Uitvoeren en tegenhouden van turboliquidatie

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij de beëindiging van een B.V. de schuldeisers het vermogen moeten verdelen. Maar als een B.V. geen baten heeft, dan hoeft die verdeling niet plaats te vinden. In dat geval spreken we ook wel over “turboliquidatie”.

Het voordeel van een turboliquidatie voor de B.V. is dat tijd en kosten worden bespaard omdat een vereffeningsprocedure niet nodig is.

De algemene vergadering van aandeelhouders neemt het besluit tot ontbinding van de B.V. Van het besluit tot ontbinding moet het bestuur van de B.V. direct opgave doen aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Bij een dergelijke ontbinding  zal de Kamer van Koophandel met name vertrouwen op de mededeling van het bestuur van de betreffende B.V.. Zij stelt geen diepgaand onderzoek in naar de eventuele aanwezigheid van baten.

Perspectief voor de schuldeiser

In de praktijk leidt dit er vaak toe dat schuldeisers hun vordering op de ontbonden B.V. afboeken en zij hun verlies nemen. Schuldeisers blijken dus vaak onbekend te zijn met de mogelijkheid om alsnog (gedeeltelijke) betaling van hun vordering af te dwingen.

De afwezigheid van (een vooruitzicht op) baten is een vereiste voor het realiseren van een turboliquidatie. Mocht een schuldeiser summierlijk kunnen aantonen dat er nog een bate is dan kan de rechter alsnog bepalen dat de vereffeningsprocedure moet plaatsvinden. Een andere optie voor de schuldeiser is het aanvangen van een faillissementsprocedure. Ook hier moet de schuldeiser aannemelijk maken dat er een bate is waardoor de B.V. niet is opgehouden te bestaan.

De rechter die tot het oordeel komt dat summierlijk is gebleken dat er nog baten zijn, kan – voor zover aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan – de (ontbonden) B.V. in staat van faillissement verklaren. De B.V. wordt dan geacht met betrekking tot de afwikkeling van het faillissement te blijven bestaan.

Bewijzen dat er baten zijn

De schuldeiser kan dus bij de aanwezigheid van bate(n) de turboliquidatie ongedaan maken met als doel (gedeeltelijke) voldoening van zijn vordering te verkrijgen. In de praktijk is het de kunst uit te vinden of een B.V. over een bate beschikt. Een bate kan onder meer aanwezig zijn in de vorm van activa, een vordering van de B.V. op een derde, aandelenkapitaal of latente belastingteruggaven.

Daarnaast kan ook onbehoorlijk bestuur een bate opleveren. Zo bepaalde de Rechtbank Arnhem in een faillissementsprocedure dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat het bestuur niet tijdig de jaarrekening had gedeponeerd. Daarbij is de rechtbank gebleken dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat de bestuurders van de B.V. ten opzichte van de schuldeisers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort. De claim op de bestuurders kan beschouwd worden als een bate. De rechtbank heeft vervolgens het faillissement van de B.V. uitgesproken.

Afhankelijk van hoogte en aantal schuldeisers

Het niet tijdig deponeren van de jaarstukken kan dus voldoende zijn om aannemelijk te maken dat er een bate is. Mocht navraag bij de Kamer van Koophandel uitwijzen dat de jaarstukken niet tijdig openbaar zijn gemaakt, dan heeft de schuldeiser met de uitspraak van de rechtbank Arnhem een middel in handen om de turboliquidatie ongedaan te maken en de kans te vergroten op (gedeeltelijke) voldoening van zijn vordering.

Of het vervolgens daadwerkelijk tot (gedeeltelijke) uitbetaling van uw vordering komt, is onder meer afhankelijk van de hoogte van de aanwezige bate(n), het aantal schuldeisers en het verhaal dat de bestuurders in privé kunnen bieden. In het geval er voldoende verhaalsmogelijkheden zijn, is het starten van een procedure het overwegen waard. Daarbij zult u ook in overweging moeten nemen dat aan procederen kosten zijn verbonden die wel in verhouding moeten staan met de hoogte van het door u te vorderen bedrag.

(Bron: Sprout)

BTW verhoging naar 21 procent; probeer zoveel mogelijk tijdig te factureren.

