Beloon meewerkende kinderen via KJ-regeling

Veel kinderen werken – al dan niet in de zomervakantie – in de zaak van hun ouders mee. Naast het feit dat deze hulp praktische voordelen heeft, zijn er ook fiscale voordelen te behalen. Als er kinderen meewerken zijn vader of moeder ineens “werkgever” en kunnen zij gebruik maken van de zogenaamde kalenderjaarregeling (KJ-regeling).

 

De kalenderjaarregeling De KJ-regeling is een vereenvoudigde regeling voor de inhouding en afdracht van de over het loon van uw kind verschuldigde loonheffing. Als uw meewerkende kind 15 jaar of ouder is, nog thuis woont en niet onder de werknemersverzekeringen valt, kunt u de verschuldigde loonheffing één keer per jaar inhouden en afdragen. Verder levert de regeling tal van administratieve voordelen op.

De voordelen De regeling levert de volgende voordelen op:

– Er hoeft niet maandelijks of vierwekelijks een inhouding en afdracht van de loonheffingen plaats te vinden; – Inhouding en afdracht vindt in één keer plaats en wel op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar; – De elektronische aangifte loonheffingen en de afdracht moet vóór 1 februari van het volgende kalenderjaar bij de belastingdienst plaatsvinden.

De voorwaarden De regeling kent dus met name administratieve voordelen. Om voor de regeling in aanmerking te komen moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:

– Het kind moet meewerken in de onderneming van de ouder(s); – Het kind moet 15 jaar of ouder zijn; – Het kind moet tot uw huishouden behoren; – De loonheffingskorting moet worden toegepast; – Het kind is niet verzekerd voor een andere sociale verzekering dan een volksverzekering en de Zorgverzekeringswet (Zvw); – Voor de eerste uitbetaling moeten naam, geboortedatum en BSN-nummer (voorheen sofi-nummer) in de administratie zijn opgenomen.

Daarnaast moet u toestemming krijgen van de belastingdienst. Gebruik daarvoor het formulier ‘Melding loonheffingen werkgever van meewerkende kinderen’.

Als niet aan alle voorwaarden is voldaan, gelden de normale regelingen voor de loonbelasting, premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

(Bron: De Zaak)

Personeelsuitje tot € 454 per jaar onbelast

Uw onderneming organiseert ieder jaar een bedrijfsuitje. Iedereen blij, maar voor u betekent het extra werk. Per kalenderjaar mag de werkgever onder de oude regels voor vergoedingen en verstrekkingen namelijk niet meer dan € 454 per kalenderjaar onbelast laten voor personeelsfeesten, -reizen en dergelijke. Het meerdere is belast loon. Maar als u werknemers voor hun eigen feestje gaat belasten, zullen ze heel wat minder blij zijn.

Een personeelsuitje of -feestje kan een dure grap zijn. Zeker als de werkgever er een dag- en avondvullend programma van maakt, kunnen de kosten flink oplopen. Komen de kosten van het bedrijfsuitje boven de € 454 per kalenderjaar per werknemer uit, dan is het meerdere te belasten loon.

Tot maximaal € 200 eindheffing mogelijk

Over het bedrag boven de € 454 moet u loonheffingen inhouden en afdragen. Wilt u niet dat uw werknemers moeten betalen voor hun personeelsuitje, dan kunt u de extra loonbelasting/premie volksverzekeringen voor uw rekening nemen door er eindheffing over te betalen. Hiervoor geldt een maximum van € 200 per maand per werknemer. U rekent hier het tabeltarief over, dat kan oplopen tot 108,3%. Gaan de kosten per werknemer over de (€ 454 + € 200 =) € 654 heen, dan is het meerdere belast loon. U kunt over dit bedrag geen eindheffing toepassen. Het meerdere komt dan dus echt voor rekening van de werknemer.

Feestje op de werkplek is onbelast

Maakt uw onderneming gebruik van de werkkostenregeling, dan gelden er andere regels. Dan is namelijk de locatie van het personeelsuitje belangrijk. Vindt (een deel van) het personeelsfeestje op de werkplek plaats, dan is (dat deel van) het kostenplaatje onbelast. Maar organiseert uw werkgever een feest of etentje op een externe locatie, dan zijn de kosten belast loon. U kunt dit doorbelasten aan de werknemer of als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.

(Bron: Salarisrendement)

Oplossing voor problemen bij waardeoverdracht

Vanaf 1 juli 2012 komt er een tijdelijke ontheffing van de plicht van werkgevers om mee te werken aan waardeoverdracht van pensioen. Als werkgever hoeft u onder voorwaarden niet aan waardeoverdracht mee te werken als u wordt geconfronteerd met hoge bijbetalingslasten bij waardeoverdracht.

Als werknemers van baan wisselen en daarbij gebruik willen maken van het recht op waardeoverdracht van pensioen, kunnen vooral kleine werkgevers met hoge kosten worden geconfronteerd. Om kleine werkgevers tijdelijk te ontzien, heeft minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (pdf) naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin stelt hij voor om een kleine werkgever tijdelijk te ontheffen van de plicht om mee te werken aan waardeoverdracht als een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is van meer dan € 15.000 en meer dan 10% van de overdrachtswaarde.

