Enkele tegemoetkomingen belastingverdrag met Duitsland

Per 1 januari 2016 is het nieuwe belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting in werking getreden. Dit verdrag heeft fiscaal nadelige gevolgen voor met name in Duitsland woonachtige pensioengerechtigden met een pensioen uit Nederland. Onder voorwaarden bestaat recht op een tegemoetkoming. Voor Nederlandse grensarbeiders werkend in Duitsland bestaat ook een regeling.

Op 12 april 2012 ondertekenden Nederland en Duitsland het nieuwe verdrag ter voorkoming van dubbele belasting (hierna: belastingverdrag). Dit verdrag vervangt vanaf 1 januari 2016 het oude belastingverdrag met Duitsland dat gold vanaf 1960. Vooral gepensioneerden die in Duitsland wonen en pensioen ontvangen uit Nederland komen in een veel nadeligere positie te verkeren dan onder het oude verdrag. Voor die pensioengerechtigden geldt een tijdelijke tegemoetkoming.

 

Toewijzing belastingheffing pensioen oude belastingverdrag

Onder het oude belastingverdrag met Duitsland was in artikel 12 de belastingheffing over een bedrijfspensioen toegewezen aan het woonland. Voor in Duitsland woonachtige pensioengerechtigden die een pensioenuitkering ontvingen uit Nederland, was dus Duitsland heffingsbevoegd. In Duitsland was dit pensioen gunstig belast. Uitgezonderd was de belastingheffing over staatspensioenen, die waren belastbaar in het land waar het staatspensioen was opgebouwd. Voor inwoners van Duitsland met een Nederlands Staatspensioen was Nederland dus heffingsbevoegd. Dat gold ook voor de AOW die inwoners van Duitsland uit Nederland ontvingen. Daarover was de belastingheffing toegewezen aan het bronland, Nederland dus.

 

Toewijzing belastingheffing pensioen nieuw belastingverdrag

Volgens artikel 17 van het nieuwe (huidige) belastingverdrag is belastingheffing over bedrijfspensioenen of een sociale zekerheidsuitkering toegewezen aan het woonland. Anders dan onder het oude belastingverdrag geldt dat Nederland als land waar het bedrijfspensioen werd opgebouwd ook mag heffen als meer dan € 15.000 aan pensioen en AOW wordt ontvangen uit Nederland door een inwoner van Duitsland. Dit levert voor die inwoners een aanzienlijke belastingverzwaring op. Daarom is tijdelijk overgangsrecht van toepassing.

 

Keuzerecht voor 2016

Veel gepensioneerde inwoners van Duitsland hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid om voor het jaar 2016 de regels uit het oude belastingverdrag met Duitsland toe te passen. Die mogelijkheid is per 1 januari 2017 vervallen. Daarvoor in de plaats is een tijdelijke verlaging van het belastingtarief in Nederland gekomen.

 

Tijdelijk verlaagd tarief tot 2021

Onder voorwaarden krijgt een in Duitsland woonachtige pensioengerechtigde een verlaging van het in Nederland te betalen belastingtarief. Hiervoor moet hij aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • De pensioengerechtigde is vanaf 12 april 2012 inwoner van Duitsland.
  • Hij ontvangt een pensioen en/of lijfrente en/of sociale verzekeringsuitkering (bijvoorbeeld AOW) uit Nederland;
  • Bij toepassing van het oude belastingverdrag betaalde hij in Duitsland belasting over deze pensioeninkomsten.
  • Onder het nieuwe belastingverdrag ontvangt hij meer dan € 15.000 pensioen, lijfrente of sociale verzekeringsuitkering uit Nederland.
  • Het pensioen, de lijfrente of de sociale verzekeringsuitkering is ingegaan vóór 1 januari 2016.

 

Inhouding loonheffingen

Hoewel pensioengerechtigde onder voorwaarden recht hebben op toepassing van een verlaagd tarief, wil dit nog niet zeggen dat de Nederlandse uitkerende instantie rekening houdt met dit lagere tarief. Meestal zal dat niet het geval zijn. Om het verlaagde tarief te kunnen toepassen moet de pensioengerechtigde inwoner van Duitsland hetzij verzoeken om een maandelijkse (voorlopige) teruggave in Nederland ofwel na afloop van het jaar aangifte doen van de Nederlandse pensioenuitkering(en) in Nederland en verzoeken om teruggaaf.

