Belangrijkste wijzigingen in de jaarverslaggeving kleine rechtspersonen

Kleine Rechtspersonen:

A. Verwerking RJ-Uiting in deze bundel

RJ-Uiting 2012-4: ‘Flexibilisering BV-recht’
Per 1 oktober 2012 zal de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht in werking
treden. In verband met deze flex-BV wetgeving is RJ Uiting 2012-4 gepubliceerd. De in deze
Uiting opgenomen inhoudelijke en tekstuele wijzigingen als gevolg van deze flex-BV
wetgeving, zijn doorgevoerd in deze bundel. Als gevolg hiervan zijn wijzigingen aange-
bracht in de alinea’s A1.311, A7.101, B3.116, B8.105, B8.113 en B8.115. Tevens is de nieuwe
alinea B8.113a toegevoegd.
B. Overige wijzigingen

A4 Gebeurtenissen na balansdatum
In alinea A4.106 is de tekst aangepast teneinde de praktijk steun en richting te geven in
situaties van ernstige onzekerheid en discontinuïteit in geval van gebeurtenissen na
balansdatum. Deze tekst is in lijn gebracht met de RJ-bundel.

B3 Financiële vaste activa en consolidatie
In alinea B3.122 is de waardering van langlopende vorderingen in lijn gebracht met de
waardering van Verplichtingen/Schulden zoals verwoord onder B9 Verplichtingen/Schul-
den en B16 Rente. Tevens is alinea B3.123 aangepast.

B5 Vorderingen en overlopende activa
In alinea B5.103 is de waardering van langlopende vorderingen in lijn gebracht met de
waardering van Verplichtingen/Schulden zoals verwoord onder B9 Verplichtingen/Schul-
den en B16 Rente.

B13 Winst-en-verliesrekening
In ontwerp-alinea B13.110 is verduidelijkt dat bedragen die de rechtspersoon voor derden
ontvangt geen weergave zijn van hetgeen de rechtspersoon voor eigen rekening en risico
presteert. Bedragen die voor rekening van derden worden ontvangen en worden doorbe-
taald (waar onder bepaalde, over de omzet geheven belastingen) vormen daarom geen
opbrengsten. Als gevolg van deze nieuwe ontwerp-Richtlijn zijn bepalingen voor specifieke belas-
tingen, zoals voor BPM, op zichzelf niet langer noodzakelijk. Omdat met de nieuwe
ontwerp-Richtlijnen geen wijziging wordt beoogd in de presentatie van BPM en omdat
de BPM-regeling naar verwachting op een termijn van enkele jaren komt te vervallen, is de
in alinea B13.110 opgenomen aanbeveling voor de presentatie van de BPM niet gewijzigd.

Commentaar
De Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) nodigt uit tot het inzenden van reacties en com-
mentaren op deze editie Richtlijnen voor kleine rechtspersonen. Deze reacties en commen-
taren ziet de RJ graag uiterlijk 1 december 2012 – bij voorkeur per e-mail via rj@rjnet.nl –
tegemoet. Voor overige reacties en commentaren geldt geen uiterste inzendtermijn.
Reacties en commentaren zullen in aanmerking worden genomen bij het vaststellen
respectievelijk wijzigen van definitieve Richtlijnen. Ze worden door de RJ als openbare
informatie behandeld en op de RJ-website gepubliceerd, tenzij door respondenten is
aangegeven dat het commentaar geheel of gedeeltelijk moet worden aangemerkt als
vertrouwelijk.

(Bron: Raad voor de jaarverslaggeving)

Europese subsidies

Hier vindt u een overzicht van Europese subsidies en regelingen. Midden- en kleinbedrijven, grote bedrijven, onderzoekers en kennisinstellingen die in internationaal verband werken aan onderzoek en technologische innovatie, kunnen in aanmerking komen voor een Europese subsidie. Er zijn subsidies voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratieprojecten. De looptijd van de projecten is enkele jaren.

Welke programma’s zijn er?

Het grootste programma met het meeste budget is het Zevende Kaderprogramma (KP7). Daarnaast zijn er nog verschillende andere programma’s op het gebied van bijvoorbeeld media en interregionale samenwerking.

Ga direct naar de programma’s:

Onderaan deze pagina kunt u ook rechtstreeks naar de individuele subsidies uit deze programma’s.

Wanneer kunt u meedoen?

Voor projecten uit het Zevende Kaderprogramma (KP7) zijn er meestal minimaal 3 partners uit verschillende EU-lidstaten of geassocieerde landen nodig om aan een project deel te kunnen nemen. Zo’n samenwerkingsverband heet een consortium. Alleen als u rechtspersoonlijkheid bezit, kunt u deelnemen aan een consortium.

Waar kunt u terecht voor hulp bij uw aanvraag?

Voor informatie en advies over de meeste Europese subsidies kunt u terecht bij Agentschap NL. De regels voor deelname zijn niet eenvoudig. Daarom kunt u het beste in een vroeg stadium contact opnemen. MEDIA Desk Nederland biedt advies en begeleiding bij subsidieaanvragen voor regelingen van het MEDIA Programma van de EU. Dit programma ondersteunt de audiovisuele sector in Europa, inclusief de gamesector.

Hoe dient u een voorstel in?

U kunt projectvoorstellen indienen wanneer er een uitnodiging (call for proposal, of call) openstaat. Een overzicht van alle calls per thema vindt u op de website van Agentschap NL. Op de Research Participant Portal van de Europese Commissie vindt u ook een database van alle openstaande calls. Voor veel Europese subsidies loopt de aanvraag via Agentschap NL.

