. Er zijn echter twee uitzonderingen.

Bepaling uit cao is verworven recht

Allereerst kan een werknemer zich blijven beroepen op een bepaling uit een cao, als dit tijdens de avv-periode een verworven recht is geworden. Zo kan een werknemer die tijdens de looptijd van een avv-cao ziek wordt, recht hebben op 100% loondoorbetaling op grond van de avv-cao, terwijl in de arbeidsovereenkomst 70% staat. Is de looptijd van de cao voorbij, dan behoudt de nog zieke werknemer het recht op 100% loondoorbetaling zoals het in de cao staat, ook nadat de avv-periode is afgelopen. Het recht op 100% loondoorbetaling is namelijk een verworven recht geworden tijdens de looptijd van de avv-cao die dus nawerkt na de avv-periode.

Redelijkheid en billijkheid bepalen nawerking

De tweede uitzondering waarbij een avv-cao nog nawerkt, is op grond van redelijkheid en billijkheid. Een bepaling van een eerdere avv-cao kan van invloed zijn bij de uitleg van de arbeidsovereenkomst. Als cao’s tussen dezelfde cao-partijen meerdere keren achtereen algemeen verbindend verklaard zijn en er daardoor maar korte ‘avv-loze’ periodes zijn, kan uit de gedragingen en de verklaringen van de werkgever en werknemer blijken dat een bepaling van een avv-cao is blijven doorwerken in de arbeidsovereenkomst.

Cao-partijen kunnen avv laten verlengen

De avv verloopt bij afloop van de cao, ook als er sprake is van een stilzwijgende verlenging. Zolang er geen nieuwe avv is toegekend, zijn niet-gebonden werkgevers niet meer gehouden aan de cao. Om oneerlijke concurrentie tegen te gaan, kunnen de cao-partijen bij het ministerie van SZW gezamenlijk een verzoek indienen voor verlenging van de avv van een cao. De verlenging van de avv duurt maximaal een jaar.

(Bron: Rendement)

Ook btw afdragen over automatische incasso van abonnement

De omstandigheid dat een ondernemer een vooruitbetaling per automatische incasso ontvangt, is nog geen reden om de btw-afdracht uit te stellen.

Volgens de exploitant van een fitnesscentrum hoefde de afdracht van de btw over in december 2010 ontvangen abonnementsgelden pas in 2011 plaats te vinden. Deze B.V. vond dat geen sprake was van een vooruitbetaling, omdat de abonnementsgelden via automatische incasso van de rekening van de abonnementhouders waren geïncasseerd. Bovendien waren de abonnementen te allen tijde op te zeggen. In zo’n situatie was het betaalde abonnementsgeld terug te vorderen. Hof Arnhem-Leeuwarden ziet in deze omstandigheden echter geen reden om de btw-afdracht uit te stellen. Op grond van de Btw-richtlijn is de btw in het geval van vooruitbetalingen verschuldigd op moment van ontvangst van het bedrag. Ook volgens de wet is de btw uiterlijk verschuldigd op het moment waarop de btw-ondernemer de vergoeding voor zijn prestatie ontvangt. Daarbij maakt volgens het hof niet uit of de afnemer van de prestatie toestemming geeft voor automatische incasso of het bedrag zelf overmaakt. Ook de opzegbaarheid van het abonnement is in dit verband irrelevant. De B.V. had de btw over de vooruitbetalingen al in 2010 moeten afdragen, zodat de fiscus mag naheffen.

(Bron: Taxence)

Schenken op papier en de veranderingen in box 3

Een bedrag schenken, en als het ware onmiddellijk weer terug lenen. Dat is – kort gezegd – een schenking op papier. Een dergelijke schenking moet worden vastgelegd in een notariële akte, en de schenker moet jaarlijks 6% rente betalen over het geschonken bedrag – de vordering die is ontstaan als gevolg van de schenking. De schenking op papier kent een aantal valkuilen. Wij bespreken de drie belangrijkste, en besteden daarbij ook aandacht aan de voorgestelde veranderingen in de box 3-heffing.

