Vernietiging omkering bewijslast

In geschil is of de Inspecteur zich terecht beroept op de omkering en verzwaring van de bewijslast en of hij de verliesverrekeningsbeschikking en de verliesvaststellingsbeschikking tot op de juiste bedragen heeft vastgesteld.

Belangrijkste gedeelte uit de uitspraak: De Inspecteur heeft door de niet toereikend onderbouwde belastbare winst in de aangifte en het ontbreken van inzicht in de administratie de belastbare winst moeten schatten. Bij zijn schatting heeft hij de belastbare winst vastgesteld opƒ 75.000 (€ 34.033), welk bedrag hij heeft gebaseerd op de belastbare winsten in de jaren direct voorafgaand aan en direct volgend op het onderhavige jaar. Desgevraagd kon de Inspecteur ter zitting van het Hof niet aangeven wat de belastbare winsten in die jaren waren geweest, anders dan dat de belastbare winsten in de jaren 1996 (nihil), 1997 (nihil) en 2004 negatief€ 20.875 waren. In de zaak met het nummer 10/00182 inzake de aanslag in de vennootschapsbelasting 1997 heeft het Hof heden uitspraak gedaan. De belastbare winst heeft het Hof voor 1997 vastgesteld op negatief ƒ 267.183 (€ 121.242). Naar het oordeel van het Hof is het uitgangspunt van de Inspecteur om bij zijn schatting te kijken naar de jaren direct voorafgaand aan en direct volgend op het onderhavige jaar redelijk, maar bieden voornoemde belastbare winsten geen steun aan zijn schatting. Nu de Inspecteur voor zijn schatting geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en deze het Hof ook anderszins niet zijn gebleken, is zijn schatting naar het oordeel van het Hof niet redelijk. Gelet op alle feiten en omstandigheden, zonodig in hun onderlinge samenhang bezien, stelt het Hof de belastbare winst voor het onderhavige jaar in goede justitie vast op nihil.

(Bron: Gerechtshof Leeuwarden 25-10-2011)

Bedrijfsmiddelen willekeurig afschrijven (reminder)

Investeert u in het kalenderjaar 2011 in nieuwe bedrijfsmiddelen? Dan kunt u ervoor kiezen deze bedrijfsmiddelen willekeurig af te schrijven. In het investeringsjaar mag u maximaal 50% afschrijven. Het restant mag u afschrijven in de jaren daarna. Houd wel altijd rekening met de restwaarde van het bedrijfsmiddel.

Voorwaarden

  • U gaat in het kalenderjaar 2011 een investeringsverplichting aan of u maakt voortbrengingskosten.
  • U moet het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2014 in gebruik nemen.

Milieubedrijfsmiddelen kunt u vanaf 2011 voor 75% willekeurig afschrijven. Op het restant past u de normale afschrijving toe.

Belangrijkste uitzonderingen

De volgende bedrijfsmiddelen mag u in ieder geval niet willekeurig afschrijven:

  • gebouwen
  • grond-, weg- en waterbouwkundige werken
  • dieren
  • immateriële activa (waaronder software)
  • bromfietsen, motorrijwielen en personenauto’s

Let op!

Taxi’s en zeer zuinige personenauto’s mag u wel willekeurig afschrijven. De volgende personenauto’s zijn zeer zuinig:

De CO2-uitstoot is niet meer dan 95 gram per kilometer bij personenauto’s die op diesel rijden.

De CO2-uitstoot is niet meer dan 110 gram per kilometer bij personenauto’s die niet op diesel rijden.

Elektrische auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer.

Ook bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor terbeschikkingstelling aan derden mag u niet willekeurig afschrijven. Maar bedrijfsmiddelen die regelmatig voor korte tijd worden verhuurd, mag u wel
willekeurig afschrijven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan gereedschappen, aanhangwagens en hoogwerkers.

Zeeschepen

U moet de willekeurige afschrijving op zeeschepen terugnemen als u er binnen 10 jaar voor kiest gebruik te maken van de tonnageregeling.