Het algemene BTW-tarief zal van 19% naar 21% gaan op 1 oktober van dit jaar. De verhoging betekent voor ondernemingen die de BTW niet volledig kunnen aftrekken een hogere kostenpost. De overheid zal waarschijnlijk een overgangsregeling hanteren bij de verhoging. De overheid wil voorkomen dat ondernemingen door vooruit te betalen BTW-voordeel behalen voor prestaties die na de BTW-verhoging plaatsvinden.

Tijdstip van de prestatie (dienst/levering)

Factureert u na de tariefsverhoging, maar de levering of dienst vindt plaats voor de tariefsverhoging, dan berekent u het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of dienst verricht wordt. In deze situatie moet u 19% BTW in rekening brengen. Vindt de levering of dienst plaats na de tariefsverhoging, maar factureert u gedeeltelijk of geheel vooruit, dan moet u 21% BTW in rekening brengen.

De afrekenperiode splitsen

Is er sprake van doorlopende prestaties die u periodiek factureert en zowel de periode voor als na de tariefsverhoging bestrijken, dan is in principe het nieuwe tarief op de gehele vergoeding van toepassing. Het is voor doorlopende prestaties wel toegestaan de afrekenperiode te splitsen. U spitst deze dan in een afrekening die betrekking heeft op de periode voor de tariefsverhoging en op de periode na de tariefsverhoging. Zo rekent u 19% BTW tot 1 oktober 2012 en 21% BTW na 1 oktober 2012.

Ons advies

Probeer er voor te zorgen dat u zoveel mogelijk uiterlijk 30 september 2012 al uw prestaties gefactureerd hebt. Dit voorkomt dat u in oktober 2 percentages door elkaar moet gaan gebruiken. Het is ook verstandig om diensten in september niet vooruit te factureren, maar pas begin oktober vooruit te factureren. Dit voorkomt namelijk dat u in september 2 percentages door elkaar moet hanteren. Vragen? Stuur gerust een bericht naar info@ambitions.nu

Hoeveel mogen jongeren in 2012 bijverdienen?

Jongeren die een deel van hun zomervakantie bij uw onderneming aan de slag gaan, doen dat natuurlijk niet voor niets. Als hun bijverdiensten substantieel zijn, kan dit echter gevolgen hebben voor hun studiefinanciering of de kinderbijslag die hun ouders voor hen ontvangen.

Als uw onderneming in de zomervakantie jongeren inzet om ervoor te zorgen dat de belangrijkste taken gewoon doorgaan als de vaste werknemers van de zon genieten, is het handig om te weten hoeveel scholieren en studenten mogen bijverdienen zonder dat dit ten koste gaat van de kinderbijslag of studiefinanciering. Alleen vakantiewerkers die jonger zijn dan 16 jaar die bij hun ouders wonen, mogen namelijk onbeperkt bijverdienen zonder dat de ouders op de kinderbijslag worden gekort.

In de zomervakantie € 1.300 extra verdienen

Vakantiekrachten van 16 of 17 jaar en jongere kinderen die niet bij hun ouders wonen, mogen maximaal € 1.240 netto per kwartaal bijverdienen zonder gevolgen voor de kinderbijslag. In de zomervakantie mogen ze nog € 1.300 netto extra verdienen. Verdient een vakantiekracht meer, dan wordt de kinderbijslag helemaal stopgezet. De ouders moeten elk inkomen van hun kind dat boven de € 800 netto per kwartaal komt, altijd doorgeven aan de Sociale Verzekeringsbank.

Zelf studiefinanciering stopzetten bij bijverdiengrens

Vakantiewerkers die studiefinanciering ontvangen, mogen ook niet onbeperkt bijverdienen zonder dat dit gevolgen heeft. Per kalenderjaar mogen ze niet meer verdienen dan € 13.362,53 bruto om hun studiefinanciering te behouden. Wie meer bijverdient, moet zelf de studiefinanciering – inclusief het zogenoemde studentenreisproduct – stopzetten met ingang van de maand waarin hij de bijverdiengrens overschrijdt. Het te veel verdiende geld moet hij terugbetalen. U vindt de regels voor bijverdienen naast studiefinanciering op de site van de Rijksoverheid.
Een hoog inkomen van een scholier of student kan ook gevolgen hebben voor een eventuele bijstandsuitkering van de ouders.