De schenking op papier kan een oplossing zijn in de situatie wanneer je vermogen wilt overdragen aan de volgende generatie, maar zelf nog wel de beschikking wilt houden over dit vermogen. Deze manier van vermogensoverdracht kent een aantal valkuilen, waarvan de volgende drie de belangrijkste zijn:

1. Bewijs ontvangst jaarlijkse rente

Het is belangrijk te kunnen bewijzen dat er inderdaad jaarlijks 6% rente is betaald over het geschonken bedrag. Is de rente niet betaald of kan dit niet worden bewezen, dan wordt de schenking bij het overlijden van de schenker gezien als erfenis, en niet als een vordering die juist in mindering mag worden gebracht op de erfenis. Eventueel vergeten rentebetalingen kunnen – onder voorwaarden – later worden ingehaald.

2. Schenkbelasting

Als het bedrag van de schenking op papier hoger is dan de geldende vrijstelling moet over de schenking op papier schenkbelasting worden betaald. Dit kan een probleem zijn, omdat er feitelijk bij de schenking geen geld over tafel gaat. De schenker kan er voor kiezen om ‘vrij van recht’ te schenken, maar ook hier zitten haken en ogen aan.

3. Inkomstenbelasting

Over de vordering moet jaarlijks box 3-heffing worden betaald. Deze heffing kan worden betaald van de rente die jaarlijks van de schenker wordt ontvangen. De schuld die de schenker heeft kan door hem in box 3 in mindering worden gebracht.

Op 6 september heeft de staatssecretaris van Financiën een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de voorgenomen wijziging van de box 3-heffing. In de nieuwe situatie blijft de rente die wordt ontvangen onbelast, maar de heffing in box 3 wordt aanzienlijk hoger. Een voorbeeld, stel dat een kind op papier € 100.000 geschonken heeft gekregen. Als zij geen ander box 3 vermogen heeft, betaalt zij hierover in 2020 € 373 (1,8% x 30% x (€ 100.000 – € 30.846)). Onder de nieuw voorgestelde regels betaalt zij echter € 1.626 ((5,33% x € 100.000) – € 400) x 33%). Een verschil van € 1.254.

Maar ook voor de schenker gaat de box 3 heffing veranderen. De schuld zelf zal vanaf 1 januari 2022 niet meer aftrekbaar zijn. In plaats daarvan wordt een fictieve rente van 3,03% op het box 3 vermogen in mindering gebracht.

(Bron: HLB)

Een jubileumuitkering, de fiscale regels op een rij

Als werkgever waardeer je loyale werknemers die al geruime tijd in dienst zijn. Zo worden er vaak jubileumuitkeringen aan deze werknemers verstrekt als ze 12,5, 25 en 40 jaar in dienst zijn. Maar hoe zit het nu fiscaal met de wet- en regelgeving rondom deze vergoedingen?

De jubileumuitkering is onbelast en behoort niet tot het loon van de werknemer als aan de voorwaarden wordt voldaan. Er zijn drie voorwaarden die we hieronder verder zullen uitwerken, namelijk:

  • de werknemer is ten minste 25 jaar of 40 jaar in dienst;
  • de uitkering is eenmalig;
  • de uitkering is maximaal het loon over één maand.

Duur dienstbetrekking

De onbelaste vergoeding mag pas na het behalen van het jubileum van 25 of 40 jaar worden uitgekeerd. De uitkering kan dus nog niet worden verstrekt in de maand dat de werknemer het jubileum zal behalen, want de diensttijd op de datum van uitkeren is dan immers nog niet bereikt. Is de dienstbetrekking aangevangen op 2 september 1979 en eindigt deze op 31 augustus 2019, dan kan de werkgever de jubileumuitkering niet onbelast vergoeden omdat de periode van 40 jaar niet is volgemaakt.

Niet vereist is dat de uitkering wordt gedaan op het moment van het bereiken van die diensttijd. De uitkering kan bijvoorbeeld alsnog worden gedaan als het dienstverband bijvoorbeeld na 28 jaar wordt beëindigd, mits de vrijstelling voor de jubileumuitkering nog niet eerder is benut. De vrijstelling blijft dus als het ware staan tot zij wordt gebruikt. Het is zelfs mogelijk dat bij een 40-jarig jubileum een vrijstelling wordt toegepast van twee maandlonen als de eerdere vrijstelling (bij 25 jaar) nog niet is benut.