 

Grensarbeiders

Voor Nederlandse inwoners die in Duitsland werken, geldt de zogeheten grensarbeidersregeling. Deze grensarbeiders kunnen geen aftrekposten in Nederland toepassen, omdat ze in Duitsland belasting moeten betalen en Duitsland die aftrekposten niet kent. Grensarbeiders hebben vanaf 2016 onder voorwaarden recht op een Nederlandse compensatie. Tevens bestaat soms recht op toepassing van het ‘Splittingverfahren’. Door het Splittingverfahren toe te passen betaalt de grensarbeider in Duitsland minder belasting vanwege een progressievoordeel en een dubbele belastingvrije som.

(Bron: Taxence)

Ondernemerschap sluit loondienst niet uit

Een ondernemer die zelfstandige ondernemers werkzaamheden laat uitvoeren in het kader van de onderneming moet loonheffing inhouden en afdragen als die werkzaamheden alle kenmerken van een dienstbetrekking hebben.

Bij onderneemster met een tolk-vertaalbureau werd een boekenonderzoek uitgevoerd. Het bureau verzorgde cursussen Spaans en Nederlands voor Spaanstaligen. Naar aanleiding daarvan volgen naheffingsaanslagen loonheffing. Uit het onderzoek bleek dat de lessen werden gegeven door docenten die op basis van mondelinge afspraken waren ingehuurd. Uiteindelijk was het de vraag of twee van de vijf docenten in dienstbetrekking waren. Volgens de inspecteur waren de docenten in dienstbetrekking omdat zij tegen vergoeding cursussen verzorgden en daarbij gebruik maakten van het door het tolk-vertaalbureau voorgeschreven lesmateriaal. De docenten konden zich niet laten vervangen en de docenten werden na afloop van een cursus middels een evaluatieformulier door de cursisten beoordeeld. Het standpunt van de onderneemster dat de twee docenten ook een eigen onderneming hadden en dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen de docenten als ondernemer heeft erkend, wil volgens de rechtbank niet zeggen dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. Ook het feit dat de docenten privélessen gaven in dienst en in naam van het tolk-vertaalbureau dat daarvoor de vergoeding ontving, maakt niet dat er geen dienstbetrekking is. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel van de onderneemster, waarvoor zij de vergelijking maakt met de pakketbezorgers van PostNL, slaagt niet. Een van de docenten beschikt over een VAR-WUO maar de daarin genoemde werkzaamheden komen niet overeen met de werkzaamheden waarvoor de vergoeding is betaald. Kortom, de docenten worden geacht in dienstbetrekking te zijn.

 

Volgens de onderneemster kan over de aan de twee docenten betaalde vergoedingen geen loonheffing worden nageheven omdat de vergoedingen in hun aangiften zijn verwerkt. Daar de inspecteur niet kan achterhalen of de vergoedingen in de aangiften van de docenten zijn verwerkt omdat hij alleen totaalbedragen kan zien en de aanslagen van de docenten zijn vastgesteld voordat de naheffingsaanslagen LH zijn opgelegd, kunnen volgens de rechtbank voor de twee docenten alleen de premies voor werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet bij de onderneemster worden nageheven.

(Bron: Taxence)

Beperking maximale looptijd 30%-regeling ingekomen werknemers

Met ingang van 1 januari 2019 wordt de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers beperkt van maximaal acht naar maximaal vijf jaar. De mogelijkheid om de keuzeregeling buitenlandse belastingplicht toe te passen en de mogelijkheid om de daadwerkelijke extraterritoriale kosten gericht vrijgesteld te vergoeden, worden ook beperkt tot maximaal vijf jaar.

Evaluatie 30%-regeling

In het regeerakkoord 2017 was al aangekondigd dat de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers beperkt zal worden van acht naar vijf jaar. Dit naar aanleiding van een evaluatie van de 30%-regeling door onderzoeks- en adviesbureau Dialogic. De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs de beperking van de maximale looptijd van de 30%-regeling bevestigd in een kabinetsreactie. Bovendien heeft de staatssecretaris aangegeven dat de andere aanbevelingen uit de evaluatie van de 30%-regeling, het verhogen van de 150-kilometergrens en een verlaging van het forfait bij inkomens boven de € 100.000, niet worden overgenomen.

