Pas bij grote verbouwing van compleet gebouw kan nieuw gebouw ontstaan en is BTW verschuldigd

Bij de toets of een grote verbouwing van een pand leidt tot het ontstaan van een nieuwe onroerende zaak voor de btw moet de belanghebbende naar het totale pand kijken. Volgens Hof Amsterdam mag men dus niet alleen kijken naar een deel van het pand dat ondanks een aparte functie een integrerend deel van het pand is.

Deze toets kan ook van belang zijn voor de overdrachtsbelasting. In de zaak voor Hof Amsterdam had een beheermaatschappij een appartementsrecht van een winkel verkregen. Volgens de Belastingdienst was deze verkrijging belast met 6% overdrachtsbelasting. Maar de bv wees erop dat kort vóór haar verkrijging de winkelruimte een grote verbouwing had ondergaan. Daardoor zou een nieuwe onroerende zaak tot stand zijn gekomen. De verkrijging van een nieuwe onroerende zaak is belast met btw. In dat geval geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting om cumulatie van btw en overdrachtsbelasting te voorkomen. Het hof oordeelde dat het niet ging om het verschil tussen de winkelruimte vóór en na de verbouwing, maar om de toestand van het gebouw in zijn geheel. De winkelruimte was namelijk een integrerend onderdeel van het gebouw. Het hof constateerde dat de verbouwing voor het pand in zijn geheel onvoldoende veranderingen had veroorzaakt om te stellen dat sprake was van een nieuwe onroerende zaak. De beheermaatschappij moest dus gewoon overdrachtsbelasting betalen.
(Bron: Taxence)

Oude CO2-grenzen bij aanschaf auto vóór 1 juli

Per 1 juli 2012 gelden scherpere CO2-grenzen voor de bijtelling wegens het privégebruik van de auto van de zaak. Dat betekent dat auto’s zuiniger moeten zijn om nog onder de bijtelling van 14% of 20% te vallen. Wie vóór 1 juli een auto van de zaak aanschaft, kan nog wel profiteren van de oude grenzen.

De overheid verlaagt de CO2-grenzen voor de bijtelling stapsgewijs. De eerste verlaging vindt plaats op 1 juli aanstaande. Vanaf die datum geldt voor een benzineauto de 14%-bijtelling pas bij een uitstoot van minder dan 103 gram per kilometer. Nu ligt het maximum nog op 111 gram per kilometer. Voor een dieselauto moet de uitstoot vanaf 1 juli minder dan 92 gram per kilometer zijn om onder het 14%-tarief te vallen. Nu is dat nog 96 gram per kilometer.

Verlaging voor dieselauto’s minder ingrijpend

Voor het bijtellingstarief van 20% gelden vanaf 1 juli de volgende grenzen: benzineauto’s mogen een uitstoot van maximaal 132 gram per kilometer hebben. Dieselauto’s vallen onder het 20%-tarief bij een uitstoot van maximaal 114 gram per kilometer. Op dit moment ligt voor benzineauto’s de 20%-grens op 140 gram per kilometer en voor dieselauto’s op 116 gram per kilometer. Is de uitstoot hoger dan de genoemde maxima, dan geldt het normale bijtellingstarief van 25%. De verlaging van de uitstootgrenzen is voor dieselauto’s minder ingrijpend, omdat in 2015 voor diesel- en benzineauto’s dezelfde uitstootgrenzen moeten gelden. Aangezien voor dieselauto’s al lagere uitstootgrenzen van toepassing waren, blijft de daling beperkt.

Leaseauto aanschaffen vóór 1 juli 2012

Het is voor werknemers die binnenkort aan een nieuwe auto van de zaak toe zijn, verstandig om op te letten wanneer de auto geleverd wordt. Als een nieuwe leaseauto vóór 1 juli 2012 geleverd wordt, blijven namelijk gedurende het hele leasecontract de oude CO2-grenzen gelden. De betreffende werknemer betaalt sneller een lage bijtelling. Levert de dealer pas na 1 juli 2012, dan gelden de nieuwe grenzen. Athlon Car Lease laat zelfs de oude bijtellingsgrenzen gelden voor leaseauto’s die vóór 15 april worden besteld en vóór 1 juli op kenteken worden gezet. Ook leaserijders van wie het leasecontract pas in het najaar afloopt, kunnen hiervan gebruikmaken. Zij moeten de auto dan uiterlijk 15 november in gebruik nemen.