  • Subsidies (28)
  1. Eco-innovation (CIP)Het Eco-innovation programma is een Europees subsidieprogramma. Het is onderdeel van het Competitiveness and …
  2. Erasmus for Young EntrepreneursAls jonge ondernemer kom je mogelijk in aanmerking voor het programma Erasmus for Young Entrepreneurs. Dit programma …
  3. Europees Globaliseringsfonds (EGF)Moet uw bedrijf door de economische crisis massaal mensen ontslaan? Dan kunt u in aanmerking komen voor steun uit …
  4. EurostarsBent u mkb-ondernemer in de ‘high tech’ onderzoeks- en ontwikkelingssector? Dan kunt u subsidie aanvragen voor een …
  5. Onderzoeksprogramma Energy (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Energy is onderdeel van het KP7-programma Cooperation. De onderwerpen binnen het …
  6. Onderzoeksprogramma Environment (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Environment (including Climate Change) is onderdeel van het KP7-programma …
  7. Onderzoeksprogramma Food (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Food, Agriculture and Fisheries and Biotechnology (FAFB) is onderdeel van het …
  8. Onderzoeksprogramma Health (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Health is onderdeel van het KP7-programma Cooperation. Het budget is ruim € 6 …
  9. Onderzoeksprogramma ICT (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Information and Communication Technologies is onderdeel van het KP7-programma …
  10. Onderzoeksprogramma NMP (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Nanosciences, Nanotechnologies, Materials and New Production (NMP) is onderdeel van …
  11. Onderzoeksprogramma Security (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Security is onderdeel van het KP7-programma Cooperation. Het programma richt zich …
  12. Onderzoeksprogramma Socio-economic sciences (SSH) (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Socio-economic sciences and humanities (SSH) is onderdeel van het KP7-programma …
  13. Onderzoeksprogramma Space (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Space is onderdeel van het KP7-programma Cooperation. De onderwerpen binnen het …
  14. Onderzoeksprogramma Transport (KP7)Het Europese onderzoeksprogramma Transport is onderdeel van het KP7-programma Cooperation. De onderwerpen binnen het …
  15. Subsidie Information communication technologies policy support programme (ICT PSP) (CIP)Het Information Communication Technologies Policy Support Programme (ICT PSP) is een Europees subsidieprogramma. Het …
  16. Subsidie Zevende Kaderprogramma (KP7)Het Zevende Kaderprogramma (KP7) is het grootste subsidieprogramma van de EU. Het wil de internationale samenwerking …
  17. Subsidieprogramma Capacities (KP7)Het Europese subsidieprogramma Capacities is onderdeel van het Zevende Kaderprogramma (KP7). Capacities bestaat uit …
  18. Subsidieprogramma Cooperation (KP7)Het Europese subsidieprogramma Cooperation is een onderdeel van het Zevende Kaderprogramma (KP7). Het is een …
  19. Subsidieprogramma EU Gateway ProgrammeWilt u als mkb-ondernemer exporteren naar Japan en Korea? Dan kunt u deelnemen aan het EU Gateway Programme. Het EU …
  20. Subsidieprogramma Health ProgrammeHet Health Programme is een subsidieprogramma van de EU. Het Health Programme richt zich op beleidsondersteunende …
  21. Subsidieprogramma Ideas (KP7)Ideas is een Europees subsidieprogramma binnen het Zevende Kaderprogramma (KP7). Ideas stimuleert de meest …
  22. Subsidieprogramma Intelligent energy – Europe (IEE-II) (CIP)Het Intelligent Energy – Europe programma (IEE-II) is een Europees subsidieprogramma. Het is onderdeel van het …
  23. Subsidieprogramma INTERREGINTERREG is een Europese subsidieregeling voor samenwerkingsprojecten op het gebied van ruimtelijke en regionale …
  24. Subsidieprogramma LIFE+LIFE+ is het Europese subsidieprogramma voor de ontwikkeling en uitvoering van het Europese natuur- en milieubeleid. …
  25. Subsidieprogramma Marco Polo IIHet Europese subsidieprogramma Marco Polo II wil andere vormen van goederenvervoer stimuleren. Deze moeten het …
  26. Subsidieprogramma MEDIAHet Europese subsidieprogramma MEDIA ondersteunt onafhankelijke Europese producenten, distributeurs en organisatoren …
  27. Subsidieprogramma People (KP7)Het Europees subsidieprogramma People is onderdeel van het Zevende Kaderprogramma (KP7). Met een Marie Curiebeurs …
  28. Subsidieprogramma Research for the benefit of SMEs (KP7)Research for the benefit of SMEs is een Europees onderzoeksprogramma voor midden- en kleinbedrijf zonder eigen …

(Bron: Overheid)

Kan een verhuurder vergeten huurprijsindexeringen en een doorgeïndexeerde huurprijs alsnog in rekening brengen?

In veel huurovereenkomsten voor bedrijfsruimten staat dat de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd. Het gebeurt in de praktijk echter vaak dat de verhuurder vergeet deze indexering door te voeren. Kan een verhuurder – die daar niet eerder om heeft gevraagd – achteraf alsnog aanspraak maken op betaling van de achterstallige indexeringsbedragen en op een doorgeïndexeerde huurprijs?

Het Hof Amsterdam boog zich onlang over deze vragen ( Gerechtshof teAmsterdam, 10 april 2012, LJN BW7821).