Aan bijbetalingsplicht ontkomt u niet snel

Een kleine werkgever is in dit verband een werkgever met een premieplichtig loon van € 755.000 (in 2012). Of u als kleine werkgever kwalificeert, kunt u terugvinden in de premienota voor de sociale verzekeringen die u van UWV krijgt. In alle andere situaties bent u wel verplicht om mee te werken aan waardeoverdracht. Minister Kamp verwacht niet dat de tijdelijke inperking veel werknemers in hun rechten raakt, omdat het in ruim 90% van de gevallen van waardeoverdracht gaat om een aanvullende bijdrage die lager is dan € 15.000. Aan uw bijbetalingsplicht zult u dus niet heel snel ontkomen.

Structurele oplossing voor problemen bij waardeoverdracht

Voldoet u als kleine werkgever aan de gestelde voorwaarden en wilt u niet opdraaien voor de bijbetalingskosten, dan moet u dit binnen één maand en door middel van bewijsstukken laten weten aan de ontvangende pensioenuitvoerder. Het gaat overigens om een tijdelijke maatregel, die naar verwachting per 1 juli 2012 ingaat en per 1 januari 2014 vervalt. Minister Kamp zoekt namelijk naar structurele oplossingen voor de problemen rondom waardeoverdracht. Daarover wordt hij binnenkort geadviseerd door de Stichting van de Arbeid.

(Bron: HR Rendement)

Overdrachtsbelasting en NHG wijzigen per 1 juli 2012

Per 1 juli 2012 veranderen het percentage van de overdrachtsbelasting en de kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Onderstaand lees je wat dit inhoudt en welke gevolgen dit heeft.

Overdrachtsbelasting van 2% naar 6%

Overdrachtsbelasting ben je verschuldigd op het moment dat je je huis daadwerkelijk koopt, oftewel de sleutels van jouw huis krijgt. Dit is het moment dat je de transportakte tekent bij de notaris. Deze belasting bedraagt tot 1 juli 2012 2%. De koper betaalt deze belasting. Voor een nieuwbouwhuis is geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Krijg je de sleutels van je nieuwe woning na 1 juli 2012 of later, dan zoals het er nu naar uit ziet, betaal je 6%.
Wat zijn de gevolgen? Ontvang je uiterlijk 30 juni 2012 de sleutel van je nieuwe woning, met een waarde van bijvoorbeeld 200.000 euro, dan bedraagt de overdrachtsbelasting 4000 euro. Ontvang je de sleutel 1 juli 2012 of later, dan stijgt de overdrachtsbelasting. Je betaalt dan 6% van 200.000 euro is 12.000 euro. Dit is een verschil van 8.000 euro dat je bijvoorbeeld kunt gebruiken voor een verbouwing, het bieden op een duurdere woning of lagere woonlasten.

Ambitions.nu (28 april 2012): Inmiddels is er tussen de partijen VVD, CDA, D66, Christenunie en Groenlinks een akkoord bereikt. Onderdeel van dit akkoord is dat voorgenomen wordt om de overdrachtsbelasting toch op 2% te houden. Het akkoord betreft op dit moment echter een hoofdlijnen akkoord wat nog nader uitgewerkt zal moeten worden. 

Kostengrens NHG wijzigt

Wanneer je een hypotheek met NHG afsluit, betaal je een lagere hypotheekrente. Die rentekorting kan oplopen tot 0,8%. Dat kan vele euro’s per maand schelen. NHG is mogelijk bij de aankoop en/of de verbetering van je woning. Verder houdt NHG in dat de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen garant staat voor de terugbetaling van het geleende bedrag aan de geldverstrekker. Mocht je door omstandigheden de hypotheeklasten niet meer kunnen betalen, dan wordt de woning verkocht. Als de verkoopopbrengst niet voldoende is om de lening volledig af te lossen, betaalt het Waarborgfonds het verschil aan de geldverstrekker. Onder voorwaarden wordt de schuld die je hierdoor bij het Waarborgfonds krijgt kwijt gescholden.
Tot 1 juli 2012 geldt bij aankopen de huidige NHG kostengrens van 350.000 euro. Vanaf 1 juli 2012 wordt de NHG-grens bij aankopen stapsgewijs verlaagd naar 265.000 euro. Onderstaand staan de stappen:

  • Tot 1 juli 2012 350.000 euro
  • 1 juli 2012 – 1 juli 2013 320.000 euro
  • 1 juli 2013 – 1 juli 2014 290.000 euro
  • Vanaf 1 juli 2014 265.000 euro

Wat zijn de gevolgen? Rekenvoorbeeld: Je koopt vóór 1 juli 2012 een bestaande of nieuwbouwwoning met een koopsom van 324.074 euro. Je totale hypotheek is 350.000 euro. Je kunt bij deze koopsom nu nog profiteren van het rentevoordeel dat NHG hypotheken bieden. Dit voordeel kan oplopen tot 0,8%.

