Gebruikelijk loon dga gaat naar € 46.000

Als je als dga voor je bv’s werkt, moet je jaarlijks verplicht een zogenaamd gebruikelijk loon opnemen uit je bv’s. In 2020 bedraagt het gebruikelijk loon € 46.000. En welke andere mogelijkheden zijn er om geld uit je bv’s naar privé te halen? 

Verhoging per 2020 

De vaststelling van het gebruikelijk loon op € 46.000 betekent een verhoging met € 1.000 ten opzichte van 2019. Deze verhoging vloeit voort uit de algemene jaarlijkse indexering van een aantal bedragen in de belastingwetten. 

Hoger of lager gebruikelijk loon  

In enkele situaties moet het gebruikelijk loon hoger worden vastgesteld: 

  1. op het loon van de meestverdienende werknemer die in dienst is bij jouw bv’s of in jouw concern als dat hoger is dan € 46.000 
  1. op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking als dat meer bedraagt dan € 46.000 

Hierbij geldt wel dat als de uitkomst van 2 lager is dan de uitkomst van 1, je het loon mag bepalen aan de hand van 2, waardoor je als dga in die situatie toch minder loon hoeft te genieten dan die ene belangrijke werknemer. 

Als werknemers in dienstbetrekkingen die het meest vergelijkbaar zijn met die van jou als dga, echter minder dan € 46.000 verdienen op jaarbasis, mag het loon van jou als dga op het loon van die werknemers worden gezet.   

Meewerkende partner  

Heb je een partner die substantiële werkzaamheden verricht voor je bv’s, dan zal ook je partner loon moeten krijgen uit je bv’s. Met regelmaat is dat fiscaal juist aantrekkelijk, maar er zijn ook situaties waarbij dat juist niet het geval is, bijvoorbeeld als je partner al ander inkomen heeft. 

Hoger loon nadelig? 

In de praktijk kijken we bij het bepalen van de hoogte van het loon naar een aantal aspecten. We zullen hiervoor de wet- en regelgeving moeten respecteren, maar ook van belang is wat je als dga in privé nodig hebt. Wellicht is het gebruikelijke loon daarvoor onvoldoende. Dat kan een reden zijn om het loon juist hoger te stellen.  

Maar vaak is het dan zo dat dividenduitkeringen om vermogen naar privé te halen vanuit de bv aantrekkelijker zijn. Een derde mogelijkheid is nog om geld te lenen van je bv. Je moet dan wel het vermogen of de verdiencapaciteit hebben om deze lening terug te gaan betalen. Anders loop je het risico dat de fiscus het aanmerkt als verkapte dividenduitkering. 

(Bron: Alfa)

Wijzigingen verliesverrekening

Gaat uw vennootschap fiscaal verlies leiden in 2019 en wilt u deze verliezen verrekenen in de aankomende jaren? Houd dan rekening met wijzigingen voor de verliesverrekeningsregels in de vennootschapsbelasting die met ingang van 2019 gelden. Wij zetten deze wijzigingen kort voor u op een rij.

Termijn verliesverrekening verkort

De periode voor voorwaartse verliesverrekening betrof tot en met boekjaar 2018 maximaal negen jaar. Een verrekenbaar verlies betreffende het jaar 2008 was bijvoorbeeld uiterlijk verrekenbaar in het jaar 2017. Deze verrekeningstermijn is vanaf boekjaar 2019 verkort naar een maximale periode van zes jaar voor voorwaartse verliesverrekening (carry-forward). Dat betekent dat een verrekenbaar verlies betreffende het jaar 2019 uiterlijk verrekenbaar is in het jaar 2025. De verliezen die vanaf 2019 geleden worden, zullen dus eerder verdampen. De specialisten van Mazars kunnen u adviseren over de mogelijkheden om verliesverdamping te voorkomen.

Verrekening van verliezen vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat een ’jonger’ verlies (geleden in 2019 of 2020) eerder verdampt dan een ‘ouder’ verlies (geleden in 2017 of 2018). Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen overgangsrecht in te voeren om de gevolgen van deze wetswijziging enigszins te beperken.