Wel is het zo dat de vrijstelling slechts eenmaal gebruikt kan worden. Het is dus niet mogelijk om met een 25-jarig jubileum belastingvrij een half maandloon te verstrekken en dit nogmaals te doen bij een 30-jarig jubileum. Het benutten van de vrijstelling is dan alleen nogmaals mogelijk na een diensttijd van 40 jaar.

Onderbroken dienstbetrekking

Als diensttijd geldt de termijn gedurende welke de dienstbetrekking heeft bestaan. De perioden waarin het dienstverband is onderbroken, tellen in principe niet mee. Als een werknemer bijvoorbeeld 20 jaar in dienst is geweest en vervolgens zes jaar bij een andere werkgever heeft gewerkt, dan mag de onbelaste jubileumuitkering, op het moment dat de werknemer terug in dienst komt, na vijf extra jaren dienstverband worden verstrekt.

In bepaalde situaties is het echter zo dat de diensttijd bij een vorige werkgever wél in aanmerking moet worden genomen. Dit speelt voornamelijk een rol bij concerns of wanneer er sprake is geweest van een fusie, overname of rechtsvormwijziging waarbij de werkgever geacht wordt de rechtsopvolger van de eerdere werkgever te zijn.

Hoogte jubileumuitkering

Het uitgangspunt bij het vaststellen van de belastingvrije jubileumuitkering is het fiscale loon over één maand (ook wel het loon voor loonbelasting/volksverzekering uit kolom 14 van de loonstaat).

Vergoedingen zoals tantièmes, bijzondere beloningen en aanspraken die tot het loon behoren, tellen niet mee voor de hoogte van de onbelaste vergoeding. Wel mag 1/12de deel van de vakantiebijslag en van het jaarbedrag aan vaste gegarandeerde bijzondere beloningen onbelast worden uitgekeerd. Wanneer een werknemer parttime werkt, dan moet voor de berekening van de diensttijdvrijstelling worden uitgegaan van het deeltijdloon. De werkgever kan er ook voor kiezen om bijvoorbeeld een gouden vulpen cadeau te doen aan de werknemer. De jubileumuitkering kan zowel in geld als in natura worden verstrekt, zolang de totale waarde van het cadeau (inclusief btw) niet meer bedraagt dan het maandloon.

Wanneer de beloning in geld of in natura meer bedraagt dan de diensttijdvrijstelling, behoort het meerdere tot het loon van de werknemer. De werkgever kan ervoor kiezen dat dit bedrag wordt aangewezen als eindheffingsloon onder de werkkostenregeling. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Geen recht op diensttijdvrijstelling

Ook op het moment dat niet aan de voorwaarden voor de diensttijdvrijstelling wordt voldaan, omdat de werknemer bijvoorbeeld 12,5 jaar in dienst is, kan de uitkering aangewezen worden als eindheffingsloon onder de werkkostenregeling. De jubileumuitkering moet dan wel aan de gebruikelijkheidstoets voldoen. Dat is het geval als de vergoeding niet meer dan 30% afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, en het tevens gebruikelijk is dat de belastingheffing over een dergelijke vergoeding voor rekening van de werkgever komt. De Belastingdienst beschouwt vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot € 2.400 per werknemer per jaar in ieder geval als gebruikelijk. Indien deze doelmatigheidsgrens wordt overschreden, zal moeten worden aangetoond dat de vergoeding niet in meer dan belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is.

(Bron: Schipper Groep)

Is de dga met een minderheidsbelang verzekerd voor de werknemersverzekeringen?

In de praktijk is een directeur-grootaandeelhouder (dga) met een minderheidsbelang in de werkmaatschappij vaak werkzaam op basis van een managementovereenkomst tussen zijn eigen holding en de werkmaatschappij. Is deze dga bij de werkmaatschappij dan wel of niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen?