Koopsom bestaande / nieuwbouwwoning: 324.074 euro
Totaal hypotheekbedrag voor bestaande / nieuwbouwwoning: 350.000 euro

Vanaf 1 juli 2012 kun je als je wilt profiteren van de NHG rentekorting een bestaande woning met een maximale koopsom van 285.714 euro of een nieuwbouwwoning met een maximale koopsom van 296.296 euro kopen. In beide gevallen is je totale hypotheek dan maximaal 320.000 euro.

Koopsom bestaande woning: 285.714 euro
Totaal hypotheekbedrag voor bestaande woning: 320.000 euro
Koopsom nieuwbouwwoning: 296.296 euro
Totaal hypotheekbedrag voor nieuwbouwwoning: 320.000 euro

 

Profiteer tot 1 juli 2012 van de verlaagde overdrachtsbelasting en de ruimere NHG

Heb je koopplannen? Sluit dan je hypotheek af vóór 1 juli! Dan profiteer je nog van de verlaagde overdrachtsbelasting en val je binnen de ruimere NHG regeling.

(Bron: De Hypotheker)

Investeren en de fiscus

Bij het nemen van investeringsbeslissingen spelen bedrijfseconomische, maar zeker ook fiscale aspecten een belangrijke rol. In deze checklist worden de belangrijkste aandachtspunten uit de doeken gedaan.

1. Investeer in bedrijfsmiddelen

2. Schrijf af op het bedrijfsmiddel

3. Ga na of willekeurige afschrijving (nog) mogelijk is

4. Profiteer van de investeringsaftrek

5. Investeer in energie besparende bedrijfsmiddelen

6. Overweeg een investering in een milieubeschermende bedrijfsmiddel

7. Vorm een herinvesteringsreserve

8. Boek herinvesteringsreserve af

9. Houd rekening met de omzetbelastingaspecten

10. Combinaties tussen faciliteiten

 

1. Investeer in bedrijfsmiddelen

Ondernemen en investeren gaat hand in hand. Een goede afweging van alle mogelijke gevolgen is de moeite waard. Het vervroegen, uitstellen of splitsen van een investeringen in een bedrijfsmiddel kan zorgen voor een forse kostenbesparing.

Investeren is…..

Onder investeren wordt verstaan: het aangaan van verplichtingen voor de aanschaf of verbetering van een bedrijfsmiddel. Aanschaffingskosten zijn kort gezegd alle kosten die worden gemaakt om dat bedrijfsmiddel bedrijfsklaar te krijgen. Denk hierbij aan de advieskosten en de financieringskosten voor de periode dat een bedrijfsmiddel in aanbouw is. Ook het maken van voortbrengingskosten voor een bedrijfsmiddel kwalificeert als investeren. Voor de aftrek van deze kosten is vooral van belang dat de verplichtingen en kosten op de ondernemer drukken.

Het aanschaffen, verbeteren of voortbrengen van en bedrijfsmiddel

Bedrijfsmiddelen in fiscale zin zijn goederen die worden gebruikt voor het drijven van een onderneming. Materiële, onlichamelijke, goederen, zoals octrooien, patenten en goodwill worden ook gezien als een bedrijfsmiddel. Goederen ter bewerking, verwerking of verkoop, die alleen zijn bestemd voor de omzet zijn dus geen bedrijfsmiddelen. De investering moet in ieder geval ook behoren tot het ondernemingsvermogen, anders zijn de fiscale investeringsfaciliteiten niet van toepassing.

2. Schrijf af op het bedrijfsmiddel

De hoogte van de afschrijving is afhankelijk van de historische kostprijs, de restwaarde en de levensduur. De restwaarde van een bedrijfsmiddel is de waarde die het bedrijfsmiddel heeft aan het eind van de gebruiksduur in uw onderneming. De restwaarde moet naar goed koopmansgebruik door de ondernemer worden geschat. De gebruiksduur wordt niet alleen beïnvloed door de levensduur die het bedrijfsmiddel in technische zin heeft, maar ook door de levensduur in economische zin.

Begin met afschrijven

Zodra het bedrijfsmiddel in gebruik is genomen kan de ondernemer beginnen met afschrijven. Gebeurt dat pas in de loop van het jaar, dan moet hij tijdsevenredig afschrijven. De fiscale afschrijving is gemaximeerd op 10% voor goodwill en 20% voor andere bedrijfsmiddelen (uitgezonderd onroerende zaken).

Let op de afschrijvingstermijnen voor gebouwen

De afschrijvingstermijnen voor gebouwen zijn per 2007 drastisch ingeperkt. Vanaf die datum is afschrijving op gebouwen alleen mogelijk als de boekwaarde aan het begin van het boekjaar hoger is dan bodemwaarde van dat gebouw. Voor een gebouw in eigen gebruik is de bodemwaarde 50% van de WOZ-waarde. Voor een gebouw ter belegging bedraagt de bodemwaarde 100% van de WOZ-waarde. Een gebouw is simpelweg alle onderdelen van een gebouw met inbegrip van de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden.