Oude en nieuwe gevallen

De details van de beperking van de looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers, de keuzeregeling buitenlandse belastingplicht en de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten zijn nog niet bekend. Wel is bekend dat de beperking van de maximale looptijd van acht naar vijf jaar zal ingaan per 1 januari 2019. De beperking geldt volgens de kabinetsreactie voor zowel oude als nieuwe gevallen. Op basis van het voorstel zoals dat er nu ligt, betekent dat dus waarschijnlijk dat alle 30%-regelingen die op 1 januari 2019 al vijf jaar of langer van toepassing zijn, op 1 januari 2019 per direct niet langer kunnen worden toegepast.

Aanpak

Indien u ingekomen werknemers in dienst heeft, of indien u zelf een ingekomen werknemer bent, adviseren wij u te inventariseren welke gevolgen de beperking van de maximale looptijd van de 30%-regeling, de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht en de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten mogelijk hebben. Wij houden u uiteraard op de hoogte houden van de nieuwe ontwikkelingen

(Bron: BakerTillyBerk)

Een administratief rondje voor de horecaondernemer?

In de horeca is het normaal dat u af en toe eens een rondje weggeeft. Deze gratis drankjes zijn niet terug te vinden in uw dagomzet. Moet u deze consumpties daarom van de fiscus bijhouden in uw administratie?

Omzetverhogend

Een drankje weggeven is in de horeca vrij normaal en werkt vaak omzetverhogend. De fiscus kan echter zonder nadere gegevens niet vaststellen of u daadwerkelijk de drank heeft weggegeven of dat er sprake is van niet geboekte omzet. Dus is het van belang te weten of u verplicht kunt worden dit bij te houden.

Bijhouden niet verplicht

Volgens rechtspraak uit het verleden is het bijhouden van weggegeven drankjes niet verplicht. Hetzelfde geldt voor omzetverlies door bederf en diefstal en dergelijke. De inspecteur kan u ook niet verplichten een en ander op zijn verzoek wel bij te houden.

Aannemelijk maken

Dit betekent natuurlijk niet dat u zomaar wat aan dergelijke verliesposten kunt boeken. Desgevraagd zult u deze cijfers aannemelijk moeten kunnen maken. Zo zal een weggegeven drankje in de regel eerder voorkomen in een bruin café dan in een lunchroom.

Afwijkend patroon

Wijken uw cijfers af van wat standaard is, dan staat u natuurlijk wel sterker als u een en ander wel bijhoudt. U heeft bijvoorbeeld meer bederf omdat uw diepvries het een keer heeft begeven.

(Bron: DRV)

Als kleine werkgever een onderneming overnemen? Denk aan WGA-verplichtingen

Wilt u als werkgever een andere onderneming overnemen? Dan kan het zijn dat er andere WGA-verplichtingen voor u gaan gelden. Wanneer deze mogelijke schadelast bekend is vóór de overname kunnen deze schadelasten meegewogen worden in de overnamevoorwaarden.

Met een due diligence-onderzoek worden de financiële gevolgen van een overgang van een onderneming in beeld gebracht. Hierin worden ook WGA-verplichtingen onderzocht. De schadelasten van WGA-uitkeringen kunnen tot maximaal tien jaar worden doorberekend aan de (ex-)werkgever.

Publiek verzekerd?

Bent u publiek verzekerd en is uw loonsom minder dan 328.000 euro? Dan bent u voor de Belastingdienst een ‘kleine werkgever’. Eventuele kosten van WGA-uitkeringen hebben geen invloed op de premie Werkhervattingskas. Heeft u een loonsom tussen de 328.000 en 3.280.000 euro? Dan bent u een middelgrote werkgever. Bij een loonsom van meer dan 3.280.000 euro wordt u aangemerkt als grote werkgever. WGA-uitkeringen worden bij (middel)grote werkgevers wel doorbelast, met een verhoogde premie Werkhervattingskas.