(Bron: Bestuur Rendement)

Antwoord fiscus op uitgebreide brief schept vertrouwen

Als de inspecteur de aangifte volgt nadat de belastingplichtige hem uitgebreid heeft ingelicht over zijn standpunt, schept hij daarmee vertrouwen. De belastingplichtige mag zich dan beroepen op het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel kan de fiscus verplichten een belastingaangifte te volgen, ook al zijn de standpunten waarop de belastingplichtige zijn aangifte baseert niet helemaal juist. Een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft pas een redelijke kans van slagen als de belanghebbende mocht aannemen dat de inspecteur een bepaald standpunt heeft ingenomen.

In een zaak voor Hof Leeuwarden bijvoorbeeld had een man de Belastingdienst een brief gestuurd. Hierin legde hij uitvoerig uit dat hij een geldlening had verstrekt aan een onderneming. De schuldeiser stelde in zijn brief ook dat de lening als eigen vermogen van de schuldenaar fungeerde, zodat de resultaten uit de lening bij de schuldeiser waren belast als winst uit medegerechtigdheid (box 1). De inspecteur gaf geen antwoord op de brief, maar volgde in de daaropvolgende twee jaren de aangifte van de man die was opgesteld conform het standpunt in de brief. Het hof oordeelde dat hierdoor bij de man het vertrouwen was opgewekt dat de inspecteur een gedragslijn volgde die berustte op een bewuste standpuntbepaling. De fiscus moest dit vertrouwen eerbiedigen. Daardoor kon de man een latere afwaardering van deze vordering aftrekken, ook al had de vordering eigenlijk in box 3 moeten vallen.

(Bron: Taxence)

Wijziging Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

Per 19 mei 2012 zijn het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Btcg) en het Besluit gebruik sofi-nummer Wbp gewijzigd.

De wijzigingen van het Btcg betreffen:

  1. de aanscherping van het afbakeningscriterium fysiotherapie en oefentherapie voor het recht op de tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
  2. de opname van het gebruik van alle hulpmiddelen die duiden op een levenslange beperking in de afbakeningscriteria als een zelfstandig criterium voor het recht op de tegemoetkoming;
  3. de verbetering van de aansluiting van de regelgeving op de indicatiestelling door het Centrum Indicatiestelling Zorg. Dit onderdeel heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2010;
  4. de aanpassing van de optelsystematiek voor de hoge tegemoetkoming;
  5. het met vier procent verlagen van de tegemoetkomingen om het amendement van de Tweede Kamerleden Van der Staaij en Dijkstra op het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten teneinde het recht op een tegemoetkoming afhankelijk te maken van de draagkracht (Kamerstukken 33 045) te kunnen financieren;
  6. het achterwege laten van de indexering van de tegemoetkomingsbedragen over de jaren 2012 tot en met 2014.

De wijziging van het Besluit gebruik sofi-nummer Wbp betreft het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer door het Centraal Administratiekantoor ten behoeve van de vaststelling van de tegemoetkoming.

[ Bron: Redactie Plein+ ]

Nieuwe minimumlonen zijn bekend

30 mei 2012 – Het minimumloon dat u uw werknemers moet betalen gaat per 1 juli 2012 met 0,66% omhoog. Voor werknemers tussen de 23 en 65 jaar bedraagt het vanaf die datum € 1.456,20 bruto per maand bij een fulltime werkweek. Op dit moment bedraagt het minimumloon € 1.446,60 bruto per maand.

De bruto minimumlonen worden tweemaal per jaar aangepast aan de ontwikkeling van de cao-lonen. Per 1 juli moet u rekening houden met hogere bedragen. Voor werknemers tussen de 15 en 23 jaar geldt een percentage van dit loon als minimum. Voor werknemers die jonger zijn dan 15 jaar of ouder zijn dan 65 jaar is er geen wettelijk minimumloon.

Minimumuurloon zelf berekenen

In de publicatie van de Staatscourant (pdf) staan de bedragen voor het minimumloon volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het gaat om de bedragen per maand, per week en per dag. Er bestaat geen wettelijk minimumuurloon. Het uurloon dat u minstens moet uitbetalen, moet u zelf berekenen. Dit doet u door het weekloon uit de onderstaande tabel te delen door het aantal uren per week dat in uw bv als volledig dienstverband geldt. In de tabel vindt u het wettelijke minimumloon van vóór en na 1 juli 2012 met de bijbehorende minimum(jeugd)lonen. Vergeet niet deze nieuwe bedragen op tijd in uw loonadministratie te verwerken.