Kies uit een van de afschrijvingsmethoden

Er is afhankelijk van de feitelijke situatie vier afschrijvingsmethoden mogelijk, namelijk de lineaire afschrijving, de degressieve afschrijving, afschrijven tegen afnemend percentage en afschrijven volgens de intensiteitsmethode. De lineaire methode is algemeen geaccepteerd en wordt in de praktijk het meest gebruikt. Deze methode berust op de veronderstelling dat het nut dat een bedrijfsmiddel heeft voor een onderneming gelijkmatig afneemt. De meeste gebruikelijke afschrijving is een afschrijving met een past percentage van de aanschafprijs.

3. Ga na of willekeurige afschrijving (nog) mogelijk is

De ondernemer kan bij bepaalde bedrijfsmiddelen zelf bepalen hoe snel (of hoe langzaam) de investering ten laste van de winst wordt gebracht. In dit geval is er sprake van willekeurige afschrijving die een liquiditeits- en rentevoordeel oplevert.

Schrijf willekeurig af

Sinds 1 januari 2012 geldt willekeurige afschrijving alleen nog voor bepaalde milieubedrijfsmiddelen (de VAMIL-regeling). Op milieubedrijfsmiddelen kan de ondernemer voor 75% willekeurig afschrijven. Op het restant past de ondernemer de normale afschrijving toe. Daarnaast kunnen ook ondernemers die in 2009, 2010 en 2011 een bedrijfsmiddel hebben aangeschaft en hierop willekeurig hebben afgeschreven dit ook in 2012 doen.

Begin met afschrijven vóór ingebruikname

Bij willekeurige afschrijving hoeft de ondernemer niet te wachten totdat het bedrijfsmiddel in gebruik is genomen om over te gaan tot afschrijving. Zijn er verplichtingen aangegaan of voortbrengingskosten gemaakt, dan is afschrijving toegestaan. De afschrijving vóór ingebruikname mag echter niet hoger zijn dan het bedrag dat op grond van de investeringsverplichting reeds is betaald. In bepaalde gevallen kan de ondernemer zelfs willekeurig afschrijven als geen verplichtingen zijn aangegaan.

Meld de milieu-investering tijdig aan (VAMIL)

De milieu-investering moet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen worden gemeld bij Agentschap NL. Investeringen die vóór 1 januari 2012 zijn gedaan meldt de ondernemer nog wel bij de Belastingdienst.

 

4. Profiteer van de investeringsaftrek

Naast de afschrijving is nog een extra bedrag ten laste van de winst te brengen: de investeringsaftrek. De investeringsaftrek kan onder voorwaarden en met de juiste planning oplopen tot ruim 70% van het investeringsbedrag. Er zijn vier verschillende investeringsaftrekregelingen: de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), de energie-investeringaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de deinvesteringsbijtelling.

Verzoek om toepassing van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is in feite de ‘gewone’ investeringsaftrek. Van groot belang voor de toepassing van deze aftrek is om expliciet hierom te verzoeken bij de aangifte. De ondernemer die in een kalenderjaar voor meer dan € 2.300 (2012) investeert in bedrijfsmiddelen heeft recht op deze aftrek. Er ontstaat bij het aangaan van een verplichting in beginsel al recht op investeringsaftrek (max. 28%). Feitelijke betaling is daarvoor niet vereist. De vraag óf en hoeveel is betaalt, gaat wel een rol spelen als het bedrijfsmiddel niet direct in gebruik wordt genomen.

Bepaal de aftrekpercentage bij een samenwerkingsverband

Als sprake is van samenwerkingsverband worden de investeringen van het samenwerkingsverband samengeteld voor de bepaling van het aftrekpercentage. De investeringsaftrek wordt aan de afzonderlijke firmanten toegerekend naar rato van hun kapitaaldeelname, hun aandeel in de stille reserves, hun aandeel in de winst of gewoon ieder voor een gelijk deel. De firmanten hebben veel vrijheid daarbij.

Ga na of sprake is van uitgesloten verplichtingen en transacties

Niet alle bedrijfsmiddelen komen voor investeringsaftrek in aanmerking. Uitgesloten zijn bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen waarvoor het investeringsbedrag minder is dan € 450, de zogenoemde ‘voorwerpen van geringe waarde’. Er zijn ook verschillende transacties die zijn uitgesloten van investeringsaftrek. Dit zijn de zogenoemde ‘besmette transacties’, zoals  verplichtingen tussen de ondernemer en personen die tot zijn huishouden behoren.

Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling

Het tegenovergestelde van investeren is desinvesteren. Alleen de ondernemer die desinvesteert (dat wil zeggen een bedrijfsmiddel vervreemd) en gebruikt heeft gemaakt van de investeringsaftrek kan te maken krijgen met de desinvesteringsbijtelling. Deze bijtelling komt pas aan de orde bij een desinvestering van € 2.300 (2012) of meer. De termijn waarbinnen de desinvesteringsbijtelling in aanmerking moet worden genomen, is vijf jaar. Te rekenen vanaf het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden.