Groeien naar (middel)grote werkgever

Door een overname kunnen werkgevers bij de Belastingdienst groeien tot een (middel)grote werkgever. Waar in het ene jaar geen doorbelasting van de WGA-uitkeringen plaatsvond, kan dit door een overname in volgende jaren wel zo zijn.

Zijn er in de oorspronkelijke onderneming geen schadelasten, maar in de over te nemen onderneming wel? Ook dan kan een verhoging van de premie Werkhervattingskas volgen. Deze verhoging van de premie geldt voor de volledige loonsom.

Belangrijk: goed onderzoek

Het is belangrijk om goed onderzoek te doen naar de WGA-verplichtingen in de huidige en toekomstige organisatie. U wilt immers niet geconfronteerd worden met een toename in uw personeelslasten. Wanneer vooraf bekend is wat de financiële gevolgen zijn van de WGA-verplichtingen, kunt u hiermee rekening houden bij de overnamevoorwaarden.

Twee aparte administraties

Op het moment dat de overnemende partij eigenrisicodrager is en (latente) WGA-verplichtingen heeft, kan het verstandig zijn om na overname twee aparte administraties te voeren. Hiermee beheerst u de schadelast. De WGA-verplichtingen blijven in de over te nemen organisatie. Ze zorgen zo niet voor een verhoging van de premielast in de oorspronkelijke organisatie.

De kosten van het voeren van twee administratie en opstellen van aparte jaarrekeningen kunnen lager zijn dan de extra lasten van het financieel samenvoegen van de organisaties.

Financiële gevolgen inzichtelijk maken

Flynth raadt u aan om voor het sluiten van een koopovereenkomst de financiële gevolgen op de WGA-verplichtingen inzichtelijk te maken. Vragen hierbij zijn onder meer:

  • Is het een gedeeltelijke of een volledige overgang van onderneming?
  • Zijn overdrager en verkrijger wel of geen eigenrisicodrager?
  • Wat wordt de financiële impact?

Uw Flynth-adviseur kan u bijstaan bij het in beeld brengen van de keuzes en u adviseren in de voor u relevante opties. Denk aan het uitsluiten van schadelasten, het voeren van aparte administraties of wel of niet publiek verzekeren.

(Bron: Flynth)

Wob-verzoek toepassing gebruikelijkloonregeling

Onlangs heeft de staatssecretaris van Financiën op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) het beleid van de belastingdienst bekendgemaakt inzake de toepassing van de zogenoemde gebruikelijkloonregeling.

In het kader van de Wob zijn er drie documenten vrijgegeven, te weten:

  1. intranetpagina over gebruikelijk loon met standaardbrieven;
  2. handreiking gebruikelijk loon 2015;
  3. pagina’s over gebruikelijk loon bij het Forum voor Fiscaal Dienstverleners.

Uit de vrijgegeven stukken blijkt onder meer dat de belastingdienst niet over een eigen database beschikt waarin alle salarissen per branche zijn opgenomen. Dit mag vrij opmerkelijk worden genoemd, omdat de belastingdienst via de loonaangiften alle daarvoor benodigde informatie krijgt aangeleverd. Medewerkers van de belastingdienst worden voor het verkrijgen van informatie ten aanzien van het salarisniveau van de meest vergelijkbare dienstbetrekking verwezen naar diverse openbaar toegankelijke websites, waardoor er dus geen sprake is van een informatievoorsprong op de belastingadviseur.

Onder de vrijgegeven stukken bevindt zich ook een aantal standaardbrieven dat in beginsel niet spannend is te noemen. Onze ervaring is echter dat niet alle medewerkers van de belastingdienst hiervan gebruikmaken met als gevolg dat er af en toe standpunten worden ingenomen die fiscaal-juridisch bezien onjuist zijn. Dit betreft met name situaties waarin de directeur-grootaandeelhouder (dga) in het kader van een bedrijfsopvolging al minder is gaan werken of waarbij de vennootschap van de dga in een verliesgevende situatie terecht is gekomen.