(Bron: Belastingdienst 9-11-2011)

Zelfstandigenaftrek terecht geweigerd door inspecteur

X houdt zich bezig met de bemiddeling bij de (ver)huur van woningen. Hij ontvangt hiervoor een vergoeding. Daarnaast ontvangt X vergoedingen voor het gebruik van zijn woon- en bedrijfsadres als inschrijfadres voor diverse bedrijven. Voorts verricht X diverse werkzaamheden, zoals het verwerken van de ontvangen post van op zijn adres ingeschreven bedrijven, het laten inschrijven als medebestuurslid voor een op te richten besloten vennootschap en het inschrijven van daklozen op zijn adres.
Tevens heeft X schoonmaakwerkzaamheden verricht.

De bemiddeling bij de (ver)huur van woningen is in 2003 zeven maal succesvol geweest.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of X recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

Ingevolge artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB) geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.
Artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder urencriterium wordt verstaan het gedurende het kalenderjaar besteden van te minste 1225 uren aan de werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

Nu de inspecteur dit betwist ligt de last aannemelijk te maken dat in het kalenderjaar 2003 ten minste 1225 uren zijn besteed aan werkzaamheden voor zijn onderneming in redelijkheid op X.

X heeft geen urenadministratie, agenda, afsprakenoverzicht of vergelijkbare stukken overgelegd waaruit volgt hoeveel uren hij in 2003 aan werkzaamheden voor zijn onderneming heeft besteed. Met hetgeen hij wel heeft aangevoerd en overgelegd is hij mede gelet op het zeer beperkte aantal succesvolle bemiddelingstransacties (7), niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Zijn verklaring dat zijn ‘winkel’ 38 uur per week geopend is en dat hij bij minimaal 40 werkweken per jaar [dus] in ieder geval 40 * 38 = 1520 uren heeft besteed aan werkzaamheden betreffende zijn onderneming en de door hem overgelegde verklaringen van buren  met betrekking tot X’s aanwezigheid, zijn – ook in onderling verband en samenhang beschouwd en mede in aanmerking nemende dat X in de door hem gehuurde ruimte ook woont – te algemeen van aard om het verlangde bewijs te leveren.

De inspecteur heeft toepassing van de zelfstandigenaftrek terecht geweigerd.

(Bron: Estateplanning nieuws 5-11-2011)

Regel deze belastingzaken vóór 1 januari

Meestal denk u pas na over een belastingaangifte na afloop van het jaar. Het is toch verstandig om met betrekking tot enkele punten hieronder genoemd in november of december een beslissing te nemen en deze uit te voeren. Anders loopt u voor 2012 wellicht voordeel mis.

Lijfrentepremie: Wie een lijfrente heeft afgesloten om zijn pensioentekort aan te vullen, moet even opletten bij het doen van een (extra) storting. Lijfrentepremies voor 2011 zijn alleen aftrekbaar in de aangifte van 2011 wanneer deze vóór 1 januari 2012 zijn betaald. Dit betekent dat premies die in het eerste kwartaal van 2012 worden betaald, niet meer mogen worden afgetrokken in de aangifte 2011. Dat mag alleen nog in de aangifte 2012.

U mag de premie overigens alleen aftrekken als u een pensioentekort heeft. Met de Rekenhulp Lijfrentepremie van de Belastingdienst kunt u bepalen of dat het geval is.

Versneld afschrijven: Als u dit jaar investeert in nieuwe bedrijfsmiddelen, mag u die nog versneld afschrijven. Dit is een tijdelijke maatregel vanwege de economische crisis, en geldt volgend jaar niet meer. Op bedrijfsmiddelen die u dit jaar heeft gekocht, mag u dit jaar maximaal 50 procent afschrijven. Het restant mag u afschrijven in de jaren daarna.

Een aantal bedrijfsmiddelen valt hier niet onder. De belangrijkste uitzonderingen zijn: gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, dieren, immateriële activa (waaronder software), bromfietsen, motorrijwielen en personenauto’s. Taxi’s en zeer zuinige personenauto’s mag u wel willekeurig afschrijven. Let er ook op dat de investering meer dan 450 euro bedraagt, anders is het geen investering maar zijn het kosten, en die mag u sowieso geheel aftrekken.