5. Investeer in energie besparende bedrijfsmiddelen

Investeren in bedrijfsmiddelen die energiebesparend zijn kan zorgen voor een extra aftrekpost van 41,5% (2012). Kijk dan vooraf of het bedrijfsmiddel op de zogeheten Energielijst voorkomt. Deze energie-investeringsaftrek kom nog eens bovenop de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Let op afwijkende bepalingen

De energie-investeringsaftrek is alleen bedoeld voor ‘echte’ ondernemers (en niet voor bijvoorbeeld de commanditaire vennoot in een cv) en is alleen van toepassing op niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen. Anders dan bij de kleinschaligheidsaftrek is het mogelijk een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen als niet eerder bij de aangifte om aftrek is verzocht.

6. Overweeg een investering in een milieubeschermende bedrijfsmiddel

Voor investeren in bedrijfsmiddelen die milieubeschermend zijn geldt ook een extra investeringsaftrek. In de Milieulijst komen drie categorieën bedrijfsmiddelen voor waarbij verschillende aftrekpercentages horen. Het kan een extra aftrekpost van 36% van de investering opleveren. Deze milieu-investeringsaftrek kom nog eens bovenop de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (en is te combineren met de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen.

7. Vorm een herinvesteringsreserve

De herinvesteringsreserve biedt de mogelijkheid belastingheffing over boekwinst uit te stellen. Van belang is dat op de balansdatum (nog) het voornemen bestaat de opbrengst binnen drie jaar te investeren in vervangende bedrijfsmiddelen. De Belastingdienst kan vragen om dit voornemen aannemelijk te maken.

Vergeet gelijkstellingen niet

De vorming van een herinvesteringsreserve is ook mogelijk bij verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel. Deze handelingen zijn namelijk wettelijk gelijkgesteld met een vervreemding. De ontvangen vergoeding (meestal van de verzekeraar) wordt in dat geval als opbrengst aangemerkt.

Voldoe aan de vereiste van eenzelfde economische functie

In bepaalde gevallen is afboeking van de herinvesteringsreserve alleen mogelijk op voorwaarde dat het ‘oude’ bedrijfsmiddel en het vervangend bedrijfsmiddel economisch gezien dezelfde economische functie hebben. Het gaat dan om bedrijfsmiddelen waarover normaal gesproken niet (grond) of langer dan 10 jaar (bedrijfspanden) wordt afgeschreven.

Houd rekening met ‘vrijval’ bij staking

Staakt u uw onderneming, dan worden alle fiscale en stille reserves alsnog belast. Heeft u op het stakingsmoment nog geen gelegenheid gehad de herinvesteringsreserve aan te wenden, dan valt die in de (stakings)winst. Dat geldt ook als u na staking wederom gaat ondernemen. Het meenemen van de herinvesteringsreserve van de oude naar de nieuwe onderneming is niet toegestaan.

Houd rekening met aanvullende regels bij overheidsingrijpen

Er gelden enkele aanvullende regels voor de herinvesteringsreserve bij overheidsingrijpen. De situaties die kwalificeren als overheidsingrijpen zijn in 2012 verder uitgebreid. Wanneer is er nu precies sprake van overheidsingrijpen in de zin van deze regeling? De ondernemer krijgt in ieder geval hiermee te maken bij onteigening, middellijke onteigening en aankoop door de overheid ter voorkoming van onteigening.

Verzoek om verlenging bij herinvestering

De driejaarstermijn kan worden verlengd als in verband met de aard van de herinvestering een langere termijn nodig is. Ook als de herinvestering door bijzondere omstandigheden is vertraagd, kan de driejaarstermijn worden opgerekt. Is er sprake van vertraging, dan wordt de termijn echter alleen verlengd als u – binnen de drie jaar – al wel bent begonnen met de voorbereiding. De bewijslast dat deze bijzondere omstandigheden aan de orde zijn ligt bij de ondernemer. Uit de rechtspraak blijkt dat de belastingrechter de eis van een bijzondere omstandigheid soepel toepast.

8. Boek herinvesteringsreserve af

Sta stil bij de boekwaarde-eis

De afboeking van de herinvesteringsreserve kan er niet toe leiden dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel daalt beneden de boekwaarde van het oude bedrijfsmiddel ten tijde van de vervreemding. Bij meer bedrijfsmiddelen is dat het gezamenlijk bedrag van de boekwaarden.

Kijk uit bij samenloop tussen hir en willekeurige afschrijving

Als op een bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven moet de ondernemer voor de herinvesteringsreserve uitgaan van de boekwaarde zoals die bij ‘gewone’ afschrijving zou hebben gegolden. Om de samenloop van herinvesteringsreserve en willekeurige afschrijving verder tegen te gaan, mag willekeurige afschrijving achterwege blijven tot het bedrag waarvoor een herinvesteringsreserve is afgeboekt.

Houd de afschrijvingsregels in de gaten

De afschrijvingen op het bedrijfsmiddel waarin is geherinvesteerd, berekent u op basis van de boekwaarde na afboeking van de herinvesteringsreserve. De herinvesteringsreserve verlaagt dus de afschrijvingsgrondslag. U mag de investeringsaftrek berekenen over de aanschaffingskosten zonder rekening te houden met afboeking van de herinvesteringsreserve.