In deze zaak gaat het om een kindermodezaak, die sinds 14 november 1989 een winkelruimte is gaan huren, voor een huurprijs van f 1706,25 per maand. In de huurovereenkomst is opgenomen dat de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd volgens een bepaalde formule, voor het eerst per 14 november 1990. De verhuurder bericht op 30 juni 1993 eenmaal dat de huur per 14 november 1993 zal worden verhoogd zoals overeengekomen. Daarna wordt de huurprijs niet meer verhoogd en wordt hierover tussen partijen ook niet gecorrespondeerd.

Op 19 november 2009 – dus ruim 16 jaar later – laat de verhuurder aan de huurder weten dat zij erachter is gekomen dat de overeengekomen indexatie van de huurprijs abusievelijk nooit is doorgevoerd. De verhuurder houdt wel rekening met de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar. De verhuurder vordert daarom ‘slechts’ de achterstallige huurprijsindexeringen over de jaren 2004 tot en met 2009, oftewel een bedrag van EUR 18.627,86, dat de huurder ineens en binnen 21 dagen aan de verhuurder zou moeten voldoen. Verder deelt de verhuurder mee dat de huurprijs alsnog wordt aangepast alsof al die jaren steeds was geïndexeerd, wat feitelijk een huurprijsverhoging van 40% betekent.

De huurder wijst de vorderingen van de verhuurder af, en stelt dat de verhuurder door stil te zitten haar rechten heeft verwerkt. Zij geeft aan dat zij in haar bedrijfsvoering geen rekening heeft gehouden en hoeven houden met de indexering, omdat verhuurder daarop gedurende 17 jaar geen aanspraak meer heeft gemaakt. Bovendien zou de kindermodezaak van de huurder op een faillissement afstevenen.

De kantonrechter was – kort samengevat – van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de verhuurder in dit geval aanspraak maakte op de achterstallige indexering over de afgelopen 5 jaar.De kantonrechter wees alleen de indexering per 14 november 2009 toe.

De verhuurder gaat in hoger beroep, en het Hof Amsterdam komt tot een ander oordeel dan de kantonrechter. Het Hof stelt vast dat de huurovereenkomst ongeclausuleerd voorziet in automatische indexering van de huurprijs. Door deze bepaling te aanvaarden heeft de huurder de verschuldigdheid van de jaarlijkse indexering geaccepteerd, aldus het Hof. Daarvoor is volgens het Hof geen nadere (wils)uiting van de verhuurder nodig. Daarom heeft er bij de huurder ook geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontstaan dat de verhuurder definitief zou afzien van de eventueel te weinig betaalde bedragen en van een correct geïndexeerde huurprijs. Het Hof gaat zelfs nog verder door te oordelen dat op de huurder een eigen verantwoordelijkheid rust om ervoor te zorgen dat de betaalde huurprijs overeenstemt met wat is overeengekomen. Ten overvloede merkt het Hof nog op dat de huurder overigens al in haar belangen wordt beschermd door de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar.

Tip:

Verhuurders en huurders dienen erop bedacht te zijn dat achterstallige indexeringsbedragen (tot maximaal 5 jaar terug) en een doorgeïndexeerde huurprijs alsnog gevorderd kunnen worden. Het enkel stilzitten van de verhuurder zorgt er niet voor dat de huurder erop mag vertrouwen dat de verhuurder heeft afgezien van deze vorderingen.
(Bron: Dijkstra Voermans)

Flex-bv: nieuw dga-begrip in de Pensioenwet

In verband met de invoering van het nieuw bv-recht op 1 oktober 2012 verandert ook de definitie van het dga-begrip in de Pensioenwet.

Er is volgens de aangepaste definitie slechts sprake van een dga indien hij een belang heeft van minimaal 10% van de aandelen waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden. De nieuwe definitie in artikel 1 van de Pensioenwet gaat per 1 oktober 2012 als volgt luiden:

directeur-grootaandeelhouder:

persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;

indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden; of

houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en aan welke aandelen stemrecht in de algemene vergadering van aandelen is verbonden.

De vet gedrukte cursiveringen zijn de voorgestelde nieuwe tekstdelen in de definitie. De aanpassing heeft te maken met het per 1 oktober gewijzigde bv-recht. Zoals al eerder gemeld ontstaat de mogelijkheid aandelen uit te geven waarop geen stemrecht in de algemene vergadering rust. Aandeelhouders met dergelijke stemrechtloze aandelen hebben geen zeggenschap en kwalificeren dus niet als dga. De Pensioenwet is dan dus gewoon van toepassing.

Wijziging van statuten

Als de nieuwe definitie gaat gelden heeft dat niet direct gevolgen voor bestaande pensioenregelingen van directeuren-grootaandeelhouders. Dat wordt anders op het moment dat de statuten van een bv worden aangepast in die zin dat stemrecht in de aandeelhoudersvergadering (deels) wordt losgekoppeld van aandelenbezit. In dat geval kan iemand die nu directeur-grootaandeelhouder is, niet langer als zodanig kwalificeren. De dga wordt dan ‘gewoon’ werknemer, ook al wijzigt er ogenschijnlijk niets. Het is in die gevallen zaak dat de pensioenregeling hierop wordt aangepast.

Als er sprake is van verzekerd pensioen, zal de pensioenregeling voor de dga premievrij moeten worden gemaakt en zal er een nieuwe pensioenregeling – vallende onder de werkingsfeer van de Pensioenwet – opgestart moeten worden. Is er sprake van een pensioen in eigen beheer, dan zal het overeengekomen pensioen naar de toekomst toe verzekerd moeten worden.

[Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]

Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst

Een belangrijke bepaling in het arbeidsrecht is het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Wanneer iemand tegen beloning in drie opeenvolgende maanden wekelijks of ten minste twintig uur per maand werkt, wordt verondersteld dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat. Dit rechtsvermoeden kan door partijen weerlegd worden. Van belang in dit verband is wat partijen hebben willen afspreken, op welke manier zij die afspraken hebben uitgevoerd en daaraan inhoud hebben gegeven.

Iemand werkte aanvankelijk op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor een periode van een half jaar als oproepkracht. Na deze periode bleef de werknemer werkzaamheden verrichten zonder dat er een nieuwe overeenkomst werd gesloten. De werkzaamheden werden op vaste dagen in de week uitgevoerd. Toen de werknemer ziek werd, weigerde de werkgever het loon door te betalen omdat de werknemer een oproepkracht was. De werknemer meende dat het oproepkarakter van de aanvankelijke overeenkomst verloren was gegaan, waardoor hij recht had op doorbetaling van loon tijdens ziekte en op deelname aan de pensioenregeling.

Volgens Hof Den Bosch slaagde de werkgever er niet in het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst te weerleggen. Zo wist de werkgever niet duidelijk te maken dat hij geen arbeidsovereenkomst met de werknemer had willen sluiten. Het hof stelde vast dat de werknemer niet op oproepbasis werkte, maar volgens een vooraf door de werkgever opgesteld rooster. De werknemer had de vrijheid om werkzaamheden te weigeren, mits hij zelf zorgde voor vervanging door een directe collega die op andere dagen hetzelfde werk deed. Hoewel er aanvankelijk een oproepovereenkomst bestond, was deze in de loop van de tijd gewijzigd in een arbeidsovereenkomst. De werknemer had recht op doorbetaling van loon tijdens ziekte en op deelname aan de pensioenregeling.

(Bron: Hof Den Bosch)

 

Vragen en antwoorden over de btw-verhoging van 19% naar 21% per 1-10-2012

1. Mogen ondernemers voor prestaties die zij verrichten na 30 september 2012 reeds voor 1 oktober 2012 btw factureren naar het tarief van 21%?

Ja. Om te voorkomen dat ondernemers aanvullende factureren voor het verschil tussen 19% en 21% moeten uitreiken mogen ondernemers voor prestaties die zij verrichten na 30 september 2012 en die onder het 21% tarief vallen reeds voor 1 oktober 2012 btw factureren naar het tarief van 21%. De ondernemer die de prestatie afneemt mag die 21% conform de regels voor hetrecht op aftrek in aftrek brengen.

2. Onder welke rubriekpost op het aangifteformulier dient het 21% tarief te worden opgenomen tot 1 oktober 2012?

Als voor prestaties die na 30 september 2012 verricht worden voor 1 oktober 2012 een factuur wordt uitgereikt met 21% btw dan kan deze btw opgenomen worden in rubriek 1c van het aangifteformulier. Indien het aangeven in rubriek 1c problematisch is voor de ondernemer dan mag hij er voor kiezen dat wordt aangegeven in rubriek 1a (momenteel 19%). Met ingang van 1 oktober 2012 moet het algemene btw-tarief van 21% gewoon weer in rubriek 1a van het aangifteformulier aangegeven worden. Dit is de rubriek waar tot 1 oktober 2012 het 19% btw-tarief moet worden aangegeven en dat vanaf 1 oktober 2012 wordt aangeduid met “hoog tarief”.

3. Welk tarief is van toepassing bij doorlopende prestaties die zijn aangevangen vóór 1 oktober 2012 en eindigen na 30 september 2012?

Als de afrekening voor doorlopende prestaties betrekking heeft op een periode die eindigt na 30 september 2012 moet de afrekenperiode worden gesplitst. Voor het deel van de prestatie dat plaatsvindt vóór 1 oktober 2012 geldt het oude tarief van 19%. Voor het deel van de prestatie dat plaatsvindt ná 30 september 2012 geldt het nieuwe tarief van 21% Hierbij valt te denken aan het verlenen van licenties, abonnementen op leveringen van bijvoorbeeld gas, elektriciteit en water en telecommunicatiediensten.

4. Hoe dient de correctie in verband met de btw verhoging van 19 naar 21% over de periode 1 oktober tot en met 31 december 2012 bij doorlopende prestaties plaats te vinden?

Voor het deel van de (doorlopende) prestatie dat plaatsvindt ná 30 september 2012 moet in beginsel bij prestaties aan ondernemers en rechtspersonen een aanvullende factuur uitgereikt worden met 21% btw. Als een ondernemer begin 2013 een “jaarfactuur” uitreikt over het jaar 2013 dan kan hij om administratieve redenen er voor kiezen op deze factuur mede de extra verschuldigde btw over het laatste kwartaal van 2012 in rekening te brengen. Op deze factuur kan de “2012 btw” vermeld worden als “na gefactureerde btw 2012”. De ondernemer moet de extra verschuldigde btw wel voldoen over het tijdvak oktober 2012.

5. Op welk moment kan worden aangenomen dat de dienst is afgerond bij onderhoudsen serviceabonnementen voor cv-installaties, liften e.d.?