Zuinige leaseauto’s: Voor energiezuinige auto’s wordt een lagere bijtelling wegens privégebruik
gerekend. Alleen wordt het begrip ‘energiezuinig’ steeds verder aangescherpt. Ook in 2012 worden de eisen voor CO2-uitstoot strenger. Als u overweegt binnenkort een lease-auto of auto van de zaak te gaan rijden, kan het slim zijn dat vóór de jaarwisseling al te gaan doen.

De bijtelling is het percentage van de cataloguswaarde dat u bij uw inkomen moet tellen als u de auto ook privé gebruikt. Voor zeer zuinige auto’s geldt een percentage van 14 procent, voor matig zuinige auto’s geldt 20 procent. De eisen voor die categorieën (in mate van CO2-uitstoot) worden jaarlijks per 1 januari/1 juli aangescherpt. Maar bestaande situaties worden geëerbiedigd! Het loont dus om uw
nieuwe zuinige lease-auto of auto van de zaak vóór 1 januari 2012/juli 2012 aan te schaffen, zodat u onder de oude (ruimere) eisen voor CO2-uitstoot valt.

Voorkom verliesverdamping: Ondernemers die over een bepaald jaar verlies draaien, mogen dat voorwaarts of achterwaarts verrekenen (behaalde winst verminderen met het verliesbedrag). Voorwaarts wil zeggen: verrekenen met in de toekomst behaalde winsten (maximaal 9 jaar na het verliesgevende jaar). Achterwaarts wil zeggen: verrekenen met een winst in het voorgaande jaar (hier is de termijn maximaal 1 jaar; in 2011 nog eenmaal 3 jaar).

Als u nog een verlies heeft staan uit het jaar 2002 of eerder, is het zaak dat nog dit jaar te verrekenen met de winst. Volgend jaar kan het niet meer.

Wel of geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting? Ondernemers die meerdere BV’s hebben die door de fiscus als fiscale eenheid worden beschouwd, doen er goed aan te onderzoeken of dit ook in de toekomst wenselijk blijft. BV’s die minder dan 200.000 euro winst maken, vallen onder een
lager belastingtarief. Het kan dus zijn dat uw BV’s als fiscale eenheid het hoge tarief betalen, terwijl als ze gescheiden zijn beide B.V.’s onder het lage tarief vallen. Dat kan u tot 10.000 euro aan belasting besparen.

Let op: het verbreken van de fiscale eenheid kan alleen voorafgaand aan een belastingjaar gebeuren. Als u de fiscale eenheid vóór 31 december 2011 verbreekt, heeft u het eventuele profijt daarvan pas in 2012.

Voorlopige aanslag over box 3 vermogen De peildatum voor box 3 vermogen was voorheen het gemiddelde van uw vermogen per 1 januari en 31 december. Sinds dit jaar wordt alleen gekeken naar het vermogen per 1 januari van het jaar. Het is dus slim om uw vermogen (spaargeld, aandelen, tweede huis) op 1 januari 2012 zo laag mogelijk te krijgen. U kunt dat bijvoorbeeld doen, door alvast in 2011 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting aan te vragen en te betalen. Doordat u de voorlopige aanslag voldoet, daalt uw box 3 vermogen. Daarnaast is het verstandig om verkoop van box 1 vermogen (eigen woning, lijfrente) of box 2 vermogen (aanmerkelijk belang aandelen) uit te stellen tot na 1 januari. Hier trekt u dan profijt van in 2012 (bij de aanslag over 2012).

Vaker verplicht wijzigingen doorgeven aan Belastingdienst

Wat verandert er?

Op dit moment bent u alleen bij de aangifte loonheffingen verplicht foute of onvolledige gegevens te verbeteren of aan te vullen. Straks bent u vaker verplicht – op eigen initiatief – wijzigingen aan de Belastingdienst door te geven, als achteraf blijkt dat eerder verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn. Het gaat om de volgende 4 gevalllen:

  • verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto;
  • verklaring geen privégebruik auto;
  • Edelweisssituaties (belastingfraude, waarbij erfbelasting over zwart vermogen van de erflater wordt ontdoken);
  • suppletie omzetbelasting.