(Bron: SalarisRendement)

Willekeurige afschrijving: eens gekozen, blijft gekozen

Als een ondernemer in een jaar heeft gekozen om de faciliteit van willekeurige afschrijving toe te passen, kan hij de afschrijving niet in een later jaar terugnemen.

De faciliteit van de willekeurige afschrijving maakt het mogelijk om ofwel vervroegd, ofwel vertraagd af te schrijven op bepaalde bedrijfsmiddelen. Vervroegd of vertraagd afschrijven betekent dat de mogelijkheid bestaat om in een bepaald jaar een hogere of lagere afschrijving in aanmerking te nemen dan mogelijk is op grond van de regels van goed koopmansgebruik en overige bepalingen over ‘normale’ afschrijving. Het woord ‘willekeurig’ in artikel 3.34 Wet IB 2001 kon volgens de rechter niet algebraïsch worden uitgelegd in die zin dat een eenmaal in aanmerking genomen afschrijving later ongedaan kan worden gemaakt. De ondernemer in deze zaak wilde op het bedrijfsmiddel in een later jaar negatief afschrijven en dus opwaarderen. Deze mening van de ondernemer werd niet ondersteund in de wettekst of de wetsgeschiedenis.

(Bron: Taxence)

Pas op voor belastingheffing bij overwaarde verkochte woning

In het nieuwe box 3-besluit wordt onder andere ingegaan op de situatie waarbij in het ene jaar de oude woning wordt verkocht en pas in het volgende jaar een nieuwe eigen woning wordt gekocht. Mogelijk komt de vermogensrendementsheffing om de hoek kijken.
Op 29 februari 2012 is het besluit inkomen uit sparen en beleggen gepubliceerd. In het nieuwe besluit is onder meer de overgang van de oude eigen woning via box 3 naar de nieuwe eigen woning behandeld. ­ Een belastingplichtige die zijn eigen woning verkoopt, daarbij een overwaarde realiseert, en vervolgens pas na de jaarwisseling een nieuwe eigen woning koopt, is over de gerealiseerde overwaarde vermogensrendementsheffing verschuldigd. Op 1 januari – de peildatum – verhoogt de gerealiseerde overwaarde immers het box 3-vermogen. Dat bij aankoop van de nieuwe woning deze overwaarde als eigenwoningreserve in mindering komt op de box 1-schuld, doet hieraan niets af.

Voorbeeld

X verkoopt zijn woning in mei 2011 en draagt direct de eigendom over aan de koper. Met de verkoop realiseert X een overwaarde van € 50.000. X boekt dit bedrag naar zijn spaarrekening. Vervolgens gaat X vanaf mei 2011 huren.

In februari 2012 besluit X een nieuwe eigen woning te kopen. De in 2011 gerealiseerde overwaarde haalt hij van zijn spaarrekening af voor de financiering van de nieuwe woning.

Op grond van de wet telt de waarde van de spaarrekening per 1 januari 2012 gewoon mee als bezitting voor de grondslag van box 3. X is dan ook vermogensrendementsheffing verschuldigd over de waarde van de spaarrekening. De rendementsgrondslag wordt aan de hand van één peildatum (1 januari) vastgesteld. Het maakt dan ook niet uit of slechts een gedeelte van het jaar een box 3-vermogensbestanddeel aanwezig is.