Bruto minimum(jeugd)loon 1 juli 2012

 

(Bron: BV Rendement)

Sanctie bij te late aanvraag uitkering zwangere zelfstandige (ZEZ)

Een bevallingsuitkering op basis van de Zelfstandig en Zwangerregeling moet op tijd worden aangevraagd, anders wordt het uit te keren bedrag verlaagd.

Zelfstandig en Zwangerregeling (ZEZ)
Een ZEZ-bevallingsuitkering moet uiterlijk twee weken vóór de ingangsdatum van de uitkering aangevraagd worden, zo is bepaald in de Wet arbeid en zorg (Wazo). De uitkering kan ingaan 6 tot 4 weken voor de vermoedelijke bevallingsuitkering.

Sanctie
Tot voor kort kende het UWV ook een te laat aangevraagde uitkering toe zonder hierop een sanctie toe te passen, hoewel de mogelijkheid wettelijk wel bestond. Sinds medio maart 2012 legt het UWV dus wel een sanctie op. De hoogte van de sanctie is afhankelijk van de duur waarmee de aanvraagtermijn is overschreden en de verwijtbaarheid. Zo wordt bij een overschrijding tot 56 kalenderdagen een korting van 5% op de bruto-uitkering toegepast, bij een overschrijding tot 112 kalenderdagen, 10% en bij een overschrijding van meer dan 112 kalenderdagen een korting van 20%.

Matiging
De sanctie kan gematigd worden bij geen of verminderde verwijtbaarheid van de termijnoverschrijding. Het niet op de hoogte zijn van de mogelijkheid een uitkering aan te vragen levert geen grond op voor verminderde verwijtbaarheid.

(Bron: De Zaak)

Vijf vragen over belasting reiskostenvergoeding

Het kabinet wil vanaf volgend jaar belasting gaan heffen over de reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer. Hoe zit dat nu allemaal precies met deze maatregel?

1. Wordt mijn reiskostenvergoeding nu helemaal afgeschaft?

Nee, uw werkgever kan u nog steeds een vergoeding blijven geven voor het woon-werkverkeer. Tot nu toe hoeft u over een vergoeding tot maximaal 19 cent per kilometer geen belasting te betalen. Ook de werkelijke kosten van het openbaar vervoer mogen onbelast worden vergoed. Maar nu wil het kabinet de reiskostenvergoeding vanaf 1 januari 2013 volledig gaan belasten. Hoeveel belasting u precies gaat betalen hangt af van de hoogte van uw inkomen en in welke belastingschijf u valt. U kunt dit uitrekenen met de ANWB ReiskostenCheck.

2. Is die extra belasting het enige waar ik rekening mee moet houden?

Dat hangt af van uw individuele situatie. Omdat de reiskostenvergoeding voor het woon- werkverkeer bij uw inkomen wordt opgeteld zou dit ook nog gevolgen kunnen hebben voor eventuele toeslagen die u ontvangt. Bijvoorbeeld de zorgtoeslag of huurtoeslag. Die kunnen lager uitvallen.

3. Hoe dan ook een flinke extra kostenpost; kan ik daar nog op besparen?

Dat kan alleen door uw woon-werkverkeer zoveel mogelijk terug te brengen. Dat betekent dat u dichterbij uw werk zou moeten gaan wonen. Of een andere baan dichtbij huis zou moeten zoeken. In de praktijk zal dat op korte termijn meestal niet lukken, want de huizenmarkt zit op slot en nieuwe banen liggen ook niet voor het oprapen. De enige reële mogelijkheden om reiskosten te besparen die u wellicht heeft zijn: carpoolen en vaker thuiswerken.

4. Kortom: de automobilist wordt weer eens gepakt?

Deze kabinetsmaatregel treft niet alleen automobilisten maar alle forensen. Want ook wie met het openbaar vervoer naar zijn werk reist moet voortaan belasting betalen over de volledige reiskostenvergoeding. Met deze maatregel brengen forensen gezamenlijk 1,3 miljard euro op. Dat is 10 procent van de in totaal 12 miljard die het kabinet volgend jaar extra wil bezuinigen met het zogeheten Lenteakkoord.