In het kort

  • Voor vastgestelde verrekenbare verliezen uit 2019 wordt de maximale verrekeningstermijn voor voorwaartse verliesverrekening 6 jaar.
  • Voor vastgestelde verrekenbare verliezen uit de jaren vóór boekjaar 2019 blijft de maximale verrekeningstermijn voor voorwaartse verliesverrekening van 9 jaar gelden. Dit betekent dat een verrekenbaar verlies uit 2018 uiterlijk verrekenbaar is in 2027.
  • Een eventueel vastgesteld te verrekenen verlies over het jaar boekjaar 2019 zal eerder worden verrekend dan vastgestelde verliezen over de boekjaren 2017 en 2018.

Onderscheid ‘houdster-‘ en reguliere verliezen vervallen

Per 1 januari 2019 is een wetswijziging omtrent de houdsterverliesregeling in werking getreden. Vanaf het boekjaar 2019 hoeft er voor verrekenbare verliezen geen onderscheid meer te worden gemaakt tussen de kwalificatie van ‘houdsterverliezen’ en ‘reguliere verliezen’. Daarom zijn negatieve belastbare resultaten per 2019 de factor ‘reguliere’ verliezen.

Met betrekking tot de toekomstige verrekening van vastgestelde (‘houdster’)verliezen die in het boekjaar 2018 of eerder zijn ontstaan, zullen de voorwaarden voor verrekening blijven gelden zoals opgenomen in de oorspronkelijke houdsterverliesregeling. Voor deze houdsterverliezen blijft de maximale verrekeningstermijn voor voorwaartse verliesverrekening van 9 jaar gelden.

(Bron: Mazars)

Geld besparen met de WW-premie in de praktijk

Zoals bekend is de WAB (Wet Arbeidsmarkt in Balans) per 1 januari 2020 een feit! De wet heeft valkuilen maar biedt ook kansen. Eén van de wijzigingen ziet op de WW-premie. Inmiddels heeft minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vlak voor de jaarwisseling nog een paar versoepelingen aangereikt. Wilt u in 2020 de lage WW-premie van 2,94% betalen en niet de hoge WW-premie van 7,94%? Dan moet u een aantal zaken regelen, ik geef u graag antwoord op een vijftal vragen uit de praktijk.

Hoe komt u in aanmerking voor de lage WW-premie?

Voor de lage WW-premie moet een arbeidsovereenkomst aan drie voorwaarden voldoen:

  • het betreft een schriftelijke overeenkomst
  • voor onbepaalde tijd
  • met vaste uren (geen oproepovereenkomst).

Wat moet u doen? En voor wanneer?

Het is van belang dat u controleert of u van alle werknemers een schriftelijk getekende arbeidsovereenkomst in uw administratie heeft, die voldoet aan alle genoemde voorwaarden. Zo niet, of twijfelt u, laat dan alsnog de juiste arbeidsovereenkomst maken. Dit geldt ook voor de werknemers die al langere tijd bij u in dienst zijn, op basis van mondelinge afspraken of op basis van een stilzwijgende verlenging van een eerder contract.

Immers, bij het ontbreken van de juiste overeenkomst betaalt u de hoge WW-premie en bespaart u niets. Voor werknemers die op 31 december 2019 al bij u in vaste dienst waren moet u uw zaken regelen voor 1 april 2020. Voor nieuwe werknemers dient u het juiste contract meteen bij de indiensttreding te regelen.

Moet het schriftelijk of kan het ook digitaal?

Vastlegging kan schriftelijk, maar mag inmiddels ook digitaal gebeuren. In het recent vernieuwde Kennisdocument premiedifferentiatie WW heeft de minister namelijk geregeld dat niet alleen een, door beide partijen ondertekende, schriftelijke arbeidsovereenkomst of aanvulling mogelijk is. Een digitale handtekening of een instemming per e-mail in een HR-systeem, zoals bevestiging via een stemknop, voldoet ook. Het is wel belangrijk dat de e-mail de juiste inhoud heeft én dat u deze bevestigende e-mail goed bewaart in uw administratie.

Wat dient u op de loonstrook te vermelden?