Versoepeling vervalt

In dit besluit wordt weer eens het robuuste karakter van de box 3-heffing duidelijk gemaakt. Door uit te gaan van één peildatum en van een vast rendement van 4% wordt niet het werkelijke rendement van box 3-vermogen in de heffing betrokken, maar een wettelijk vastgesteld, fictief rendement. Dit is ook van belang voor die situaties waarbij een eigen woning leeg staat en in de verkoop staat of tijdelijk wordt verhuurd. In het eerste geval mag gebruik worden gemaakt van de zogeheten verhuisregeling. De verhuisregeling houdt in dat een woning die leeg in de verkoop staat gedurende het lopende jaar plus twee kalenderjaren nog als eigen woning mag worden aangemerkt. Deze verhuisperiode is voor de jaren 2011 en 2012 tijdelijk verruimd met een jaar. Voor woningen die in 2009 zijn verlaten en in de verkoop zijn gezet, betekent dit dat de verhuisregeling op 31 december 2012 ophoudt. Op 1 januari 2013 zit de nog steeds in de verkoop staande woning dus in box 3 en verhoogt daar direct de rendementsgrondslag. Ook de bijleenregeling is op dat moment van toepassing. ­ Wordt een in de verkoop staande woning tijdelijk verhuurd, dan kan in 2012 nog gebruik worden gemaakt van een versoepeling in de wet. Op het moment van verhuur verhuist de woning tezamen met de daarop rustende eigenwoningschuld van box 1 naar box 3. Wordt op 1 januari van enig jaar de woning nog steeds verhuurd, dan verhoogt de waarde van de verhuurde woning verminderd met de daarop rustende schuld de rendementsgrondslag. De bijleenregeling hoeft op grond van de versoepeling op dat moment echter nog niet te worden toegepast. De bijleenregeling is pas aan de orde als de woning wordt verkocht of als sinds het moment van verlaten van de woning de hiervoor uiteengezette verhuisperiode is verstreken. ­ Deze versoepeling vervalt met ingang van 1 januari 2013. Een verhuurde woning behoort dan definitief tot het box 3-vermogen. Daarnaast wordt op dat moment de bijleenregeling toegepast. De eigenwoningreserve, zijnde het verschil tussen de op de woning rustende eigenwoningschuld en de waarde in het economische verkeer van de woning, komt in mindering op een eventuele nieuwe eigenwoningschuld. Ontstaat hierdoor een gedeeltelijke box 3-lening – de eigenwoningreserve wordt immers wel fiscaal gerealiseerd, maar niet in werkelijkheid – dan behoort ook deze box 3-lening op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag.
(Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden)

Bijdrage van € 1 was niet genoeg voor belastingvrije uitkering

De zogenoemde fondsenvrijstellingen is een van de weinig overgebleven échte vrijstellingen in de loonbelasting. Er moet wel voldaan zijn aan strikte voorwaarden. Het storten van €1 inde personeelsvoorziening bleek onvoldoende in een zaak die Hof Amsterdam behandelde.

De fondsenvrijstelling is bestemd voor sociale ondersteuningsfondsen die de werkgever in het leven heeft geroepen om in bepaalde situaties zijn werknemers te ondersteunen. Bijvoorbeeld voor de ondersteuning van een werknemer met financiële moeilijkheden, maar ook voor een werknemer met studerende kinderen. Uitkeringen en verstrekkingen uit een personeelsfonds blijven alleen onder voorwaarden belastingvrij.

 

Voorwaarden fondsvrijstelling

De vereisten om de uitkeringen en verstrekkingen uit het fonds niet tot het loon te hoeven rekenen zijn als volgt.

  • het betreft geen uitkeringen en verstrekkingen die verband houden met ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie of overlijden; en
  • de bij het personeelsfonds betrokken werknemers hebben de afgelopen vijf kalenderjaren ten minste evenveel als de werkgever aan de middelen van het personeelsfonds bijgedragen; en
  • de uitkeringen en verstrekkingen berusten niet op een vrijgestelde aanspraak.

Overigens gelden de regels voor uitkeringen uit fondsen ook als de werkgever gebruikmaakt van de werkkostenregeling.