Als u de wijzigingen niet doorgeeft, krijgt u van de Belastingdienst een boete.

Voor wie?

Alle ondernemingen

Wanneer?

De wijziging treedt op 1 januari 2012 in werking.

Waarom?

De maatregel is onderdeel van het Belastingplan 2012. Zorgen voor de beschikbaarheid van de voor de belastingheffing relevante informatie is een gedeelde verantwoordelijkheid van u en de Belastingdienst.

(Bron: Overheid 3-11-2011)

Betalingstermijnen worden wettelijk vastgelegd

Wat verandert er?

De betalingstermijnen bij overeenkomsten tussen bedrijven en bij overeenkomsten tussen bedrijven en overheden worden wettelijk vastgelegd. Nu bepaalt de wet alleen dat de betalingstermijn niet onredelijk mag zijn.

Business-to-business (B2B)

  • Als u contractueel niets regelt, moet binnen 30 dagen na de factuurdatum worden betaald.
  • In de overeenkomst mag een langere betaaltermijn van maximaal 60 dagen worden afgesproken.
  • Een betalingstermijn van langer dan 60 dagen is alleen toegestaan als aangetoond kan worden dat dit voor geen van beide partijen nadelig is.

Bedrijven en overheden

Binnen 30 dagen na de factuurdatum moet worden betaald. Afwijking van deze termijn is vrijwel niet mogelijk.

Voor wie?

Alle ondernemingen

Wanneer?

De wijziging treedt naar verwachting op 1 juli 2012 in werking.

Waarom?

Vooral kleine en middelgrote bedrijven ondervinden veel hinder van te late betalingen

(Bron: overheid 1-11-2011)

Naheffing van herzienings-BTW bij afnemer wel EU-proof?

Vastgoed-BV X verkreeg op 5 januari 2000 de onverdeelde helft van een pand geleverd onder toepassing van de optie voor BTW-belaste levering. De leverancier had het pand zelf ook verkregen met de optie voor BTW-belaste levering.

Vanaf 5 april 2000 ging BV X het pand BTW-vrijgesteld verhuren. Op 4 juli 2000 leverde zij het pand vrijgesteld van BTW aan een derde. Omdat de levering aan BV X achteraf bezien niet voldeed aan het 90%-criterium van artikel 12a Wet OB, en dus niet aan de voorwaarden voor BTW-belaste levering, legde de inspecteur een naheffingsaanslag terzake van herzienings-BTW op aan BV X.

De Hoge Raad besliste dat de wetgever met artikel 12a Wet OB een regeling in het leven had geroepen voor het herzien van het bedrag aan BTW waarvoor de leverancier aftrek had genoten en welk bedrag moest worden herzien, ofschoon deze bedoeling niet duidelijk in de tekst van artikel 12a Wet OB tot uitdrukking was gebracht. Vervolgens legde de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het EU-Hof van Justitie voor omdat de Hoge Raad eraan twijfelde of het op grond van de Zesde BTW-Richtlijn was toegestaan om voor de herzienings-BTW een ander dan de leverancier als de belastingplichtige aan te merken. De Hoge Raad schorste het geding totdat het EU-Hof uitspraak heeft gedaan.

(Bron: futd 28-10-2011)

Milieusubsidies voor bedrijven

De Rijksoverheid stimuleert bedrijven op verschillende manieren om maatregelen te nemen die goed zijn voor het milieu. Hieronder staan de belangrijkste beschreven. Voor een compleet overzicht, ga naar Antwoordvoorbedrijven.nl.