Pas ruilarresten toe

Biedt de wettelijke herinvesteringsreserve geen soelaas? Ga dan na of u met een beroep op de zogenoemde ruilarresten het zelfde resultaat (uitstel van belasting over boekwinst) is te bereiken. De voorwaarden zijn weliswaar strenger dan die van de herinvesteringsreserve, het toepassingsbereik is namelijk veel groter. De ruilarresten zijn echter niet van toepassing bij normale verkoop uit een handelsvoorraad. Er is in dat geval immers sprake van het maken van omzet om daarmee winst te behalen.

9. Houd rekening met de omzetbelastingaspecten

Omzetbelasting kan – indien deze niet is te verrekenen- de investeringsverplichting met 19% verhogen. Het is daarom belangrijk voorafgaand aan de investering het BTW-profiel goed in kaart te brengen. In sommige gevallen heeft de ondernemer de keus een bedrijfsmiddel tot privé- of tot het bedrijfsvermogen te rekenen. Deze vermogensetikettering voor de omzetbelasting kan afwijken van die voor de inkomstenbelasting.

Liquiditeitsvoordeel

Bij koop financiert u de niet-aftrekbare btw in een keer. Bij huur of operational lease smeert de ondernemer de btw uit over de termijnen. Dat levert een liquiditeitsvoordeel op.

Verzoek niet te snel om ontheffing van administratieve verplichtingen

Op grond van de kleine ondernemersregeling kunnen bepaalde ondernemers een ontheffing krijgen van de administratieve verplichtingen. In dat geval is het niet mogelijk meer voorbelasting af te trekken dan het bedrag dat verschuldigd is. Zij krijgen dus nooit voorbelasting terug. Dit is een groot nadeel als men in enig jaar flink investeert.

Herzie de btw en het investeringsbedrag

De herziening van aftrek van voorbelasting is van invloed op de kostprijs en daarmee ook op de afschrijving en eventueel de investeringsaftrek (of de desinvesteringsbijtelling) van het betreffende bedrijfsmiddel. Als die gevolgen u niet goed uitkomen, zou u kunnen verdedigen dat de herziening wordt opgeroepen door een wijziging in de bedrijfsvoering in enig jaar en dat de terugbetaling of ontvangst als direct ten laste of ten gunste van het jaarresultaat moet worden geboekt.

10. Combinaties tussen faciliteiten

Veel van de besproken faciliteiten kunnen cumuleren. Zo kan de totale investeringsaftrek oplopen tot ruim 70%. De milieu-investeringsaftrek kan echter niet samengaan met de energie-investeringsaftrek. Ook voor een al te gunstige samenloop tussen willekeurige afschrijving en de herinvesteringsreserve heeft de wetgever een stokje gestoken. Zij het dat de zogenoemde ruilarresten u daarbij weer te hulp komen.

 

(Bron: Taxence)

Vanaf 2013 vermogenstoets in zorgtoeslag

Inkomensondersteunende maatregelen, zoals de zorgtoeslag, dienen volgens het wetsvoorstel “Wijziging Wet op de zorgtoeslag, in verband met de introductie van een vermogenstoets”  terecht te komen bij mensen die deze nodig hebben. Derhalve wordt het recht op zorgtoeslag met ingang van 2013 beëindigd voor huishoudens met een vermogen dat hoger is dan het heffingvrije vermogen uit box 3 als bedoeld in de inkomstenbelasting, plus € 80 000. Op dit moment betekent dit dat alleenstaanden met een vermogen dat hoger is dan € 100.785 en partners met een vermogen van meer dan € 120.000 geen zorgtoeslag meer zullen ontvangen.

(Bron: Estateplaningnieuws)

Buiten de termijn opgelegde aanslag is toch op tijd vanwege geen bezwaar

Een aanslag die buiten de termijn is opgelegd is alleen nietig als de belastingplichtige expliciet een beroep doet op het vervallen van de bevoegdheid om een aanslag op te leggen. Doet een belastingplichtige dat niet, dan is de aanslag binnen de termijn opgelegd.

Een bv wordt in 2002 failliet verklaard. Door de FIOD heeft een onderzoek bij de bv plaatsgevonden waarbij een groot deel van de boekhouding in beslag is genomen. Over 2000 en 2001 worden aanslagen opgelegd. Op 4 november 2008 verzoekt de bv aan de inspecteur om een aanslagbiljet Vpb 2003 uit te reiken. Volgens de bv is in 2003 een negatieve winst genoten.