Bijdrage werkgever/werknemer

Heeft de werkgever tijdens de laatste vijf kalenderjaren meer bijgedragen dan de werknemers, dan geldt de vrijstelling niet. De Hoge Raad besliste eerder ook al eens (HR 14 juli 2000, LJN: AA6522) dat de vrijstelling ook niet geldt als zowel werknemers als werkgevers de afgelopen vijf jaren niets hebben bijgedragen.

Hofuitspraak

Hof Amsterdam behandelde een zaak waarin twee werkgevers een lange tijd samen geld stortten in een stichting. De stortingen waren bedoeld om aan (nabestaanden van) (voormalige) werknemers uitkeringen te kunnen doen als deze in financiële moeilijkheden zouden komen. In 1996 zat er ongeveer € 1 miljoen in het personeelsfonds en stopten de werkgevers met de bijdragen. In 2008 besloten de bestuurders het fonds helemaal op te heffen en de gerechtigde allemaal € 675 netto uit te keren. Om het geheel belastingvrij te kunnen laten verlopen, zou iedere (ex-)werknemer in dat jaar €1 inhet fonds moeten storten. De inspecteur was het echter niet eens met deze gang van zaken en legde een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op van ruim € 300.000.

€ 1 is gelijk aan nihil

Het hof liet deze naheffingsaanslag in stand. Volgens de rechter was het storten van € 1 per persoon zo’n kleine bijdrage, dat het geen enkele wezenlijke betekenis vormde voor de fondsvorming en ook voor de (ex-)werknemer geen betekenis kon hebben gehad. De situatie was daarmee dezelfde als dat er in de afgelopen vijf jaren niets zou zijn bijgedragen. En dat betekende dat de fondsenvrijstelling niet van toepassing was.

(Bron: Taxence)

Twee onvolkomendheden in het aangiftepakket Belastingdienst

Voor mijn klanten gebruik ik altijd een speciaal aangiftepakket van een commerciële leverancier en dat werkt perfect. Daar kan ik zogezegd mee lezen en schrijven.
De vooraf ingevulde aangifte is nog niet altijd volledig correct ingevuld. Voor wat betreft een reguliere aangifte heb ik geen noemenswaardige problemen ondervonden met de vooraf ingevulde gegevens. Het gaat hier om een oudere man en vrouw, fiscaal partner van elkaar want samenwonend met notarieel samenlevingscontract. Beiden zijn de leeftijd van 70 jaar inmiddels gepasseerd. De pensioenuitkeringen van verschillende instanties evenals de AOW vanuit de Sociale verzekeringsbank, stonden netjes ingevuld in de aangifte. Datzelfde geldt voor de WOZ-gegevens van het huis en de voorlopige aanslag over 2011. De hypotheekgegevens en box 3 moest ik zelf nog invullen. ­ Toch constateer ik twee belangrijke onvolkomendheden in het aangiftepakket . Zo is het niet mogelijk om het loon voor de Zvw in te vullen. Zijn er in een jaar verschillende uitkeringsinstanties of werkgevers dan kan het gebeuren dat er teveel bijdrage Zvw is ingehouden en dat een teruggaaf nog volgt. Om een of andere reden is dit loon echter niet aan te geven en komt het verder ook nergens meer terug in het aangiftepakket van de Belastingdienst.
Aan de verdeling van aftrekposten is nog wat te verbeteren. Fiscale partners kunnen hier bepaalde inkomsten en aftrekposten naar gelieve verdelen, om zo te voorkomen dat teveel belasting wordt betaald. Maar dan moet je toch behoorlijk op de hoogte zijn van allerlei fiscale spelregels en dat zijn de meeste belastingplichtigen niet. ­ Zo hebben ouderen mogelijk recht op een ouderentoeslag in box 3. Dit is afhankelijk van het inkomen uit werk en woning in box 1 en daar zitten nu juist aftrekposten (zoals de hypotheekrente) die verdeeld kunnen worden. Als belastingplichtigen niet helemaal gunstig verdelen, dan lopen ouderen hier mogelijk deze ouderentoeslag mis. In het meest ongunstige geval betekent dit een netto bedrag van € 330. Het zou beter zijn als het pakket zelf uitrekent wat de meest gunstige verdeling is en geef mensen vervolgens de keuze of zij met deze verdeling akkoord gaan of dat zij liever zelf een verdeling maken.
(Bron: Fiscaal voor u bewerkt)