Toch komt het in de praktijk nog steeds voor dat het salaris van de dga respectievelijk het salaris van de meewerkende partner van de dga daadwerkelijk te laag is vastgesteld. Dit kan de volgende oorzaken hebben:

  • het salaris is, gelet op de aanwezigheid van andere inkomensbronnen, te laag vastgesteld omdat de dga er geen behoefte aan heeft;
  • het salaris is fiscaal geoptimaliseerd zodat het salaris net niet in de hoogste belastingtariefschijf van 51,95% valt;
  • er wordt vanwege de lagere belastingdruk gekozen voor het uitkeren van dividend in plaats van het uitbetalen van een zakelijk bepaald salaris;
  • de dga wil de onderneming ontzien door genoegen te nemen met een lager salaris dan in de markt gangbaar is;
  • de meewerkende partner van de dga ontvangt geen dan wel een te laag salaris in verband met de gedachte dat het hier slechts ondersteunende werkzaamheden betreffen.

(Bron: WVDB)

Beleid over geruisloze doorschuiving geactualiseerd

De staatssecretaris heeft besluiten van 12 april 2002 en 18 juli 2008 op het gebied van de geruisloze doorschuiving in de zin van de artikelen 3.62 en 3.63 Wet IB samengevoegd en geactualiseerd. Als een firmant overlijdt en de overblijvende firmanten nemen zijn onderneming krachtens een overnemings- of toescheidingsbeding over of verkrijgen zijn onderneming krachtens een verblijvingsbeding, kan het voorkomen dat de onderneming civielrechtelijk korte tijd eigendom is van de niet-voortzettende erfgenamen. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen in het geval een ondernemer overlijdt en de onderneming zal worden voortgezet door een werknemer. De staatssecretaris keurt voor dit soort situaties goed dat geruisloze doorschuiving met toepassing van artikel 3.63 Wet IB 2001 juncto artikel 13a, lid 2, onderdeel f, UVR IB 2001 kan plaatsvinden hoewel de onderneming van de overledene eerst tot de nalatenschap gaat behoren en niet-voortzettende erfgenamen deze leveren aan de voortzettende firmant of werknemer. Verder zijn in het geactualiseerde besluit criteria opgenomen in verband met de beoordeling van de 36-maandseis bij onderbreking van de dienstbetrekking en is verder uitgeschreven wat de gevolgen zijn van een arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007. Het nieuwe besluit treedt op 31 mei 2018 in werking en werkt terug tot en met 14 mei 2018.

(Bron: FUTD)

De fiscale behandeling van cryptovaluta

Staatssecretaris Snel gaat nader in op wat de fiscale behandeling van cryptovaluta in diverse situaties is. Hij merkt hierbij op dat de ontwikkelingen snel gaan. Dit betekent dat de fiscale kwalificatie en behandeling van cryptovaluta in de toekomst kan veranderen.

Minen

Van belang is of ten aanzien van die activiteiten in fiscale zin al dan niet sprake is van een bron van inkomen. Voor die bronnen van inkomen is naast het verrichten van arbeid van belang dat er een voordeel wordt beoogd en dat er redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Ook kan ook de omvang van de investering (in computers) een rol spelen. Daarnaast kan de fase waarin men instapt met het minen van cryptovaluta (beginfase of een reeds langer bestaande cryptovaluta) een licht werpen op de voordeelsverwachting.

 

In de jurisprudentie is uitgemaakt dat geen sprake is van een bron van inkomen in geval van een speculatieve transactie en als het eindresultaat niet beïnvloedbaar is door de verrichte arbeid. Dat geldt ook voor de handel in cryptovaluta. Als daarentegen structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van belanghebbende die verder gaat dan de arbeid die met speculatie samenhangt, is wel sprake van een bron van inkomen. De meeropbrengst moet dus verband houden met de verrichte arbeid.

 

Bezittingen in box 3

Cryptovaluta, waaronder de bitcoin, in het bezit van een natuurlijk persoon behoren tot de vermogensrendementsgrondslag van box 3, tenzij sprake is van vermogensbestanddelen die inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, bijvoorbeeld winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. De cryptovaluta moeten naar de waarde in het economisch verkeer op de peildatum van een kalenderjaar worden vermeld in de aangifte inkomstenbelasting. Dat wil zeggen dat aangesloten dient te worden bij de geldende koers op peildatum.