Naar aanleiding hiervan wordt op 16 januari 2010 een aanslag Vpb voor het jaar 2003 opgelegd met een bedrag aan te betalen belasting. De bv is het met de aanslag niet eens en stelt bezwaar en vervolgens beroep in. Bij de rechtbank wordt de aanslag vernietigd. Volgens de rechter had de aanslag voor 1 januari 2007 moeten worden opgelegd. Kortom, de aanslag is ruim na de termijn opgelegd en het beroep van de bv wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag vernietigd. De bv is daar niet mee eens en stapt naar Hof Den Bosch. Voor dat hof is het allereerst de vraag of de aanslag tijdig is opgelegd. Volgens de wet vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld ontstaat. De aanslag had in dit geval inderdaad voor 1 januari 2007 moeten worden opgelegd. Dat de aanslag buiten de aanslagtermijn is opgelegd kan echter niet worden tegengeworpen aan de bv. De termijn is echter vooral opgenomen om de belastingplichtigen duidelijkheid te verschaffen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een aanslag die wordt opgelegd na verloop van die termijn niet van rechtswege nietig is. Alleen als de belastingplichtige expliciet een beroep doet op het vervallen van de bevoegdheid een aanslag op te leggen, is de aanslag nietig. Nu de bv een dergelijk beroep niet heeft gedaan is de aanslag tijdig opgelegd. Uit de stukken blijkt duidelijk dat de bv niet aan zijn wettelijke administratieplicht heeft voldaan. De bv kan het geleden verlies niet aantonen. De aanslag is daarmee terecht zonder vaststelling van een verlies vastgesteld.

(Bron: Belastingzaken)

Rittenregistratie voor iedere rit noodzakelijk

Een werknemer met een auto van de zaak die niet meer dan 500 privékilometers per jaar rijdt, kan bijtelling voorkomen door een sluitende rittenregistratie bij te houden. Het vermelden van de dagtotalen is onvoldoende om dit te bewijzen. Uit een recente rechtszaak blijkt dat werknemers alle ritten specifiek moeten registreren.

Een rittenadministratie bestaande uit alleen dagtotalen is onvoldoende om bijtelling te voorkomen. In een recente rechtszaak had een directeur-grootaandeelhouder (dga) een naheffingsaanslag gekregen, omdat de inspecteur van de Belastingdienst vond dat zijn rittenregistratie niet sluitend was. De dga hield alleen de dagtotalen bij en registreerde niet de gereden kilometers per afzonderlijke rit.

Adviseur keurde rittenadministratie goed

De rechter vond dat de dagtotalen onvoldoende informatie leverden om geen bijtelling te rekenen. De dga lichtte zijn ritten daarop alsnog toe, maar de rechter vond dat onvoldoende. Bovendien leek het de rechter onwaarschijnlijk dat hij nooit privé had gereden met de auto. Het feit dat de dga een privéauto tot zijn beschikking had, maakte hier niet uit. De inspecteur wilde verder nog een boete opleggen voor grove schuld, omdat de dga willens en wetens slechts dagtotalen had ingevuld. Maar de dga had een adviseur die zijn aangifte afhandelde en die had zijn rittenadministratie goedgekeurd. De rechter was het dan ook niet eens met deze boete. De navorderingsaanslag vond de rechter echter wel terecht.

(Bron: Salarisrendement)

Fiscus start proef met direct definitieve aanslag na belastingaangifte

De Belastingdienst start met een proef waarbij mensen die voor 1 april hun belastingaangifte hebben ingediend, direct een definitieve aanslag krijgen opgelegd. Als de fiscus overtuigd is van de juistheid van de berekening, wordt de voorlopige aanslag overgeslagen. Staatssecretaris Frans Weekers van Financiën: ‘De tussenstap van een voorlopige aanslag kan in veel gevallen worden overgeslagen. Mensen krijgen dus sneller duidelijkheid en minder blauwe brieven. Dat is voor iedereen winst.’
De eerste 40.000 mensen krijgen de komende dagen direct een definitieve aanslag in de bus waarbij de voorlopige aanslag wordt overgeslagen. Een test onder 1.000 mensen wees uit dat deze versneld opgelegde definitieve aanslagen inhoudelijk correct waren. De komende weken wordt duidelijk of de Belastingdienst de proef dit jaar naar nog meer mensen kan uitbreiden. Deze stap past in het streven van staatssecretaris Weekers om het aantal brieven dat de Belastingdienst verstuurt de komende jaren te verminderen. Uiteraard krijgen alle mensen die voor 1 april hun aangifte hebben ingediend voor 1 juli bericht van de fiscus. De mensen met de versnelde definitieve aanslag krijgen de uitbetaling kort nadat de blauwe envelop op de mat ligt. Overigens heeft de proef geen gevolgen voor mensen die alsnog een wijziging willen doorgeven zoals een vergeten aftrekpost of een later verminderde WOZ-beschikking. Zij kunnen dat op de gebruikelijke manier doen en daar alsnog voor in aanmerking komen.

Extra maatregelen rond controlethema loon

Daarnaast neemt de Belastingdienst dit jaar extra maatregelen rond het controlethema loon. De fiscus koos voor dit thema omdat op basis van steekproeven bleek dat niet altijd de inkomsten van alle bijbaantjes werden opgegeven door mensen. De afgelopen jaren werd hierop al voor enkele honderden miljoenen euro’s gecorrigeerd. Vanaf volgend jaar kan de fiscus deze correcties volautomatische correcties uitvoeren met behulp van onder andere de gegevens van werkgevers en uitkeringsinstanties uit de loonaangifteketen. De verwachting is dat de correctieopbrengst dan nog verder zal toenemen.
[ Bron:        Ministerie van Financiën ]

De 6 belangrijkste subsidies voor het mkb

Ondernemers wegen kansen die ze in de markt zien, af tegen de kosten en baten. De overheid kan hierbij helpen, als het gaat om thema’s die in aanmerking komen voor subsidie, zoals energie, milieu, innovatie, internationaal ondernemen, veiligheid en mobiliteit. Voor deze 6 subsidiemogelijkheden moet u oog hebben.