Bedrijven kunnen bij fraude met arbeidswetten worden stilgelegd

Frauderende uitkeringsontvangers kunnen vanaf 1 januari 2013 een tien keer hogere boete krijgen dan nu het geval is. Bedrijven die de arbeidswetten overtreden, kunnen worden stilgelegd. Dit staat in het wetsvoorstel ‘Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’ van minister Kamp en staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat vandaag aan de Tweede Kamer is gestuurd.
De maatregelen moeten de gestaag groeiende groep hardnekkige fraudeurs, die voor steeds grotere bedragen fraudeert, afschrikken. Met deze wet worden zowel de malafide bedrijven, de ‘grote vissen’, als frauderende uitkeringsgerechtigden, de ‘kleine vissen’, aangepakt.

Bedrijven

Een bedrijf dat fraudeert, betaalt de eerste keer een boete, de tweede keer een dubbele, en de derde keer een drievoudige boete. Bij een bedrijf dat herhaaldelijk fraudeert kunnen de werkzaamheden maximaal drie maanden worden stilgelegd. Daarnaast gaat het boetebedrag omhoog. Werkgevers betalen bijvoorbeeld 12.000 euro per illegale werknemer als zij voor de eerste keer de regels overtreden en 18.000 euro als er onveilig wordt gewerkt op een steiger. Nu is de boete voor het laten werken van illegale werknemers 8.000 euro per werknemer en voor onveilig werken op een steiger 9.000 euro.

Uitkeringsontvangers

Uitkeringsontvangers die frauderen moeten vanaf 1 januari 2013 altijd de ten onrechte verkregen uitkering terugbetalen en krijgen daarnaast datzelfde bedrag aan boete. Als iemand voor duizend euro fraudeert, krijgt diegene een boete van duizend euro. Bij een herhaling is de boete 150 procent van het bedrag dat ten onrechte is uitgekeerd, dus in dit voorbeeld 1.500 euro. Deze tweede boete wordt gekort op de uitkering of op een andere manier geïnd. Dit is een aanscherping van de huidige situatie waarbij uitkeringsontvangers de eerste keer tien procent van de onterecht verkregen uitkering aan boete krijgen en de tweede keer vijftien procent, in dit voorbeeld dus 150 euro. Gemeenten worden verplicht de sancties uit te voeren.

2010

In 2010 is voor 119 miljoen euro gefraudeerd. Er werden ongeveer 4.000 boetes opgelegd aan bedrijven voor in totaal ruim 40 miljoen euro.

[ Bron:        Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ]

Regels bij herinvesteringsreserve afschrijving op nieuw bedrijfsmiddel

De ondernemer kan met de herinvesteringsreserve (hir) onder voorwaarden boekwinsten reserveren die zijn behaald bij de verkoop van bedrijfsmiddelen en deze vervolgens afboeken op de kostprijs van een herinvestering. Hierdoor wordt de winstneming dus uitgesteld. Op het moment dat de ondernemer in een nieuw bedrijfsmiddel herinvesteert, moet hij de afschrijving hiervan bepalen. De berekeningsmethode moet echter wel in overeenstemming zijn met de wet.

HIR

Om te voorkomen dat de bedrijfsvoering door belastingheffing bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen wordt gehinderd is het mogelijk gebruik te maken van de hir. De ondernemer komt alleen hiervoor in aanmerking als hij een vervangingsvoornemen heeft die binnen de driejaarstermijn in vervulling gaat en in een bedrijfsmiddel investeert die eenzelfde economische functie heeft. Voldoet hij niet aan de voorwaarden dan wordt de hir tot de winst gerekend.