Het is belangrijk dat op de loonstrook vermeld wordt welk type arbeidsovereenkomst de werknemer heeft: betreft het bepaalde of onbepaalde tijd? Tevens moet het aantal contracturen worden vermeld. De loonstrook moet overeenstemmen met de arbeidsovereenkomst van de werknemer. Het is niet mogelijk om een lage WW-premie te betalen bij een stilzwijgend verlengd contract. U moet simpelweg een schriftelijke overeenkomst kunnen aantonen. Zorg er dus voor dat u dit voor elkaar heeft. Hoe gaat u om met een tijdelijke urenuitbreiding?

Voor een tijdelijke urenuitbreiding betaalt u in principe de hoge WW-premie. Voor de oorspronkelijke vaste uren mag u de lage WW-premie blijven betalen. Het is daarbij wel belangrijk dat u dit goed vastlegt en de urenuitbreiding op tijd (vooraf) afstemt met uw loonadministrateur. U wilt immers voorkomen dat u achteraf over alle uren de hoge WW-premie moet betalen. Let ook op als u werknemers heeft die weliswaar in vaste dienst zijn, maar niet standaard elke week dezelfde uren werken. Ga ook dan op tijd in overleg met uw (loon)adviseur.

(Bron: AcconAVM)

Loopt u het risico van privé aansprakelijkheid in uw BV?

Bij een bv kunnen schuldeisers zich niet zomaar verhalen op het privévermogen van een bestuurder. Maar let op: deze bescherming kent wel voorwaarden. Een bv-structuur die de fiscale voordelen maximaal benut én u tegelijkertijd juridisch beschermt is cruciaal.

Ik kan me goed voorstellen dat u als ondernemer denkt: ‘Ik heb een bv, dus is mijn privévermogen veilig. Ik heb het goed geregeld’. Maar wat als dat toch niet het geval blijkt te zijn? Als een klant bij me komt kijk ik met een helicopterview naar de structuur van zijn vennootschappen. Vaak gaat het om een holding met een directeur-grootaandeelhouder en een aantal werkmaatschappijen. Ik bekijk of de onderlinge verhoudingen tussen de vennootschappen goed zijn vastgelegd en gedocumenteerd. Als dat niet het geval is, kan dat – met name in geval van een onverhoopt faillissement – voor problemen zorgen.

Overeenkomsten op papier
Stel: één van uw vennootschappen verhuurt machines of panden of leent geld uit aan u of één van uw andere vennootschappen. Dit zijn rechtshandelingen tussen de vennootschappen onderling of tussen u en één of meer vennootschappen. U bent wettelijk verplicht om al deze rechtshandelingen schriftelijk vast te leggen. Denk bijvoorbeeld aan een managementovereenkomst, een arbeidsovereenkomst, een huurovereenkomst of rekening-courantovereenkomsten. Het komt regelmatig voor dat vennootschappen hun onderlinge verhoudingen zoals rekening-courantverhoudingen of leningen niet hebben vastgelegd in overeenkomsten. In geval van faillissement staat u als ondernemer in de discussie met een curator dan direct met 1-0 achter.

Regelmatige check-up
Niet alleen ontbreken soms overeenkomsten, een bedrijf ontwikkelt zich ook. Voortschrijdend inzicht, nieuwe wetgeving of jurisprudentie leren dat in het verleden gemaakte afspraken soms niet langer in het voordeel van u als ondernemer zijn. Advies is om deze afspraken daarom regelmatig tegen het licht te houden. Een auto moet zodra hij vier jaar oud is ook regelmatig een APK-keuring ondergaan. Zo’n periodieke check-up is voor uw vennootschappen ook heel zinvol. Dit geldt zowel voor een starter als voor door de wol geverfde ondernemers. Deze check kunnen we snel en eenvoudig voor uw vennootschappen uitvoeren en levert vrijwel altijd wat op.

Aftrekbaarheid rente eigen woning bij echtscheiding

Wanneer fiscale partners gaan scheiden en een eigen woning moet worden verdeeld, leidt dit vaak tot veel vragen en onduidelijkheden. Voor wie van de (ex) partners is de woning een eigen woning en voor welk deel? Hierbij komt dan ook de vraag: aan wie is de schuld toe te rekenen en kan de rente voor deze schuld als eigenwoningrente worden aangemerkt? Deze vraag is dan weer van belang voor de aftrek van de rente in de inkomstenbelasting.