5. En wat vindt de ANWB ervan?

De ANWB vindt dat de koopkracht van forenzen door deze belasting onevenredig hoog wordt aangetast. Daarom ziet de ANWB liever een overgangsregeling, zodat forensen de mogelijkheid krijgen om in te spelen op de maatregel. En nog een ander punt: Volgens het kabinet zouden mensen door deze belastingmaatregel minder gaan reizen. De ANWB deelt deze opvatting niet. De meeste mensen hebben immers geen enkel alternatief voor de dagelijkse rit naar het werk. Ze kunnen niet op korte termijn van baan of van woonplaats veranderen. De ANWB verwacht van de maatregel dan ook weinig effecten voor de vermindering van files en CO2-uitstoot.

(Bron: ANWB)

Opzetten vakantiedagenadministratie per 1 januari 2012

Vanaf 1 januari 2012 gelden andere regels met betrekking tot de opbouw en de verjaring c.q. het vervallen van vakantiedagen. Dit stappenplan helpt bij het opzetten van de vakantiedagenadministratie.

Stappenplan

  1. Maak per 31 december 2011 de balans op van het aantal openstaande vakantiedagen per werknemer.
  2. Ga na welke verjaringstermijn voor welke vakantiedag geldt, houd daarbij in het achterhoofd dat:
    • Wettelijke vakantiedagen, opgebouwd tot 1 januari 2012, vijf jaar na het jaar waarin ze zijn toegekend verjaren;
    • Bovenwettelijke vakantiedagen ook vijf jaar na het jaar waarin ze zijn toegekend verjaren, tenzij daarover andere afspraken gelden;
    • Tot 1 januari 2012 geldt dat de vakantiedagen die als eerst zijn opgebouwd, als eerste worden opgenomen.
  3. Bevestig het vakantiedagensaldo per 31 december 2011 schriftelijk aan uw werknemers.
  4. Vul de oude en de nieuwe vakantiedagen in in onderstaand schema op volgorde van de eerstkomende verval- of verjaringsdatum.

Het overzicht kan er dan als volgt uitzien:

Aantal dagen Soort Invullen: Jaartal toegekend Verjarings-/vervaltermijn Verval-/verjaringsdatum
• Wettelijk oud …. → 5 jaar In volgorde zetten; eerstkomende datum bovenaan.
• Bovenwettelijk oud …. → 5 jr, tenzij anders afgesproken
• Wettelijk nieuw …. → ½ jr, tenzij anders afgesproken
…. → 5 jr, tenzij anders afgesproken
• Bovenwettelijk nieuw …. → 5 jr
• Niet kunnen genieten ….


Voorbeeld

Dag Soort Jaartal toegekend Verjarings-/vervaltermijn Verval-/verjaringsdatum
20 Wettelijk nieuw 2012 ½ jaar 1 juli 2013
4 Wettelijk oud 2010 5 jaar 1 januari 2016
3 Bovenwettelijk oud 2010 5 jaar 1 januari 2016
2 Wettelijk oud 2011 5 jaar 1 januari 2017
4 Bovenwettelijk oud 2011 5 jaar 1 januari 2017
4 Bovenwettelijk nieuw 2012 5 jaar 1 januari 2018

Als een werknemer vakantiedagen wil opnemen, dan neemt hij als eerste die dagen op die als eerste vervallen of verjaren.

Voorbeeld
Als deze werknemer bijvoorbeeld 30 vakantiedagen wil opnemen, dan neemt hij dus

  • 20 nieuwe wettelijke uit 2012 op,
  • 4 oude wettelijke uit 2010,
  • 3 oude bovenwettelijke uit 2010,
  • 2 oude wettelijke uit 2011 en
  • 1 bovenwettelijke uit 2011

Bron: XpertHR

De afroommethode, of: het ene gebruikelijk loon is het andere niet

Bij de rechter loopt momenteel een procedure over de ‘afroommethode’ en het ‘gebruikelijk’ loon.
Wat is gebruikelijk (loon)?

Bepalen wat gebruikelijk is, valt in het dagelijks leven al zwaar. Als een wetgever de term gebruikelijk hanteert, is dat niet anders. Zeker niet als iedereen die er iets over denkt te moeten zeggen, belang heeft bij een andere uitkomst.

Als je een eenmanszaak hebt, valt de hele winst in de inkomstenbelasting. Mooi voor de Belastingdienst, zeker als de onderneming goed draait. Als het goed gaat, brengt de ondernemer zijn zaak vaak de BV in.