Afschrijven

Als de ondernemer in een bedrijfsmiddel investeert mag hij de kosten niet ineens ten laste van de winst brengen. Hij moet de aanschaffings- of voortbrengingskosten eerst activeren. Deze geactiveerde kostprijs wordt door middel van afschrijvingen  op de bedrijfsmiddel ten laste van het resultaat gebracht. De kosten worden op deze manier verdeeld over de jaren waarop zij betrekking hebben. De gedachte hierachter is dat elk gebruiksjaar zijn eigen kosten draagt. De hoogte van de jaarlijkse afschrijving is afhankelijk van de kostprijs, de restwaarde en de gebruiks- of levensduur van het bedrijfsmiddel. Het verschil tussen de kostprijs en de restwaarde levert het totaal af te schrijven bedrag. Dit bedrag wordt vervolgens verdeeld over het aantal jaren dat het bedrijfsmiddel vermoedelijk in de onderneming wordt gebruikt (gebruiksduur).

 

Wijziging afschrijvingsregime

Het afschrijvingsregime is in 2007 fors ingeperkt. Ondernemers moeten sinds die datum uitgaan van een maximaal afschrijvingspercentage van 10 % per jaar voor goodwill en 20% per jaar voor overige bedrijfsmiddelen. Voor gebouwen geldt dat afschrijving alleen mogelijk is tot de  zogenoemde bodemwaarde. Voor een gebouw in eigen gebruik geldt als bodemwaarde 50% van de WOZ-waarde. Voor een gebouw ter belegging geldt als bodemwaarde 100% van de WOZ-waarde. Deze specifieke bepaling is niet van toepassing op alle onroerende zaken, maar alleen op gebouwen. Onder ‘gebouw’ wordt verstaan alle onderdelen van een gebouw met inbegrip van de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden. Hieronder valt niet alleen het bouwwerk, maar bijvoorbeeld ook de grond, de tuin, de erfverharding, de parkeerplaatsen en de verlichting.

(Bron: Taxence)

 

Restwaarde

De waarde die het bedrijfsmiddel heeft aan het eind van de gebruiksduur in de onderneming is de restwaarde van een bedrijfsmiddel. De ondernemer moet de restwaarde ‘naar goed koopmansgebruik’ schatten. Mocht sprake zijn van een aanmerkelijke verandering (50% of meer) van de restwaarde, die redelijkerwijs als blijvend is aan te merken, dan moet de ondernemer in beginsel de jaarlijkse afschrijving herzien.

 

Berekeningswijze

De afschrijvingen op een nieuw bedrijfsmiddel vinden plaats op basis van de boekwaarde na afboeking van de hir. De hir is van invloed op de afschrijvingsgrondslag en dus ook op de jaarlijkse afschrijving. Volgens de Hoge Raad moet de afschrijving op de volgende manier plaatsvinden. Voordat de afschrijving van een bedrijfsmiddel wordt bepaald moet de ondernemer eerst de aanschaffings- en voorbrengingskosten vaststellen. Hij moet om te beginnen de hir in mindering brengen op het bedrag van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel. Vervolgens moet de restwaarde van het bedrijfsmiddel worden geschat. Ook dat brengt hij in mindering op de aanschaffingskosten. Het bedrag dat dan overblijft is de afschrijvingsbasis. Hiermee bevestigd de Hoge Raad een eerdere uitspraak van het hof dat de afschrijvingsgrondslag niet kan worden verhoogd door een deel van de hir op een deel van de restwaarde af te boeken.

Investeren in opleiding levert belastingvoordeel op

De werkgever kan voor bepaalde werknemers de afdrachtvermindering onderwijs toepassen. Hij betaalt dan voor die werknemer minder loonheffing dan dat hij heeft aangegeven.

De afdrachtvermindering onderwijs telt in totaal acht categorieën en die hebben allemaal een eigen set aan voorwaarden. Of de werkgever daadwerkelijk in aanmerking komt voor deze afdrachtvermindering hangt af van de categorie waarin de werknemer valt.

Vanaf 1 januari 2012 is het een en ander gewijzigd in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Bij de afdrachtvermindering onderwijs leidde dit tot een uitbreiding. Werkgevers mogen sinds die datum de afdrachtvermindering onderwijs ook toepassen voor werknemers die in een ander EU- of EER-land een opleiding volgen. In dit artikel leest u onder meer welke voorwaarden dan gelden.