1. Subsidieprogramma Mobiliteitsvouchers

Wilt u onderzoeken of het vervoer van uw werknemers beter en effectiever kan worden geregeld en wilt u naar aanleiding daarvan mobiliteitsmaatregelen invoeren? Dan kunt u daar subsidie voor krijgen. Voor het uitvoeren van een scan is dat € 1.500,- en voor het implementatietraject € 4.500,-. U moet minimaal 25 medewerkers in loondienst hebben en u moet het bedrag besteden aan een onafhankelijke deskundige op het gebied van mobiliteit. De regeling stopt op 20 december 2012, of eerder, als het budget van € 8 miljoen op is.

2. Aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (WBSO / RDA / Innovatiebox)

Via de WBSO kunt u korting krijgen op de loonkosten van medewerkers die speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verrichten. Ook als u zelfstandige bent en zelf dat speurwerk verricht, kunt u extra aftrek krijgen op uw inkomstenbelasting. In 2012 bedraag de korting € 12,18 of € 17,40 per S&O-uur, of € 12.310,- extra zelfstandigenaftrek als u minimaal 500 uur per kalenderjaar besteedt aan S&O. Als u maar enigszins denkt dat u iets nieuws aan het ontwikkelen bent (producten, processen of programmatuur), zou de WBSO op u van toepassing kunnen zijn. Als u deze subsidie krijgt, kunt u mogelijk via de RDA *(Research en Development Aftrek) extra fiscaal voordeel krijgen, als u kosten maakt die gekoppeld zijn aan de WBSO-projecten. Van deze kosten kunt u dan mogelijk 40% in mindering brengen op de fiscaal te belasten winst (Vennootschapsbelasting en Inkomstenbelasting). Eerst dus kijken of u recht heeft op WBSO-subsidie. Nadat u WBSO (en mogelijk RDA) subsidie heeft ontvangen én uw innovatieproject gaat winst opleveren, dan zou u in aanmerking kunnen komen voor de innovatiebox. Via de vennootschapsbelasting kunt u dan de winst die behaald wordt met de WBSO-projecten in aanmerking laten komen voor 5% winstbelasting, in plaats van het reguliere tarief van bijvoorbeeld 25%.

3. Veiligheid kleine bedrijven (VKB)

U kunt als ondernemer subsidie krijgen (VKB) voor het laten uitvoeren van een veiligheidsscan (100% van de projectkosten en maximaal 300 euro) en voor het nemen van veiligheidsmaatregelen (maximaal 50% van de projectkosten en maximaal 700 euro). Alleen veiligheidsmaatregelen die worden genoemd in een veiligheidsscan komen voor subsidie in aanmerking. De veiligheidsscan moet worden uitgevoerd door een professionele veiligheidsadviseur die aan bepaalde eisen voldoet. U mag niet meer dan 5 filialen hebben, met maximaal 10 fte’s per filiaal.

 4. Milieu- en Energie Investeringsaftrek (MIA en EIA)

U kunt als ondernemer subsidie krijgen als u investeert in energiebesparende of milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Een deel van de investeringskosten is aftrekbaar van de fiscale winst. De bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen zijn te vinden op de Energie- of Milieulijst. Om in aanmerking te komen voor de EIA en MIA moet u de investeringen binnen 3 maanden melden via een aanvraag bij de Belastingdienst. U kunt denken aan investeringen op het gebied van bedrijfsgebouwen (bestaande bouw, nieuwbouw en renovatie), bodemsanering; processen, recycling;  transportmiddelen, vervuilende stoffen, waterbesparing, minder grondstofgebruik, etc.

5. Innovatiefonds MKB+

U kunt subsidie krijgen in de vorm van een rentedragende lening voor ontwikkelingsprojecten met een groot technisch of klinisch risico. Het krediet is mogelijk voor ontwikkelingsprojecten gedefinieerd als experimenteel onderzoek gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten. U kunt maximaal € 5 miljoen krediet ontvangen als het maximum van 35% van de projectkosten. De rente ligt tussen 6,4% en 12,4% afhankelijk van de technische en financiële risico’s van het project. 

6. Internationaliseringsvouchers

Vanaf 1 april, tot het budget op is, kunt u een voucher aanvragen als u internationaal wil ondernemen. Een voucher is maximaal € 2.400,- waard. U kunt vervolgens de voucher indienen bij een Kamer van Koophandel, Syntens of een ondernemersorganisatie. Zij begeleiden u vervolgens bij het betreden van een buitenlandse markt. Er zijn 500 vouchers te vergeven.

(Bron: De Zaak)