Uitspraak Hof Den Haag

Hof Den Haag kreeg de volgende casus ter beoordeling. Echtgenoten zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn overeengekomen, in het kader van de echtscheiding, dat mevrouw in de woning blijft wonen. Vanaf 1 januari 2014 neemt zij de volledige lasten (inclusief hypotheekrente) van de woning voor haar rekening. Met de ex-echtgenoot wordt overeengekomen dat zij zijn deel van de woning overneemt tegen de waarde per 1 januari 2014. Wanneer zij vóór 1 januari 2017 de financiering van de over te nemen helft van de woning niet rond krijgt, wordt de woning aan derden verkocht en wordt de opbrengst op dat moment onder beiden verdeeld. Uiteindelijk vindt de juridische levering van de helft van de woning van de man aan mevrouw plaats op 16 januari 2017. In geschil was de vraag of in het jaar 2016 voor mevrouw voor de volledige woning sprake is van een eigen woning op basis van economisch eigendom. Daarnaast wordt beoordeeld of de rente op de aflossingsvrije hypotheek door mevrouw volledig in aftrek kan worden gebracht.

Standpunten en oordeel

De inspecteur stelt dat in 2016 geen sprake is van een eigen woning voor mevrouw op grond van economische eigendom aangezien er een opschortende voorwaarde is overeengekomen. Het Hof stelt de inspecteur op dit punt echter in het ongelijk en oordeelt dat er sprake is van een ontbindende voorwaarde en dat dus sprake is van economische eigendom voor het deel dat zij van haar ex-echtgenoot zal overnemen.

Waar deze casus goed lijkt af te lopen voor mevrouw, is echter over het hoofd gezien dat vanaf 1 januari 2014 weliswaar de woning geheel aan haar wordt toegerekend, maar de lening die daartoe behoort niet voldoet aan de eisen die de fiscale wet stelt. Voor mevrouw is namelijk voor het deel dat zij van de man overneemt, sprake van een nieuwe woning, waarop de nieuwe wettelijke regels van toepassing zijn voor het in aftrek kunnen brengen van de hypotheekrente. De ‘oude’ lening was aflossingsvrij en was dat ook nog in het jaar van geschil. Voor het deel van de lening dat zij overneemt van haar ex-echtgenoot, kwalificeert dit niet als eigenwoninglening, want er wordt niet voldaan aan de aflossingseis die in de wet is opgenomen (sinds 1 januari 2013). Vanaf het moment dat de financiering voldoet aan de wettelijke eisen, zal zij de rente wel in aftrek kunnen brengen.

(Bron: BDO_)

Pand verkopen aan uw eigen bv? Let op zakelijke voorwaarden

Verkoopt u (onroerende) goederen aan uw eigen bv? Zorg ervoor dat u dan een zakelijke prijs overeenkomt. Doet u dit niet, dan is namelijk sprake van een verkapte dividenduitkering. 

Als u met uw eigen bv zaken doet, dan is het van belang dat u daarbij altijd zakelijke voorwaarden overeenkomt. Zakelijke voorwaarden zijn voorwaarden waarmee een derde partij in dezelfde omstandigheden ook akkoord zou gaan. Verkoopt u (onroerende) goederen aan uw bv? Zorg dan voor een zakelijke prijs. Betaalt de bv een te hoge prijs? Dan is meestal sprake van een verkapte winstuitdeling. 

Wat is een verkapte winstuitdeling?

Van een winstuitdeling is sprake als een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder. Het vermogen van de aandeelhouder moet door de verschuiving toenemen ten laste van het vermogen van de vennootschap. Om te kunnen spreken van een verkapte winstuitdeling, is daarnaast vereist dat de aandeelhouder en de bv zich bewust zijn van de vermogensverschuiving. 

Verkapte winstuitdeling: een voorbeeld uit de praktijk

Een ondernemer heeft in privé een woning gekocht voor € 660.000. Enkele jaren na aankoop wil de ondernemer het huis weer verkopen. De vraagprijs wordt vastgesteld op € 1.020.000. Het huis wordt niet verkocht en twee jaar later verlaagt de ondernemer de vraagprijs naar € 950.000. Vervolgens wordt het huis verkocht aan de eigen bv, voor € 850.000. Daarna wordt  het huis opnieuw te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 675.000; de woning wordt uiteindelijk verkocht aan een derde voor € 500.000.