Categorieën

De afdrachtvermindering onderwijs heeft acht categorieën afdrachtverminderingen die te maken hebben met onderwijs. Elke categorie heeft in beginsel eigen voorwaarden. Deze voorwaarden hebben betrekking op het soort overeenkomst, de administratieve verplichtingen, de hoogte en duur van de afdrachtvermindering en het toetsloon. De volgende categorieën vallen binnen de afdrachtvermindering onderwijs:

  1. beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg tot maximaal € 2753;
  2. assistent in opleiding of onderzoeker bij een universiteit tot maximaal € 2781;
  3. promotieonderzoek bij TNO of een ander privaatrechtelijk rechtspersoon tot maximaal € 2781;
  4. initiële opleiding in het hoger beroepsonderwijs tot maximaal € 2753;
  5. scholing tot startkwalificatieniveau tot maximaal € 3337;
  6. leer-werktraject van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs tot maximaal € 2738;
  7. stage in het kader van de beroepsopleidende leerweg in het derde of vierde jaar van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs tot maximaal € 1322;
  8. procedure Erkenning verworven competentie (EVC) tot maximaal € 334.

Overeenkomst

Het werk of de stage moet plaatsvinden op grond van een overeenkomst waarbij minimaal drie partijen zijn betrokken. Vaak zijn dat de werkgever, degene die het werk gaat verrichten of stage gaat lopen en de onderwijsinstelling of een ander rechtspersoon. De overeenkomst bevat in elk geval de gegevens van de werknemer, stagiaire of leerling, maar ook het soort opleiding, de aard en omvang van de begeleiding, de leerdoelen en de wijze van beoordeling. Wordt de werknemer aangesteld als assistent of (promotie)onderzoeker, dan gaan de bepalingen met name over openbaarheid van de gegevens en de financiering van de loonkosten.

Administratieve verplichtingen

De werkgever is verplicht een kopie van de overeenkomst in zijn loonadministratie te bewaren. Beschikt de werkgever nog niet over een afschrift van de leer-werkovereenkomst maar wel over een verklaring van het Regionaal Opleidingscentrum, dan is de afdrachtvermindering toch van toepassing. Uit deze verklaring moet blijken dat de werknemer de beroepsbegeleidende leerweg volgt. Voor werknemers die een initiële opleiding in het hoger beroepsonderwijs volgen bewaart de werkgever ook een overzicht dat hij aan het einde van het kalenderjaar van de hogeschool krijgt. Hieruit is af te leiden of er weer recht bestaat op afdrachtvermindering.

Maximale toepassing

De werkgever kan de afdrachtvermindering onderwijs voor werknemers uit categorieën 1 en 5 en leerlingen uit categorie 6 blijven toepassen zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor werknemers uit categorieën 2 en 3 duurt dit een maximaal 48 maanden per werknemer en voor werknemers uit categorie 4 maximaal 24 maanden.

Toetsloon

Het loon van de werknemer in sommige gevallen niet hoger mag zijn dan een grensbedrag, het zogenoemde toetsloon (ongeveer 130% van het minimumloon). Het toetsloon is van belang voor werknemers uit de categorieën 1 en 4 die op het inhoudingstijdstip jonger zijn dan 25 jaar. De werkgever moet het loon ook toetsen voor werknemers uit categorie 5 van wie het loon in een loontijdvak lager is dan het toetsloon dat in dat tijdvak voor hen geldt.

EVC-procedure

De werknemer kan met een EVC-procedure laten vaststellen welke competenties hij door werkervaring al beheerst en welke aanvullende opleidingen hij nog nodig heeft. Wordt een EVC-procedure succesvol gevolgd, dan krijgt de werknemer een ervaringscertificaat van een EVC-aanbieder. Een EVC-aanbieder moet als zodanig zijn erkend door de Stichting Examenkamer. Vergoedt de werkgever de kosten van deze procedure, dan kan hij onder voorwaarden de afdrachtvermindering toepassen. In plaats van een overeenkomst bewaart de werkgever deze verklaring van de erkenning bij zijn loonadministratie.