Er zijn verschillende koersen voor cryptovaluta. Nu er geen wettelijk voorschrift bestaat met betrekking tot de vraag welke koers gehanteerd dient te worden, is de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform de meest voor de hand liggende koers. Burgers zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste en volledige aangifte. Indien burgers vermogen hebben in cryptovaluta zullen ze dit, evenals andere vermogensbestanddelen, moeten opgeven in hun aangifte inkomstenbelasting. In die zin zijn cryptovaluta niet anders.

 

Door een IB-ondernemer of B.V. ontvangen tegenprestatie in cryptovaluta

Als de vergoeding niet in euro’s maar in cryptovaluta wordt voldaan, moet deze worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Dat omgerekende bedrag in euro’s wordt tot de omzet gerekend. Dat geldt zowel voor de winstbepaling (de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting) als voor de omzetbelasting. Als de cryptovaluta worden omgewisseld in euro’s kan die omwisseltransactie voor de winstbepaling een verlies of een winst opleveren. Als de cryptovaluta per balansdatum aanwezig zijn, geschiedt de waardering volgens goed koopmansgebruik. Cryptovaluta kwalificeren niet als liquide middelen, maar zullen veelal wel als vlottende activa kunnen worden aangemerkt. Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van voorraad. In beide situaties (vlottende activa dan wel voorraad) is de hoofdregel waardering op kostprijs of lagere marktwaarde.

 

Loonbetaling in cryptovaluta

Als loon wordt uitbetaald in cryptovaluta moet in de aangiften loonbelasting een omrekening in euro’s plaatsvinden op het moment dat het loon wordt genoten. Loon uitbetaald in cryptovaluta wordt behandeld als loon in natura.

 

Aankoop van cryptovaluta door natuurlijk persoon die IB-ondernemer is

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

 

Het minen en de aankoop van cryptovaluta door een B.V.

Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen.

 

Handhaving

Een belangrijke ontwikkeling in dit verband is de nieuwe 5e EU anti-witwasrichtlijn, waarin identificatieverplichtingen, en andere regels zijn opgenomen voor handelsplatformen en andere aanbieders van cryptovaluta.

(Bron: Taxence)

Stel bij schenking aandelen IB-latentie op contante waarde

Het is niet toegestaan om bij een schenking van aanmerkelijkbelangaandelen de latente inkomstenbelasting te berekenen tegen de nominale waarde. Bovendien mag de fiscus de IB-latentie evenredig toerekenen aan het vrijgestelde en het belaste deel. De Hoge Raad heeft dit bevestigd.

Een man die een aanmerkelijkbelangpakket kreeg geschonken met een waarde van meer dan € 120 miljoen stelde ten eerste dat de fiscus de IB-latentie moest waarderen tegen de nominale waarde. De IB-latentie zou dan uitkomen op een veel hoger bedrag dan volgens de contante waarde. Daarnaast paste de man de bedrijfsopvolgingsfaciliteit toe, waardoor een deel van de verkrijging onbelast was. De man vond dat de IB-latentie alleen in mindering moest komen op het belaste deel. De Hoge Raad verwerpt beide standpunten van de man. De wet bevat een duidelijk waarderingsvoorschrift voor de IB-latentie: 6,25% van de waarde van de aandelen voor zover deze de verkrijgingsprijs overtreffen. Overigens vindt de rechter het meer voor de hand liggen om de IB-latentie te stellen op de contante waarde dan op de nominale waarde. Op het moment van schenking is de begunstigde immers de inkomstenbelasting nog niet verschuldigd. Ten slotte moet de IB-latentie naar evenredigheid worden toebedeeld aan het belaste en het vrijgestelde deel van de verkrijging.

(Bron: Taxence)

Voor ex betaalde hypotheekrente geen aftrekbare onderhoudsverplichting

Bij vaststelling van de alimentatie-verplichting van een man was ermee rekening gehouden dat de man de volledige hypotheekrente – dus ook het deel van zijn ex-vrouw – betaalt. Dit betekent echter niet dat de voor de ex-vrouw betaalde hypotheekrente als partneralimentatie aftrekbaar is. Met een reactie van mr. Pascal van Arnhem.