Bij de beoordeling van deze vraag keek de Belastingdienst tot voor kort bijna altijd door de managementovereenkomst heen. Maar onlangs heeft de rechter in een aantal situaties deze zogenaamde ‘doorkijkbenadering’ van de Belastingdienst verworpen.

Beoordeling verzekeringsplicht

De Belastingdienst stelt met de doorkijkbenadering doorgaans dat sprake is van een dienstbetrekking tussen de dga en de werkmaatschappij. Er zijn dan in beginsel premies werknemersverzekeringen verschuldigd, tenzij een uitzondering geldt op grond van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016. Kort gezegd is voor die uitzondering vereist dat de dga (indirect) statutair bestuurder is van de werkmaatschappij én hij zijn eigen ontslag kan tegenhouden. Een dga met een minderheidsbelang is volgens de Belastingdienst dan meestal verzekerd voor de werknemersverzekeringen, zodat hiervoor premies moeten worden afgedragen bij de werkmaatschappij. 
Uit jurisprudentie volgt echter dat een contractuele afspraak tussen twee rechtspersonen niet zomaar kan worden genegeerd. Het hangt af van de bepalingen in de managementovereenkomst of er doorheen kan worden gekeken. Als de managementovereenkomst goed is opgesteld, dan is er geen sprake van privaatrechtelijke of fictieve dienstbetrekking, zodat dan ook geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd zijn. De jurisprudentie maakt het makkelijker om buiten de premieplicht te blijven, mits afspraken binnen bepaalde kaders worden gemaakt.

Wel of niet persoonlijk verplicht?

Een belangrijk criterium is of de dga verplicht is om de managementtaken persoonlijk uit te voeren. Zo niet, dan biedt de jurisprudentie een goede basis om buiten de verzekeringsplicht te blijven. Uiteraard moet bij deze analyse ook rekening worden gehouden met andere bepalingen in de managementovereenkomst alsmede de wensen van de betrokken partijen.

(Her)beoordeling positie voor de werknemersverzekeringen

Hoewel er nog geen volledige duidelijkheid bestaat, is onze ervaring dat steeds meer inspecteurs de ingezette trend in de jurisprudentie volgen. Daarom kan het interessant zijn om de situatie van de minderheids-DGA werkzaam op basis van een managementovereenkomst te (her)beoordelen in het licht van deze jurisprudentie. Mogelijk leidt dat tot een besparing van premies.  
Een ander aandachtspunt is of de private verzekering voor arbeidsongeschiktheid moet worden aangepast. Daarnaast kan het verstandig zijn om een beschikking aan te vragen om uitkeringsrechten te waarborgen dan wel naheffingen van premies te voorkomen.

(Bron: ABAB)

Ook nog scholingsaftrek in 2020 en 2021

De fiscale scholingsaftrek gaat verdwijnen, maar niet vóór 2022. Dat betekent dat de aftrek in 2020 en 2021 nog overeind blijft. Dit blijkt uit een brief van minister Koolmees van SZW.

Scholingsaftrek

Via de scholingsaftrek kunnen bepaalde kosten van scholing onder voorwaarden in aftrek op het inkomen worden gebracht.

Het betreft met name de kosten van:

  • lesgeld
  • cursusgeld
  • collegegeld
  • examengeld
  • verplicht gestelde leer- en beschermingsmiddelen

Aftrek vervangen door subsidie

Het kabinet beoogt al enkele jaren de scholingsaftrek te vervangen door een subsidie. Hierdoor zou het voordeel van de tegemoetkoming niet langer inkomensafhankelijk zijn.

Uitvoering

De uitvoering van een individuele subsidie inzake scholingskosten is voor het UWV nogal gecompliceerd, zo blijkt uit eerder genoemde brief van Koolmees.

Daarom kan deze subsidie niet eerder dan per 2022 worden ingevoerd. De fiscale aftrek blijft daarom tot die tijd gehandhaafd.

Aftrekbaar van de winst

De scholingsaftrek staat los van het feit dat scholingskosten van een ondernemer zelf ten laste van de winst kunnen komen. Dit is alleen anders als er een te ver verwijderd zakelijk belang is.