Volgens de Belastingdienst is het pand op het moment van verkoop aan de bv € 625.000 waard. Het verschil tussen deze waarde en de betaalde prijs van € 850.000 is volgens de Belastingdienst een verkapte winstuitdeling van de bv aan haar aandeelhouder. 

Gerechtshof: verkapte winstuitdeling

Het geschil komt bij het Gerechtshof. Volgens het Hof is inderdaad sprake van een verkapte winstuitdeling. De aandeelhouders waren zich bewust van de vermogensverschuiving die door de verkoop van het pand had plaatsgevonden. Op het moment van verkoop was al enkele jaren sprake van een negatieve marktontwikkeling. De aandeelhouders mochten er daarom niet van uitgaan dat de waarde van het pand hoger was dan de prijs die de aandeelhouders bij aankoop van het pand hadden betaald. Dit blijkt ook uit het feit dat zij het pand in eerste instantie niet verkocht kregen en uit de dalende Woz-waarde in de jaren voordat het pand aan de bv werd verkocht.

De winstuitdeling leidt tot een hogere belastbare winst, en dus heffing van vennootschapsbelasting bij de bv én tot heffing van inkomstenbelasting bij de aandeelhouder.

(Bron: ABAB)

Negatief rendement oudedagsverplichting dga

Heeft u als directeuren-grootaandeelhouder (dga) uw pensioenverplichting fiscaal vriendelijk omgezet in een oudedagsverplichting (ODV)? Dan wordt deze ODV-uitkering jaarlijks geïndexeerd. Door de ontwikkelingen op de financiële markten wordt uw pensioenpotje in 2020 gekort of afgewaardeerd. 

Vanaf uw AOW-leeftijd wordt deze verplichting omgezet in ODV-uitkeringen die in twintig gelijke delen wordt uitgekeerd. De fiscale ODV wordt ieder jaar geïndexeerd met een vastgesteld rentepercentage dat is afgeleid van het zogeheten gemiddelde U-rendement over het voorgaande jaar. De gedachte is altijd geweest dat de ODV-waarde of -uitkeringen hierdoor wat zouden stijgen door de tijd heen.

Negatief rendement oudedagsverplichting

Het te hanteren rentepercentage voor 2020 is bekend en is negatief: -0,107%. In de wet is geen minimum te hanteren percentage van 0% opgenomen. Als we de wet volgen, betekent dit het volgende:

  • Voor ODV-uitkeringen die al ingegaan zijn, vindt er een lagere uitkering plaats.
  • Voor ODV-uitkeringen die nog niet zijn ingegaan, wordt de waarde op de balans verlaagd per 31 december 2020 (bij een boekjaar dat gelijk loopt aan een kalenderjaar) ten opzichte van de stand per 1 januari 2020. De verlaging zorgt voor een kleine vrijval in de winst voor het boekjaar 2020. 

Korten of afwaarderen van oudedagsverplichting

In plaats van indexeren zal er dus gekort of afgewaardeerd moeten worden in 2020. Het is niet de verwachting dat de wet wordt aangepast en dat er een minimum van 0% rente zal gaan gelden.

(Bron: ABAB)

Geen naheffing mogelijk bij een ambtshalve teruggave omzetbelasting

De Belastingdienst kan eerder teruggegeven btw niet naheffen als de teruggave er niet toe heeft geleid dat er te weinig belasting is betaald. Dat uitgangspunt is ook van toepassing als de teruggave ambtshalve is verleend, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad.