  • MIA
  • Vamil
  • Energie-investeringsaftrek (EIA)
  • Energie Onderzoek Subsidie (EOS)
  • Subsidieregeling duurzame energie (SDE)
  • Programma Milieu & Technologie (ProMT)
  • Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (SMOM)
  • Programma Samenwerking Oost-Europa – Milieu (PSO-M)
  • Roetfilters en schone bestelauto’s

MIA

Met de milieu-investeringsaftrek (MIA) kunt u de fiscale winst van uw onderneming verlagen. Schaft u een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel aan dat op de Milieulijst staat, dan mag u tot 40% van de investeringskosten (naast de afschrijving) aftrekken van de winst over het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel is aangeschaft. De hoogte van de aftrek hangt af van de milieueffecten en hoe gangbaar het bedrijfsmiddel is. Ook kosten voor een milieu-advies komen onder voorwaarden in aanmerking voor MIA. Agentschap NL voert de MIA uit. De MIA-regeling heet officieel de Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek. Aanvragen moeten worden ingediend bij de Belastingdienst.

Vamil

De Vamil laat u milieu-investeringen op een willekeurig (vrij) moment afschrijven. Op die manier kunt u de betaling van inkomsten- of vennootschapsbelasting uitstellen zodat u een liquiditeits- en rentevoordeel heeft. De Vamil maakt – net als de MIA – gebruik van de Milieulijst. Agentschap NL voert de Vamil-regeling uit. De regeling heet officieel de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen. Aanvragen moeten worden ingediend bij de Belastingdienst.

Energie-investeringsaftrek (EIA)

Deze fiscale regeling stimuleert investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie. Ondernemingen in Nederland die een energie-investering doen, kunnen een percentage van de investeringskosten aftrekken van de fiscale winst. De Energielijst omvat alle bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor de EIA. Agentschap NL biedt uitgebreidere informatie over de regeling. Aanvragen voor de EIA lopen via de Belastingdienst.

Energie Onderzoek Subsidie (EOS)

Bedrijven en kennisinstellingen met innovatieve ideeën op het gebied van energieopwekking en energiebesparing kunnen in aanmerking komen voor Energie Onderzoek Subsidie. De subsidie vraagt u aan bij Agentschap NL. Adviseurs van deze uitvoeringsorganisatie van de overheid beoordelen uw idee op innovativiteit, haalbaarheid en de mate waarin het bijdraagt aan de energiedoelstellingen van de overheid. Is uw idee, project of techniek veelbelovend, dan kunt u (financiële) ondersteuning krijgen bij de ontwikkeling ervan.

Subsidieregeling duurzame energie (SDE)

De Subsidieregeling duurzame energie (SDE) stimuleert de duurzame productie van elektriciteit en/of gas. Voorbeelden zijn windmolens op land, zonnecollectoren of de productie van biogas. Een ondernemer die energie produceert en daarbij het milieu niet of nauwelijks belast, kan in aanmerking komen voor subsidie. Overigens kunnen ook burgers die een aanvraag indienen. U kunt de subsidie aanvragen bij Agentschap NL.

Programma Milieu & Technologie (ProMT)

Deze subsidieregeling stimuleert het ontwikkelen en toepassen van innovatieve processen, producten en diensten, waarvan milieuvoordeel mag worden verwacht. ProMT ondersteunt industriële mkb-bedrijven in de ontwikkelings- en demonstratiefase van milieu-innovaties.externe link: Agentschap NL voert het programma uit.

Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (SMOM)

Via de SMOM kunnen maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk geld krijgen voor projecten op het gebied van milieu en duurzame ontwikkeling. De SMOM werkt volgens een tenderprincipe. Dit houdt in dat slechts gedurende bepaalde periodes subsidie kan worden aangevraagd. De SMOM kent een nationale tender en een tender specifiek voor internationale projecten. Beoordelingscriteria en aanvraagformulieren zijn te vinden op de site van Agentschap NL.

Programma Samenwerking Oost-Europa – Milieu (PSO-M)

De tenderregeling PSO-M is een programma waarbij private organisaties worden uitgenodigd in geselecteerde Oost-Europese landen oplossingen voor milieuproblemen te demonstreren. Daarbij krijgen ze de kans om innovatieve Nederlandse technologieën en oplossingen te promoten.externe link: Agentschap NL voert het programma uit.