Ook de scholingskosten ten aanzien van zijn werknemers kunnen in beginsel ten laste van de winst worden gebracht.

(Bron: De Jong en Laan)

Is een fiscale eenheid bij BV’s nog wel nodig?

Vlak voor het einde van het jaar kan het geen kwaad om te beoordelen of de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting nog steeds gewenst is. Meerdere overwegingen kunnen daarbij een rol spelen.

Tariefvoordeel

Allereerst worden met ingang van 1 januari 2020 de tarieven voor de vennootschapsbelasting verder verlaagd. De tariefverschillen worden daarmee verder vergroot. In de laatste belastingplannen is besloten om voor 2020 het hoge tarief van 25% nog een jaar in stand te laten. Het lage tarief wordt wel verlaagd: van 19% naar 16,5%.

Praktisch betekent dit dat je in 2020 over de eerste 200.000 euro 16,5% vennootschapsbelasting verschuldigd bent en over de winst daarboven 25%. Heb je nu een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting die bestaat uit meerdere vennootschappen die in totaal meer dan 200.000 euro winst maken? Dan kan het zinvol zijn om vennootschappen uit de fiscale eenheid te ontvoegen. Bij elke vennootschap die zelfstandig belastingplichtig is, kun je over de eerste 200.000 euro winst het lage tarief benutten. Bij een fiscale eenheid kun je dit maar één keer toepassen. Elke euro winst die je zo van het hoge tarief naar het lage tarief kunt verschuiven levert 8,25% belastingvoordeel op.

Heb je een fiscale eenheid die bestaat uit twee vennootschappen die ieder 200.000 euro winst maken, dan kun je volgend jaar dus 17.000 euro vennootschapsbelasting besparen door de fiscale eenheid te verbreken!

Investeringsaftrek

Bij elke vennootschap die zelfstandig belastingplichtig is, kun je daarnaast ook de investeringen voor de investeringsaftrek zelfstandig beoordelen. Wanneer je veel investeert in bedrijfsmiddelen, kan dit betekenen dat je ineens wel in aanmerking komt voor investeringsaftrek door de fiscale eenheid te verbreken. Ook kan het zijn dat je meer investeringsaftrek kunt benutten dan binnen de fiscale eenheid waarin alle investeringen bij elkaar worden opgeteld.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Een belangrijk nadeel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is hoofdelijke aansprakelijkheid voor vennootschapsbelastingschulden. Iedere vennootschap binnen de fiscale eenheid kan door de Belastingdienst worden aangesproken voor de vennootschapsbelastingschulden van de gehele fiscale eenheid. Daar houdt de aansprakelijkheid niet op. De Belastingdienst kan zelfs omzetbelasting- of loonbelastingschulden van een vennootschap die voorheen in de fiscale eenheid zat, verrekenen met belastingteruggaven van de fiscale eenheid. Weliswaar is dit beperkt tot schulden uit de periode dat die vennootschap in de fiscale eenheid zat, maar dit kan toch tot vervelende verrassingen leiden.

Verkoop of herstructurering

Ten slotte kan het ook zijn dat je komend jaar een vennootschap verkoopt of herstructureert. Ook in die situaties kan het zinvol zijn om de fiscale eenheid vast te verbreken. Verkoop je in de loop van 2020 (een deel van) de aandelen van een vennootschap die in de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting zit? Dan heeft dit tot gevolg dat er voor 2020 meerdere aangifteperiodes voor die vennootschap ontstaan voor de vennootschapsbelasting. Dit is namelijk de periode dat de vennootschap nog in de fiscale eenheid zat en de periode(s) na verkoop. Deze verschillende periodes kunnen weer gevolgen hebben voor een naverrekening of nadere toerekening van vennootschapsbelasting in de transactie.

Hoewel de fiscale eenheid veel mogelijkheden biedt voor het herstructureren of verschuiven van bezittingen en de structuur, brengt het tegelijk zeer strikte ontgaanstermijnen met zich mee. Vaak is herstructureren zonder fiscale eenheid daarom flexibeler met mogelijke fiscale faciliteiten.

(Bron: Alfa)