Let op!

Zowel de werknemer als de werkgever kan een ervaringscertificaat aanvragen bij een van de honderd erkende EVC-aanbieders in Nederland. Raadpleeg voor meer informatie hierover het stappenplan op www.kenniscentrumevc.nl.

Opleiding in EU- en EER-landen

Vanaf 1 januari 2012 mag de werkgever de afdrachtvermindering onderwijs ook toepassen voor werknemers of stagiairs die een opleiding volgen in andere EU- of EER-landen. Het gaat echter alleen om de opleidingen die worden genoemd bij de categorieën 1, 4 en 5. Van belang is dat de buitenlandse opleiding wat betreft niveau en kwaliteit vergelijkbaar is met de eerdergenoemde Nederlandse opleidingen. Om dit te kunnen bewijzen heeft de werkgever een verklaring van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) nodig. Na ontvangst van de verklaring heeft de werkgever recht op de afdrachtvermindering vanaf de datum waarop de DUO de aanvraag in behandeling heeft genomen.

Advies

Door de uitbreiding van de afdrachtvermindering onderwijs per 1 januari 2012 gelden voor bepaalde categorieën werknemers, leerlingen of stagiairs nu aanvullende voorwaarden. Bijvoorbeeld het aanvragen van een verklaring bij de DUO voor het volgen van een opleiding in een andere EU- of EER-land. Voor deze aanvraag heeft de werkgever verschillende documenten nodig. Het is echter nog niet bekend welke dat zijn. In de tussentijd is het verstandig de site van de Belastingdienst in de gaten te houden.

(Bron: Salarisnet)

Verzendkosten en BTW: Hoe zit dat?

Wanneer u goederen verzendt is het gebruikelijk een bedrag aan verzendkosten op de factuur te vermelden. Regelmatig onstaan er misverstanden over het feit of er nu omzetbelasting (btw) over die verzendkosten gerekend moet worden. 

 

BTW en postzegels Wanneer u postzegels of pakketzegels koopt, betaalt u geen btw op deze producten. U kunt hier dus ook geen omzetbelasting voor aftrekken op uw aangifte omzetbelasting. De reden hiervoor is dat in de wet postverkeer en in de wet omzetbelasting de organisatie TPG voor wat betreft post- en pakketzegels is vrijgesteld van btw-verplichtingen. Wellicht denkt u nu dat u als ondernemer uw verzendkosten dan ook zonder btw mag factureren aan uw klanten. Dit is echter niet het geval.
Omzetbelasting(btw) en verzendkosten De wet op de omzetbelasting stelt dat: “Portokosten die bij de levering van goederen in rekening worden gebracht, behoren tot de vergoeding waarover belasting is verschuldigd. Hierbij is hetzelfde BTW-tarief van toepassing als dat van die goederen.” U dient dus omzetbelasting te berekenen over het totaalbedrag van uw goederen inclusief verzendkosten.

Wat nu als u dat niet doet? Wanneer u geen btw afdraagt over de verzendkosten die u aan klanten factureert, komt u in de problemen bij een belastingcontrole. Wanneer sprake is van veel verzendingen, kan dit aardig in de papieren lopen. Bovendien loopt u het risico op een boete, daar u als ondernemer verplicht bent kennis te nemen van de wet- en regelgeving die op u van toepassing is.  

Uitzondering voor boekhandels Een bijzondere positie is weggelegd voor de boekhandels. Deze berekenen ook geen btw wanneer zij post-en pakketzegels verkopen. Dit is het gevolg van een speciale constructie; de boekhandel is een agentschap van TPG post. De postzegels worden op papier nooit ingekocht door de boekhandel en daardoor rechtstreeks uit naam van TPG Post. ngt hierbij af van onder welk omzetbelastingtarief uw goederen vallen. Vaak zal dit 19% zijn.