Roetfilters en schone bestelauto’s

Voor het achteraf inbouwen van roetfilters in bestaande bedrijfswagens bestaan diverse subsidieregelingen:

  • voor bestaande zware voertuigen (vrachtwagens, bussen en zware bestelauto’s);
  • (t/m 31 december 2010)voor bestaande lichte voertuigen (lichte bestelwagens en personenauto’s);
  • mobiele werktuigen (voor bouw, wegenbouw en grondverzet).

Voor bestaande zware motorvoertuigen hangt de hoogte van de subsidie onder meer af van het soort filter dat wordt ingebouwd en het motorvermogen van het voertuig.
Voor nieuwe dieseltaxi’s en dieselbestelwagens met affabriek roetfilter bestaat een aparte subsidieregeling. Voor de aanschaf van nieuwe bestelauto’s die als vrachtwagen gekeurd zijn en die aan de zogeheten EEV-norm voldoen én een fijnstofemissie hebben van 10 milligram/Kwh of minder, bestaat een aparte subsidieregeling.
Meer informatie over roetfilters (en de bijbehorende subsidieregelingen) is te vinden onder Auto.

(Bron: Rijksoverheid 29-10-2011)

Inttrekking besluit 75% BTW prive-auto

In de praktijk heerste er veel onduidelijkheid over de btw aftrek die de ondernemer kan krijgen voor zijn privé auto. Mag hij nu wel of niet 75% van de btw aftrekken? Het desbetreffende besluit uit 2004 was tot op heden niet ingetrokken, maar de achterliggende tekst wel. Het Ministerie van Financiën heeft inmiddels het andere besluit ook ingetrokken. Nu dit besluit ook is ingetrokken geld er een nieuwe regeling. Dit betekent dat BTW alleen nog afgetrokken mag worden op basis van werkelijk gebruik. Wat ook nog een aanvullend atentiepunt is dat vanaf 1 juli 2011 woonwerk kilometers geen zakelijke kilometers meer zijn.

 

Fiscus moet voortvarend te werk gaan

Bij het vaststellen van een navorderingsaanslag moet de Belastingdienst voortvarend te werk gaan. Dit geldt met name als sprake is van een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank in Breda.

In deze zaak ging het om een man die bankrekeningen had in Luxemburg, maar daar niks over vermeldde in zijn aangifte. Op 27 oktober 2000 kreeg de fiscus informatie over deze Luxemburgse bankrekeningen. Na onderzoek van alle gegevens kon de fiscus op 11 oktober 2001 vaststellen dat de man de rekeninghouder was van de bankrekening. Om informatie te krijgen over deze bankrekeningen stuurde de inspecteur op 11 november 2002 een vragenbrief. De man beriep zich echter op zijn zwijgrecht, zodat de inspecteur op 31 december 2002 de eerste navorderingsaanslag oplegde en daarbij gebruikmaakte van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. De rechter moest nu bepalen of de inspecteur deze verlengde navorderingstermijn wel mocht gebruiken.

Verlengde navorderingstermijn

Om dit te beoordelen ging de rechtbank Breda uit van de regels die bleken uit een arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2000. Volgens dit arrest is de verlengde navorderingstermijn slechts aanvaard als het noodzakelijk is om:

  • de inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn voor het bepalen van de hoogte
    van de navorderingsaanslag; en
  • er een redelijke voortvarendheid is betracht bij het voorbereiden en
    vaststellen van een navorderingsaanslag met de beschikbare gegevens.

In deze zaak had de inspecteur echter geen actie ondernomen in de periode tussen oktober 2001 en november 2002. De rechtbank vond dat de inspecteur niet de voortvarendheid had betracht die nodig was bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen. De navorderingsaanslagen die met een beroep op de verlengde navorderingstermijn waren opgelegd moest de inspecteur dus vernietigen. De afhandeling van de inspecteur voldeed immers niet aan voorwaarden van het arrest van de Hoge Raad. De overige navorderingsaanslagen, die binnen de vijf jaar waren opgelegd, konden wel in stand blijven.

(Bron: Fiscaal Rendement: augustus 2011)