Met de klant worden afspraken gemaakt over onderhoudswerkzaamheden aan cv-installaties die nodig zijn voor de veiligheid en het ongestoord functioneren van de cv. Vaak worden hiervoor zogenoemde onderhoudsabonnementen afgesloten. Als daarnaast ook afspraken worden gemaakt waarbij de ondernemer zich, tegen een relatief geringe (extra) vergoeding, verplicht om binnen een bepaalde termijn (meestal 24 uur) een storing te verhelpen worden dit meestal serviceabonnementen genoemd. Kenmerkend aan de hier bedoelde overeenkomsten is dat in alle gevallen eenmaal per jaar onderhoudswerkzaamheden aan de installatie worden verricht. Het moment waarop de vergoeding wordt betaald kan variëren van een eenmalige vooruitbetaling, betaling in termijnen of zodra de onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. Zowel bij de hiervoor bedoelde onderhoudsabonnementen als de serviceabonnementen is de onderhoudsdienst de hoofdprestatie (hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in de prijs van het abonnement). Het moment waarop de onderhoudsdienst is afgerond is daarom bepalend voor het antwoord op de vraag of het algemene tarief van 19% of 21% van toepassing is. Hierbij is niet van belang op welke wijze de vergoeding (vooraf, in termijnen of na afloop) wordt betaald.

6. Vaak worden service- en onderhoudsabonnementen in termijnen betaald of ze zijn al vooraf betaald (lees: ook al gefactureerd) in januari. Is het juist dat als de onderhoudsbeurt plaatsvindt na 30 september 2012 de ondernemer nog extra 2% verschuldigd is als gefactureerd is en betaling al heeft plaatsgevonden tegen 19%?

Ja, zie het antwoord bij 3. Het moment waarop de prestatie wordt verricht is beslissend. Opgemerkt wordt nog dat het opmaken van de factuur als zodanig irrelevant is. Als bijvoorbeeld de prestatie vóór 1 oktober 2012 wordt verricht en de factuur wordt opgemaakt ná die datum is toch het 19% tarief van toepassing.

7. Overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen. Wat wordt bedoeld met “een gesloten overeenkomst”? Indien nog opschortende voorwaarden gelden valt deze overeenkomst dan wel al onder de werking van de overgangsregeling of pas vanaf het moment dat de opschortende voorwaarden zijn uitgewerkt?

Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan (artikel 6:213 van het Burgerlijk Wetboek). Van belang is dat de (koop/aannemings)overeenkomst vóór 28 april 2012 is gesloten. Niet van belang is of er opschortende dan wel ontbindende voorwaarden zijn opgenomen in deze overeenkomst.

8. Hoe zit het met gemengde objecten (woning versus bedrijfsgedeelte)? Geldt de overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen alleen voor het woongedeelte en niet voor het bedrijfsgedeelte?

Panden die deels als woning en deels als bedrijfspand worden gebruikt (bijvoorbeeld woon-/winkelpanden) mogen in hun geheel als woning worden aangemerkt. Daarbij geldt de voorwaarde dat die panden voor meer dan 50% voor particuliere bewoning worden gebruikt. Bij een percentage van 50% of minder mag het deel dat voor particuliere bewoning wordt gebruikt voor de toepassing van het tarief worden afgesplitst. In dit laatste geval is de overgangsregeling alleen van toepassing op het woongedeelte.

9. Worden er eisen gesteld aan de verkrijger van de woning? (particulier?)

Nee, er worden geen eisen gesteld aan de verkrijger van de woning.

10. Hoe dient men te handelen bij de overgangsregelingen voor onroerende zaken en aangekochte nieuwbouwwoningen bij meerwerk?

Meerwerk: In het kader van de uitvoering van een koop/aanneemovereenkomst is het vaak mogelijk zgn. meerwerk te laten uitvoeren. Veel koop/aanneemovereenkomsten bepalen terzake dat de opdrachtgever bij het verstrekken van de opdracht tot meerwerk direct een bedrag moet betalen ter grootte van een bepaald percentage, bijvoorbeeld 50%, van de vergoeding voor dat meerwerk.

Overgangsregeling onroerende zaken: Als de opdracht tot het verrichten van het hier bedoelde meerwerk wordt verstrekt vóór 1 oktober 2012,  kan het daarbij direct te betalen bedrag worden beschouwd als een op dat tijdstip vervallen termijn. Daarvoor geldt dan dus het 19% tarief.

Overgangsregeling nieuwbouwwoningen: Als de opdracht tot het verrichten van het hier bedoelde meerwerk is verstrekt vóór 28 april 2012 (dus als onderdeel van de koop/aanneemovereenkomst voor de bouw van een nieuwbouwwoning) en de betaling daarvan in één of meer termijnen gedaan wordt vóór 1oktober 2013 geldt het 19% tarief.

11. Een particulier heeft vóór 28 april 2012 een bouwkavel gekocht. Er is (nog) geen aannemingsovereenkomst overeengekomen voor de bouw van een nieuwbouwwoning. Is de overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen ook van toepassing op de aankoop van een bouwkavel?

Nee, de overgangsregeling geldt niet. De overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen is slechts van toepassing als een ondernemer ingevolge een vóór 28 april 2012 gesloten koop/aannemingsovereenkomst ná 30 september 2012 een woning levert. De datum van 28 april 2012 is in die zin een fatale termijn. Als er vóór die datum geen koop/aannemingsovereenkomst is gesloten voor de bouw van een nieuwbouwwoning is de overgangsregeling niet van toepassing.

12. Geldt de overgangsregeling voor onroerende zaken ook voor apart overeengekomen verbouwingen (zoals het plaatsen van een keuken of badkamer) waarbij de vergoeding vervalt in termijnen naarmate de verbouwing vordert?