Een man en vrouw zijn in 2009 gescheiden. De man is in de woning blijven wonen en heeft de volledige hypotheekrente en de premies levensverzekering over de jaren 2010 en 2011 voldaan. Hij bracht het deel van de hypotheekrente en de premies levensverzekering die eigenlijk door zijn ex-vrouw betaald hadden moeten worden als partneralimentatie in zijn aangifte IB 2010 en 2011 in aftrek. Hof Den Bosch oordeelde dat dit niet mocht. Het feit dat bij vaststelling van de partneralimentatieverplichting van de man rekening was gehouden met de volledige hypotheeklast en de premies levensverzekering betekende niet zonder meer dat er sprake was van een onderhoudsverplichting in de zin van de inkomstenbelasting.

 

A-G Niessen sluit zich bij dit oordeel aan. De man had bij de berekening van zijn netto-besteedbaar inkomen voor de alimentatievaststelling het volledige bedrag aan hypotheekrente op zijn inkomen in aftrek gebracht. De ex-echtgenote had deze berekening in de alimentatieprocedure niet weersproken, waardoor er sprake lijkt te zijn geweest van een gedeeltelijke uitruil van woonlasten tegenover alimentatie. Immers, door dit niet te weerspreken zal zij minder alimentatie hebben ontvangen dan bij een 50/50 toerekening van de hypotheekrenteaftrek en woonlasten het geval was geweest. Dit bracht echter nog niet mee dat er sprake was van een uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichting. De man kon de voor zijn ex-vrouw betaalde hypotheekrente en premies levensverzekering dus niet aftrekken als partneralimentatie. De A-G adviseerde het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

 

Commentaar mr. Pascal van Arnhem

Taxence vroeg mr. Pascal van Arnhem, werkzaam bij belastingdienst kantoor Amsterdam om een reactie.

‘De vraag die in deze procedure beantwoord dient te worden is of het feitelijk voldoen van de hypotheeklasten van de voormalige echtgenote met zich meebrengt dat belanghebbende heeft voldaan aan een op hem rustende onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001.

A-G Niessen komt in zijn conclusie tot de slotsom dat belanghebbende de hypotheeklasten van zijn voormalige echtgenote niet heeft voldaan op basis van een onderhoudsverplichting. Het enkele feit dat de rechter de woonlasten meeneemt bij de draagkrachtberekening voor de alimentatieverplichting brengt immers nog niet mee dat de betaling van die woonlasten voortvloeit uit een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Die verplichting vloeit immers niet voort uit een rechterlijk vonnis, maar uit de achterliggende door het (ontbonden) huwelijk geschapen familierechtelijke verhouding.

Het gaat er niet zozeer om wat door de voormalige echtgenote is ontvangen, maar wat het karakter is van de betalingen die door belanghebbende voor zijn rekening zijn genomen. Slechts wanneer de betalingen door belanghebbende in juridische zin als alimentatie zijn te kwalificeren, kunnen zij als onderhoudsverplichting worden aangemerkt. Daarvan is in de onderhavige casus zo te zien geen sprake.

De huidige fiscale aftrekregelingen bieden belanghebbende dan ook geen mogelijkheid om rekening te houden met de door hem betaalde woonlasten van zijn voormalige echtgenote. De A-G wijst er op dat die conclusie mogelijk niet door iedereen in overeenstemming zal worden geacht met de ratio van de wettelijke regels. Het lijkt er op dat de A-G die mening ook is toegedaan. Hij geeft de Hoge Raad immers als mogelijke oplossing mee om het wettelijke regime zodanig op te rekken dat renteaftrek toch mogelijk is voor zover de rentebetalingen het eigenwoningforfait te boven gaan. Aan de andere kant wijst de A-G er ook op dat er verschillende politieke keuzes zijn te maken om al dan niet wijzigingen aan te brengen in de huidige renteaftrekbepalingen.

Gelet op dit laatste argument van de A-G en de omstandigheid dat de huidige regeling op zichzelf geen strijd oplevert met andere wettelijke- of verdragsbepalingen ligt het naar mijn mening niet voor de hand dat de Hoge Raad wijzigingen aanbrengt in de huidige aftrekregeling. Die keuze lijkt mij in dit geval voorbehouden te zijn aan de wetgever.’

(Bron: Taxence)