De casus

X is dirigent. In 2013 dient X naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank bezwaarschriften omzetbelasting in over de jaren 2008 tot en met 2011. De rechtbank oordeelde in die uitspraak dat het verlaagde btw-tarief ook van toepassing is op repetities als deze nauw samenhangen met uitvoeringen. De bezwaarschriften worden vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze te laat zijn ingediend. X staat dan met lege handen.
X geeft echter niet op en dient toch suppleties omzetbelasting in. Naar aanleiding van deze suppleties worden in 2013 ambtshalve teruggaven aan X verleend. De inspecteur stelt in 2013 echter ook een boekenonderzoek in en legt btw-naheffingsaanslagen op ter zake van de eerder teruggegeven btw, omdat de teruggaven verleend zouden zijn in strijd met het beleid van de Belastingdienst. De bezwaarschriften waren immers eerder al niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur stelt daarbij dat aan de uitspraak van de rechtbank geen terugwerkende kracht mag worden ontleend. Uiteindelijk komt de vraag op of naheffing mogelijk is bij eerder, volgens intern beleid van de Belastingdienst, onterecht teruggegeven btw.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad heeft een uitspraak gedaan in deze zaak waaruit volgt dat naheffing door de Belastingdienst niet mogelijk is wanneer de (ambtshalve) teruggaaf niet ertoe heeft geleid dat te weinig btw is betaald. Ook niet als een inspecteur de teruggave heeft verleend in strijd met intern beleid van Belastingdienst.

(Bron: Van Oers)

Kosten implantaten en kronen aftrekbaar

De kosten van kronen en implantaten zijn aftrekbaar als zorgkosten, aldus gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Volgens het hof zijn het namelijk kosten voor hulpmiddelen en komen ze daarom voor aftrek in aanmerking.

Hulpmiddelen

Hulpmiddelen zijn onder andere middelen die een persoon in staat stellen tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Volgens het hof is hiervan sprake bij kronen en implantaten. Het ontbreken van een tand in een gebit zorgt volgens het hof voor een dusdanige functionele beperking, dat iemand zonder implantaat en kroon onvoldoende in staat is om vast voedsel te verwerken. Dit is volgens de rechters zeker het geval als meerdere tanden of kiezen ontbreken. Kronen en implantaten zijn niet aan te merken als tandheelkundige hulp, maar als hulpmiddel. Dit betekent dat lagere inkomens hierdoor voor de kosten van kronen en implantaten een extra aftrek krijgen. Deze zouden ze niet krijgen als kronen en implantaten wel als tandheelkundige hulp zouden kwalificeren. 

U kunt pas vanaf een bepaald bedrag, het drempelbedrag, specifieke zorgkosten aftrekken. Wat de bedragen zijn, vindt u op de site van de Belastingdienst. 

(Bron: KoenenCo

Failliete dga mag geen borgstellingsverlies aftrekken

Rechtbank Gelderland oordeelt dat een dga geen verlies uit borgstelling mag aftrekken als hij door zijn eigen slechte financiële positie nooit zijn borgstellingsverplichting kan vervullen.

Als een dga borg staat voor zijn B.V. en als borg wordt aangesproken, mag hij in principe in het desbetreffende jaar een voorziening vormen met betrekking tot de regresvordering op zijn B.V. Het is niet verplicht dat de dga de borg al in dat jaar daadwerkelijk heeft betaald. In de praktijk komt het vaak voor dat de Belastingdienst de vorming van zo’n voorziening niet accepteert omdat de dga zich puur uit aandeelhoudersmotieven borg stelt. Maar soms voldoet de dga al niet aan de normale voorwaarden voor het vormen van een voorziening. Dga’s en ondernemers vormen namelijk voorzieningen voor een toekomstige uitgave. Deze toekomstige uitgave moet haar oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voor de balansdatum hebben voorgedaan. Deze feiten en omstandigheden moeten ook toerekenbaar zijn aan die periode.

Geen voorziening

Ten slotte moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgave zich zal voordoen. Men mag geen voorziening vormen voor kosten waarvan (bijna) vaststaat dat de dga of ondernemer ze nooit zal maken. In de zaak voor de rechtbank was de financiële positie van de desbetreffende dga op de balansdatum zo slecht dat hij zijn borgstellingsverplichting niet kon voldoen. De dga stelde dat hij voldoende verdiencapaciteit had en nog tantièmes verwachtte te ontvangen. Hij wist dit echter onvoldoende te onderbouwen. De rechtbank oordeelt daarom dat de man voor zijn regresvordering op zijn B.V. geen voorziening mag vormen.

(Bron: Taxence)