Ja, de overgangsregeling voor onroerende zaken geldt ook voor apart overeengekomen verbouwingen waarbij de vergoeding vervalt in termijnen naarmate de verbouwing vordert. Dit geldt echter niet voor diensten bestaande in het verrichten van onderhouds- of herstelwerkzaamheden. Als zodanig zijn in dit verband aan te merken werkzaamheden die (vrijwel) uitsluitend gericht zijn op de instandhouding van de zaak, zoals het vervangen van kozijnen of dakgoten en het vernieuwen van dakbedekking. Van verbouwing is slechts sprake, als de werkzaamheden gericht zijn op een verandering van de inrichting, de aard of de omvang van de zaak. Dat is bij woningen bijvoorbeeld het geval bij veranderingen aan/het plaatsen van keukens en badkamers, het aanbouwen van een serre en het aanbrengen van een dakkapel. Ingeval in het kader van de uitvoering van een en hetzelfde contract naast verbouwingswerkzaamheden tevens werkzaamheden worden verricht die van belang zijn voor de instandhouding van de zaak, zodat het contract in zoverre mede een element van onderhoud of herstel in zich draagt, is niettemin het geheel aan te merken als verbouwing, mits de werkzaamheden als geheel niet (vrijwel) uitsluitend gericht zijn op de instandhouding van de zaak. Er behoeft alsdan geen splitsing te worden gemaakt: de overgangsregeling kan worden toegepast op de verbouwing als geheel. Daarbij wordt aangenomen dat de ondernemer dan ook het 19%-tarief berekent aan de klant.

13. Heeft de verhoging van het algemene btw-tarief gevolgen voor de wijze van verrekenen van negatieve tijdvak- en jaarwinstmarges bij toepassing van de globalisatieregeling bij de margeregeling?

Nee, er hoeft bij het verrekenen van negatieve tijdvak- en jaarwinstmarges geen rekening te worden gehouden met de tariefsverhoging.

14. Hoe wordt bij toepassing van de globalisatieregeling bij de margeregeling na afloop van het kalenderjaar 2012 de btw berekend over de voor 2012 vastgestelde winstmarge voor goederen waarop het algemeen tarief van toepassing is?

De btw over de jaarwinstmarge 2012 voor goederen waarvoor het algemeen tarief van toepassing is moet tijdsevenredig worden berekend. Dat wil zeggen dat voor ¾ van de jaarwinstmarge het 19%-tarief geldt en voor ¼ van de jaarwinstmarge het 21%-tarief

(Bron: Overheid)

Regels voor vakantiewerk 2012

De zomervakantie breekt weer aan en zoals ieder jaar gaan veel scholieren vakantiewerk doen. Belangrijk is dat deze jonge werkers weten wat hun rechten en plichten zijn en wat wettelijk wel en niet mag. Dit verschilt per leeftijd.

Dertien- en veertienjarigen

Als je dertien of veertien bent, mag je klusjes doen of iemand helpen bij het werk, maar je mag niet in een fabriek of met machines werken. Ook mag je niet zelfstandig werken; er moet altijd iemand aanwezig zijn, die op je let. Je kunt bijvoorbeeld helpen in de huishouding bij een gezin, helpen bij licht werk in een pretpark, camping of speeltuin of helpen in een winkel bij inpakken en vakken vullen, maar niet achter de kassa.

Duur van het werk

  • Maximaal vier weken vakantiewerk per jaar
  • Maximaal drie weken achter elkaar
  • Maximaal zeven uur per dag werken, niet voor 7.00 uur en niet na 19.00 uur
  • Niet meer dan 35 uur per week
  • Niet meer dan vijf dagen achter elkaar.
  • Als je 4,5 uur of meer op een dag werkt, heb je recht op een half uur pauze.
  • Tussen twee werkdagen moet je minstens veertien uur kunnen uitrusten
  • Op zondag mag je nooit werken.

Voor dertien- en veertienjarigen is er geen wettelijk minimumloon. Uitgangspunt is het minimumloon voor vijftienjarigen. Dat is € 2,52 bruto per uur.
Als je onder de zestien jaar bent heeft jouw salaris geen invloed op de kinderbijslag die je ouders krijgen.

Vijftienjarigen

Als vijftienjarige mag je al behoorlijk zelfstandig werken. Je mag nog niet werken met machines of in de buurt van machines en het werk mag niet te zwaar zijn. Vanaf vijftien jaar mag je je inschrijven bij een uitzendbureau. Je kunt bijvoorbeeld licht werk in een winkel doen (klanten helpen of opruimen, maar niet achter de kassa of afrekenen), groente en fruit plukken als er niet pas gespoten is met bestrijdingsmiddelen of werken in een museum of op een camping.

Duur van het werk

  • Maximaal zes weken vakantiewerk per jaar
  • Maximaal vier weken achter elkaar
  • Maximaal acht uur per dag, niet voor 7.00 uur en niet na 21.00 uur
  • Niet meer dan 40 uur per week
  • Niet meer dan vijf dagen achter elkaar
  • Als je 4,5 uur of meer werkt op een dag, heb je recht op een half uur pauze
  • Tussen twee werkdagen moet je minstens twaalf uur kunnen uitrusten
  • Op zondag mag je meestal niet werken, behalve als dat in het bedrijf waar je werkt voor iedereen gebruikelijk is. Dan moet er ook iets over in de cao of je contract staan. Er zijn dan nog wel een paar aanvullende regels: als je werkt op zondag, moet je de zaterdag daarvoor vrij zijn en je mag nooit meer dan 11 zondagen in 16 weken werken. Bovendien moeten je ouders schriftelijk toestemming geven voor zondagarbeid.