Over de winst ontvangt het rijk nu vennootschapsbelasting. Een lager tarief. Om de zaak in evenwicht te houden, moeten ondernemers zichzelf een loon toekennen. Daarover is namelijk weer (het hogere) inkomstenbelastingtarief verschuldigd. Dat loon moet ‘gebruikelijk’ zijn. Globaal betekent dit, niet afwijkend van marktconform, en tenminste € 40.000.

Voor de Belastingdienst betekent, met name de tariefkwestie, dat een hoog loon beter uitpakt dan een laag loon.Voor de ondernemer is het vaak andersom. Die wil een laag loon. Zo houdt hij middelen in de onderneming en verlaagt hij ‘overall’ de belastingdruk. Tenzij de beroepsbeoefenaar (en dat doen ze nog wel eens) op grote voet leeft. Dan accepteert hij dat hoge loon, want de schoorsteen moet roken, tenslotte.

Wat is de ‘afroommethode’?
Een aantal jaren geleden was er een interimmanager met een management-BV die diensten verrichtte voor een opdrachtgever. De BV factureerde op jaarbasis, stel, een bedrag van € 350.000.
De BV betaalde aan loon een bedrag van, stel, € 60.000. De belastingdienst meende dat de interim-manager, ook zonder die BV waarschijnlijk een vergoeding in de buurt van de € 350.000 zou hebben gehad.

De ‘afroommethode’ werd ontwikkeld. Het ‘gebruikelijk’ loon werd bepaald aan de hand van het gefactureerde bedrag voor de interimdiensten. Na aftrek van een ‘soort’ doelmatigheidsmarge (30%) moest dan een bedrag van € 245.000 aan ‘gebruikelijk’ loon worden betaald. De rechter kon deze gedachtegang volgen en gaf de Belastingdienst gelijk. Er zit ook wel iets in… bij zo’n interim-manager.

Omdat we allemaal op ons gemak gesteld zijn en daarnaast vaak geen voorliefde kennen voor ingewikkelde rekenexercities en vergelijkingen, werd deze ‘afroommethode’ in de praktijk op veel situaties toegepast. Ook, bijvoorbeeld, op advocaten, notarissen en andere beroepsbeoefenaren. Deze verrichten hun werk vaak in maatschapsverband. Vaak zijn ze niet zelf maat in de maatschap, maar de besloten vennootschappen waarin zij alle aandelen houden. Zelf zijn ze dan in dienst bij de besloten vennootschap.

Een eeuwig strijdpunt met de Belastingdienst is vaak: ‘Hoeveel salaris moet die advocaat nu krijgen uit zijn besloten vennootschap?’ Dan komt het ‘gebruikelijk loon’ om de hoek kijken. Dus als een maatschap met 5 maten een winst maakt van € 1.000.000 op jaarbasis, en een advocaat heeft recht op € 200.000, wordt gemakshalve aangenomen dat zijn gebruikelijk loon op 70% X€ 200.000 = € 140.000 gesteld moet worden. Lekker makkelijk!

Naar de rechter
Afgelopen winter gaf bijvoorbeeld ook Jort Kelder, in een publicatie op zijn site, lucht aan zijn ongenoegen over deze gang van zaken. De belastingheffing over zijn werken, werd hem te machtig.
Maar ja, is een advocaat, werkzaam in een maatschap, of een andere beroepsbeoefenaar, vergelijkbaar aan een interim-manager? Nee dus!

Momenteel loopt een procedure van een advocaat tegen de Belastingdienst over dit onderwerp. Voor het Hof kreeg de advocaat ongelijk. De rechter stelde dat terecht de ‘afroommethode’ werd toegepast.  De advocaat kon zich niet vinden in deze conclusie en de onderliggende motivering en stapte naar de Hoge Raad. Kortgeleden is door de Advocaat-Generaal conclusie genomen in deze procedure.

Deze keek geheel anders tegen de zaak aan dan het Hof en stelde dat de advocaat in kwestie een goed punt had. Hij gaf, kort en goed, aan dat toepassen van de ‘afroommethode’ in dit soort gevallen te makkelijk gedacht was en dat een advocaat niet vergelijkbaar was met een interim-manager.

Conclusie
Nu is een conclusie van de Advocaat Generaal nog geen arrest van de Hoge Raad. Ik wil echter iedereen die met dit vraagstuk worstelt, of gewoon met de ‘afroommethode’ opgezadeld zit, er op wijzen dat er goede redenen zijn om de afloop van deze procedure te volgen.

(Bron: De Zaak)