Het minimumloon voor vijftienjarigen is € 100,80 bruto per week van 38 of 40 uur. Hier heb je dus minimaal recht op.

Zestien- en zeventienjarigen

Zestien- en zeventienjarigen mogen bijna alle soorten werk doen. Bij veel werk of gevaarlijk werk moet er wel een ouder persoon aanwezig zijn om te helpen of in te grijpen als dat nodig is. Zoals bij werk met gevaarlijke machines of bij sloopwerk. Bij gevaarlijk werk is de werkgever verplicht van tevoren uit te leggen wat de risico’s van het werk zijn en moet hij, indien nodig, beschermende kleding of accessoires geven.

Duur van het werk

  • Maximaal negen uur per dag, niet voor 6.00 uur en niet na 23.00 uur
  • Maximaal 45 uur per week
  • Als je meer dan 4,5 uur op een dag werkt, heb je recht op een half uur of twee keer een kwartier pauze
  • Maximaal 160 uur per vier weken
  • Als je zeven dagen achter elkaar hebt gewerkt, moet je anderhalve dag vrij hebben
  • Tussen twee werkdagen moet je minstens twaalf uur kunnen uitrusten
  • Zondagarbeid is toegestaan als het in het bedrijf gebruikelijk is en opgenomen in cao of arbeidscontract. Je moet minstens 13 vrije zondagen per 52 weken hebben

Het minimumloon voor een zestienjarige is € 115,95 bruto per week van 38 of 40 uur en voor een zeventienjarige € 132,75 bruto.
Als je door het jaar een bijbaantje hebt en je verdient meer dan € 1240,- netto per kwartaal, dan wordt de kinderbijslag stopgezet. Tijdens de zomervakantie mag je ook nog €1300,– netto extra verdienen zonder dat de kinderbijslag in gevaar komt.

(Bron: Financieel.info.nu)

Extra eindheffing hoge lonen niet te ontlopen

Voor werknemers met een jaarloon van meer dan € 150.000 moet u in 2013 eenmalig een extra crisisheffing betalen. Het ontlopen van deze pseudo-eindheffing zal niet lukken.

Pseudo-eindheffing

Eén van de bezuinigingsmaatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013 is de eenmalige pseudo-eindheffing van 16% op lonen die in 2012 boven € 150.000 per jaar uitkomen. Voor de Tweede Kamer hiermee akkoord ging, is er een algemene maatregel van bestuur aan het voorstel toegevoegd. Hierdoor kan de ministerraad zonder tussenkomst van de Eerste en Tweede Kamer wijzigingen in deze wet  doorvoeren.

Algemene maatregel van bestuur

Weekers wil met deze algemene maatregel van bestuur voorkomen dat werkgevers in 2013 de pseudo-eindheffing over hoog loon ontlopen. Dit kan een werkgever bijvoorbeeld doen door een werknemer (gedeeltelijk) op zzp-basis te laten werken. Zijn inkomsten zijn dan (voor een deel) geen loon, maar resultaat uit  overige werkzaamheden. Hierdoor overschrijdt de werknemer de loongrens voor de pseudo-eindheffing niet.

Geen goedkeuring

Door nadere regels snel vast te kunnen leggen – zonder dat de Eerste en Tweede Kamer ze eerst moeten goedkeuren – kan zo’n constructie in de kiem worden gesmoord. Zo nodig kan de ministerraad bijvoorbeeld snel in de wet opnemen dat ook inkomsten uit zzp-contracten meetellen voor het loon dat bepaalt of de  werkgever de pseudo-eindheffing moet betalen.

Excessieve vertrekbonussen

Overigens gaat u ook extra betalen voor excessieve vertrekbonussen; in 2013 moet u 75% eindheffing toepassen over het deel van de vertrekbonus dat meer is dan € 531.000. Deze eindheffing op extravagante vertrekbonussen is nu nog 30%.

Bron: Salaris Rendement

Wat u moet weten over de nieuwe bijtelling

Sinds 1 juli 2012 zijn er nieuwe regels van kracht voor mensen met een auto van de zaak (Ambitions.nu: hierover hebben we ook reeds eerder bericht op deze site). Dit heeft gevolgen voor de CO2-grenzen voor het 14%-tarief en het 20%-tarief van de bijtelling. Waarschijnlijk heeft u hier al veel over gehoord, maar misschien vraagt u zich nog af welke gevolgen dit heeft voor uw situatie. Hieronder leest u er meer over: wat u moet weten over de nieuwe bijtelling.

1. Wat is het verschil tussen een hoge of lage bijtelling?

De bijtelling voor de zelfstandig ondernemer wordt door de belastingdienst geheven als correctie op de met inkomstenbelasting belaste winst. Wanneer iemand ook privékilometers maakt in zijn auto van de zaak, moet dit dus worden verrekend in de zogenaamde bijtelling. Omdat de overheid graag zou zien dat mensen eerder voor een zuinige (en dus milieuvriendelijkere) wagen kiezen, zijn er lagere bijtellingpercentages vastgesteld voor zuinige auto’s. De mate van CO2-uitstoot bepaalt het bijtellingpercentage, dus: hoe minder CO2 uw voertuig uitstoot, des te lager de bijtelling.

2. Brengen de nieuwe regels daar verandering in?

Indien u in een zuinige auto van de zaak rijdt, is de kans groot dat er sinds begin deze maand voor u andere regels gelden. Sinds begin juli 2012 zijn de CO2-grenzen voor het 14%-tarief en het 20%-tarief namelijk aangescherpt. Hieronder vindt u alle wijzigingen:

  • Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km, die in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 worden aangeschaft, geldt gedurende zestig maanden een 0%-tarief voor de bijtelling
  • Op auto’s die vóór 1 januari 2012 zijn aangeschaft en niet meer dan 50 gr/km CO2 uitstoten, is voor zover ze daar nog geen recht op hadden vanaf 1 januari 2012 het 0% tarief van toepassing tot 1 januari 2017
  • Voor personenautos met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km, die in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 worden aangeschaft, geldt gedurende zestig maanden een 7%-tarief voor de bijtelling
  • Auto’s met een 20% of 14% bijtelling waarvan het kenteken vóór 1 juli 2012 op naam is gesteld, houden dat lagere bijtellingpercentage totdat de auto een andere eigenaar én andere gebruiker krijgt. In dat geval zal het bijtellingpercentage met ingang van 1 juli 2017 worden aangepast overeenkomstig de dan geldende normen
  • Auto’s met een 20% of 14% bijteling, die vanaf 1 juli 2012 op naam worden gesteld, houden dat lagere bijtellingpercentage voor een periode van zestig maanden. Deze periode begint op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. Aan het eind van die periode wordt bekeken of de auto tegen de dan geldende CO2-grenzen opnieuw voor een 60 maanden periode voor een verlaagd bijtellingspercentage in aanmerking komt [Bron: Rijksoverheid]

3. Ik heb een vrij nieuwe en uiterst zuinige auto. Wat is er sinds 1 juli voor mij veranderd?

Het nul-tarief motorrijtuigenbelasting (MRB), dat in 2010 voor zeer zuinige auto’s is ingevoerd, blijft nog tot en met het jaar 2013 bestaan. Deze regeling is van toepassing op zeer zuinige auto’s, oftewel personenauto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 95 g/km (diesel) of maximaal 110 g/km (benzine/aardgas). Tot 2012 kunt u dus blijven rondrijden zonder MRB te hoeven betalen, maar houd er rekening mee dat dit belastingvoordeel per 1 januari 2014 alsnog vervalt.

4. Ik heb een leaseauto. Merk ik dat straks ook aan de kosten?

Rijdt u al een paar jaar een leasewagen die in de 14%-, 20%- 25%-bijtellingscategorie valt? Dan zal op dit gebied weinig veranderd zijn sinds de invoering van de nieuwe regels. Zolang uw leasecontract nog loopt, zal in veel gevallen de bijtelling onveranderd blijven. U kunt desalniettemin overwegen om uw leasecontract over te sluiten, zodat u met een nieuwe (zuinigere) wagen langer kunt profiteren van de voordelige bijtelling. Neem contact op met uw autoleasebedrijf om te informeren naar de mogelijke voordelen en voorwaarden van het oversluiten van een leasecontract. Meer informatie over leaseauto’s vindt u hier: 5 vragen en antwoorden over de leaseauto.

5. Ik rijd elektrisch. Blijf ik vrijgesteld van bijtelling?

Ja, in principe wel. Elektrische auto’s, maar ook andere voertuigen met een nulemissie tijdens het rijden, zijn in ieder geval tot 2015 vrijgesteld van de bijtelling privégebruik auto van de zaak. Datzelfde geldt voor de BPM (de belasting op personenauto’s en motorrijwielen) en de motorrijtuigenbelasting.

6. En wat als ik besluit privé geen gebruik te maken van de auto?

In dat geval wordt u vrijgesteld van het betalen van bijtelling, mits u officieel kunt aantonen dat de wagen alleen zakelijk gebruikt en weinig privékilometers hebt gemaakt. Deze grens ligt bij vijfhonderd privé gereden kilometers per jaar). U kunt dit aantonen door een rittenadministratie bij te houden of bij de Belastingdienst een Verklaring geen privégebruik auto aan te vragen.

(Bron: Ik ga starten)

Eerste Kamer stemt in met fiscaal crisispakket

In een nieuwsbericht van 11 juli 2012 laat de rijksoverheid weten dat de overdrachtsbelasting structureel op 2 procent blijft. Het algemene btw-tarief wordt per 1 oktober verhoogd van 19 naar 21 procent. En de btw op podiumkunsten wordt verlaagd van 19 naar 6 procent. Dat zijn enkele maatregelen uit de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013, waarmee de Eerste Kamer gisteren in meerderheid akkoord is gegaan. Daarmee is de bulk van de fiscale maatregelen uit het akkoord, in mei gesloten tussen VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie, geregeld.

Fiscale crisispakket

In het fiscale crisispakket is verder onder andere een aanpassing in de aftrek van deelnemingsrente opgenomen, net als een vergroeningspakket en een wijziging van de accijnzen voor alcohol en tabak.

Budgettaire opbrengst

Van de budgettaire opbrengst van ruim €4 miljard, wordt komend jaar €1,5 miljard ingezet voor versterking van de koopkracht van in het bijzonder huishoudens met een laag inkomen. In 2014 en 2015 wordt de totale opbrengst uit de btw-verhoging gefaseerd teruggesluisd via de inkomsten- en loonbelasting.

Andere fiscale maatregelen

De rest van de fiscale maatregelen wordt geregeld in separate wetsvoorstellen. Zoals eerder gecommuniceerd wordt het afschaffen van de onbelaste kilometervergoeding voor woon-werkverkeer uitgewerkt in het Belastingplan 2013, net als de maatregelen op het gebied van de hypotheekrenteaftrek en een verhuurdersheffing.

Bron: rijksoverheid